ECLI:NL:GHARL:2026:6137

ECLI:NL:GHARL:2026:6137

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 09-09-2026
Datum publicatie 24-09-2026
Zaaknummer 21-001215-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Leeuwarden

Samenvatting

Poging doodslag op toenmalige partner. Volledige ontoerekeningsvatbaarheid, OVAR. Geen tbs. RM in strafprocedure toegewezen, maar niet uitgevoerd. Het hof bevestigt het vonnis van de rechtbank, behalve wat betreft de door de rechtbank opgelegde tbs met dwangverpleging, nu dat niet noodzakelijk en niet passend is, gelet op het huidige (vrijwillge) zorgkader van verdachte. Het hof vult de gronden aan ten aanzien van de ontoerekeningsvatbaarheid van verdachte. Overweging ten overvloede met betrekking tot het procesverloop in deze zaak door het niet aansluiten van de strafrechtelijke mogelijkheden op de zorgbehoefte van verdachte en het zorgaanbod in reguliere en forensische zorg- en behandelinstellingen. Het (geschrapte) art. 37 Sr had uitkomst kunnen bieden in deze zaak.

Uitspraak

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1963 in [geboorteplaats] ,

volgens de Basisregistratie Personen ingeschreven te [woonplaats] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zittingen van het hof van 12 maart, 9 april en 9 september 2026 is besproken en wat op de zitting bij de rechtbank naar voren is gebracht.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake van de hem primair tenlastegelegde poging doodslag tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek van voorarrest. Daarbij vordert de advocaat-generaal oplegging van een maatregel in de zin van artikel 38 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), inhoudende een contactverbod met het slachtoffer en een locatieverbod voor de omgeving van haar woning voor de duur van 3 jaren, met vervangende hechtenis van 2 weken per overtreding, met een maximum van 6 maanden. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.

Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. J. Boksem (en op een eerdere zitting mr. Versluis), en de advocaat van het slachtoffer, mr. N.D. Spijker, hebben aangevoerd.

Het vonnis

De rechtbank heeft bij vonnis van 4 maart 2025 het primair tenlastegelegde feit, een poging doodslag, bewezenverklaard en daarbij geoordeeld dat dit feit niet aan verdachte kan worden toegerekend. De rechtbank heeft verdachte daarom niet strafbaar geacht en hem ontslagen van alle rechtsvervolging en hem opgelegd de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege (hierna: tbs met dwangverpleging).

Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden heeft beslist en zal het vonnis bevestigen, behalve voor zover het betreft de door de rechtbank opgelegde maatregel tbs met dwangverpleging. Ten aanzien van dit onderdeel van het vonnis komt het hof tot een andere beslissing dan de rechtbank. In zoverre wordt het vonnis dan ook vernietigd.

Dit betekent dat het hof de bewezenverklaring en kwalificatie van de rechtbank in stand houdt. Bewezenverklaard is dat verdachte ‘omstreeks 25 juli 2023 in [plaats] geprobeerd heeft [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven door haar tegen de grond te slaan, bovenop haar te gaan zitten, haar met een voorwerp en meerdere malen met zijn handen in haar gezicht en tegen haar hoofd en lichaam te slaan en stompen en door haar keel dicht te knijpen’. [slachtoffer] was zijn toenmalige partner, met wie hij al meer dan twintig jaar samen was. Van eerder geweld van hem tegen haar, is nimmer sprake geweest.

De rechtbank heeft verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging, vanwege het oordeel dat de bewezenverklaarde poging doodslag niet aan hem toe te rekenen is. Ook dat onderdeel van het vonnis van de rechtbank wordt door het hof bevestigd. Het hof zal hieronder de gronden op dat punt wel aanvullen, gelet op wat besproken is op de zitting in hoger beroep.

Het hof heeft na het sluiten van het onderzoek ter zitting op 9 september 2026 direct mondeling uitspraak gedaan in het bijzijn van verdachte, zijn raadsman en de advocaat van het slachtoffer. Daarbij heeft het hof aangegeven dat de uitleg die aan de beslissingen ten grondslag ligt in dit schriftelijke arrest nogmaals (en op punten uitgebreider) uiteengezet zou worden.

Strafbaarheid van verdachte

(On)toerekeningsvatbaarheid

Het hof heeft, ten aanzien van de strafbaarheid van verdachte, onder meer kennisgenomen van de pro justitia-rapportage van 1 oktober 2024 (psychiatrisch onderzoek) en 28 september 2024 (psychologisch onderzoek) en de aanvullende rapportage van dezelfde psychiater en psycholoog gedurende het hoger beroep van 5 november 2025.

Uit de eerstgenoemde twee rapportages volgt dat bij verdachte sprake is van omvangrijke hersenschade als gevolg van een goedaardige hersentumor die in 2009 is verwijderd. Deze operatie heeft geleid tot een persoonlijkheidsverandering. Verdachte kreeg moeite om het dagelijks leven te structureren, plannen en organiseren, en zijn brein was minder in staat om informatie te filteren en te prioriteren. Dit kon leiden tot stemmingswisselingen en gevoelens van machteloosheid. Geleidelijk ontstonden er verdere neurocognitieve problemen. Hij ervoer auditieve imperatieve hallucinaties, die mogelijk het gevolg waren van dit hersenletsel. Ten slotte is een lichte stoornis in het gebruik van alcohol vastgesteld. Verdachte gebruikte destijds dagelijks alcohol, soms in grote hoeveelheden. Alcohol werd door verdachte deels gebruikt om spanningen te verminderen. In de weken in aanloop naar de poging doodslag op zijn partner lijkt de balans in draagkracht en draaglast uit evenwicht te zijn geraakt. Verdachte hoorde steeds vaker stemmen. Op de dag van de aanval op zijn partner kwam dit allemaal samen, mede door overprikkeling, een gebrek aan rustmomenten en spanning. Het is goed mogelijk dat verdachte die avond alcohol heeft gedronken om de opgelopen spanningen te dempen. Onder invloed van bevelshallucinaties en waandenkbeelden kwam hij uiteindelijk tot het delict. Op dat moment was zijn contact met de werkelijkheid verbroken, was hij zich niet meer bewust van zijn omgeving en heeft hij volgens de deskundigen volledig gehandeld onder invloed van bevelshallucinaties, waarbij de keuze- en handelingsvrijheid in maximale mate werd ingeperkt. Geadviseerd werd daarom om het ten laste gelegde feit niet aan verdachte toe te rekenen.

In het aanvullende advies van 5 november 2025 is vastgesteld dat sprake is van een ongespecificeerde neurocognitieve stoornis (NAH), een ongespecificeerde schizofreniespectrum of andere psychotische stoornis (het delier, inmiddels langdurig in remissie door het gebruik van antipsychotica) en een lichte stoornis (ook in langdurige en volledige remissie) in het gebruik van alcohol. De onderzoekers adviseren daarin nog steeds het ten laste gelegde, indien bewezen, de verdachte ‘in het geheel niet toe te rekenen omdat verdachte zijn wil niet in vrijheid heeft kunnen bepalen en het contact met de werkelijkheid volledig was verstoord’.

Evenals de rechtbank acht het hof de conclusies van de deskundigen begrijpelijk. Het hof bevestigt het oordeel van de rechtbank dat het bewezenverklaarde feit in het geheel niet aan verdachte kan worden toegerekend, nu hij als gevolg van voornoemde stoornis (een stoornis in de zin van artikel 39 Sr) niet kon begrijpen dat het door hem begane feit wederrechtelijk was, dan wel dat hij niet in staat was om in overeenstemming te handelen met zijn begrip van de wederrechtelijkheid van dat feit.

Culpa in causa?

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte wel enigszins toerekeningsvatbaar was, omdat hij er zelf voor gekozen heeft om alcohol te drinken, terwijl hij wist dat dat slecht voor hem was. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat gedragingen van een verdachte die aan het optreden van de in artikel 39 Sr bedoelde stoornis vooraf zijn gegaan, in de weg kunnen staan aan het oordeel dat het tenlastegelegde feit niet aan de verdachte kan worden toegerekend. Daarvan is slechts sprake onder bijzondere omstandigheden. Van zulke bijzondere omstandigheden kan bijvoorbeeld sprake zijn als een verdachte verdovende middelen heeft gebruikt en het ontstaan van de stoornis daardoor aan hemzelf te wijten is. Het hof is van oordeel dat van dergelijke bijzondere omstandigheden in onderhavige zaak geen sprake is. Uit voornoemde rapportages blijkt om te beginnen niet dat alcoholgebruik de enige oorzaak is geweest van het bij verdachte opgetreden delier. Het betrof een combinatie van (kortgezegd) spanningen, gehoorde stemmen en de gevolgen van het bij verdachte bestaande hersenletsel. Daarnaast is bij verdachte sprake van een lichte stoornis in alcoholgebruik, waardoor niet zonder meer vastgesteld kan worden dat de keuze om alcohol te gebruiken verdachte (geheel) vrij stond. Er is bovendien niet eerder sprake geweest van een dergelijke psychotische toestand bij verdachte, ondanks het feit dat hij al jarenlang dagelijks alcohol gebruikte. Het hof meent dat verdachte daarom – anders dan de advocaat-generaal - niet had kunnen voorzien dat het gebruik van alcohol, in combinatie met voornoemde factoren, zou leiden tot deze geweldsuitbarsting. Van een situatie waarin verdachte daarom enigszins toerekeningsvatbaar was, is naar het oordeel van het hof geen sprake.

Ook het feit dat de rapporterend psycholoog en psychiater op de zitting van het hof van 12 maart 2026 desgevraagd hebben aangegeven dat zij er vanuit pragmatisch oogpunt geen moeite mee hebben om te komen tot het advies ‘zeer sterk verminderd toerekeningsvatbaar’ leidt niet tot een ander oordeel. Desgevraagd gaven zij aan vanuit gedragsdeskundig oogpunt te adviseren om verdachte geheel ontoerekeningsvatbaar te verklaren, maar dat zij er (enkel) vanuit pragmatisch oogpunt geen moeite mee hebben om te komen tot het advies ‘zeer sterk verminderd toerekeningsvatbaar’. Dit advies was enkel en alleen ingegeven door de noodzaak een goede kliniek voor verdachte te vinden. Dat leek (zoals hierna uitgebreid aan de orde komt) niet mogelijk met een tbs-maatregel, die de deskundigen overigens ook niet nodig vonden, maar ook niet zonder een forensische titel. Een forensische titel zou, zo leek het, behalve bij de oplegging van tbs, enkel mogelijk zijn als verdachte niet volledig ontoerekeningsvatbaar zou worden verklaard.

Gelet op het voorgaande is verdachte niet strafbaar voor de bewezen verklaarde poging doodslag. Het hof bevestigt daarom de beslissing van de rechtbank dat verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging. Het hof zal aan verdachte aldus geen straf (kunnen) opleggen. Anders dan de rechtbank, die nog uitging van later gebleken onjuiste aanwijzingen voor een degeneratief proces (dementie) waardoor sprake was van een hoger recidivegevaar, acht het hof ook het opleggen van een (tbs-)maatregel niet noodzakelijk dan wel passend. Het hof licht dit hierna toe. Daarbij wordt eerst uiteengezet hoe de zoektocht naar een passende behandeling en/of woonplek voor verdachte is verlopen.

Feitelijke gang van zaken

Op 25 juli 2023 maakte verdachte zich schuldig aan een poging tot doodslag, gepleegd op zijn partner. Vanaf 11 augustus 2023 verbleef verdachte hiervoor in voorlopige hechtenis in de Penitentiaire Inrichting in [locatie P.I.] , meer in het bijzonder in het Penitentiair Psychiatrisch Centrum.

Tijdens de procedure bij de rechtbank is door de rapporteurs geadviseerd verdachte op te laten nemen op een klinische afdeling met een laag beveiligingsniveau en een hoge zorgintensiteit, omdat beheersproblematiek ontbreekt. Mede daarom is destijds het traject voor het verkrijgen van een zorgmachtiging (ZM) onderzocht, maar afgebroken omdat verdachte niet aan de criteria voor de aanvraag van een ZM voldeed. Vermoedelijk had dat er (deels) mee te maken dat verdachte in principe bereid bleek om vrijwillig mee te werken met de zorg die hij nodig heeft. De reclassering is er tijdens de procedure in eerste aanleg niet in geslaagd een geschikte plek voor verdachte te vinden, noch binnen de forensische zorg noch binnen de reguliere zorg. Op dat moment werd nog gedacht aan een beginnend dementieel beeld (progressief degeneratief proces) bij verdachte. Vanwege dit beeld en het NAH bleek verdachte niet plaatsbaar in een forensische kliniek. Een reguliere kliniek zoals [zorgaanbieder] zag zowel het progressief dementieel beeld als contra-indicatie voor plaatsing als ook een tbs-titel (met voorwaarden).

De rechtbank oordeelde vervolgens bij vonnis van 4 maart 2025 dat alleen de mogelijkheid van tbs met dwangverpleging overbleef om het (toen nog) door de psycholoog en psychiater beschreven recidivegevaar te beteugelen en de veiligheid van personen te waarborgen. Vanwege de aanname dat het degeneratieve proces (dementie) zou leiden tot een verslechtering van het cognitief functioneren en daardoor tot een hoger recidivegevaar, was het onverantwoord om verdachte onbehandeld te laten terugkeren in de maatschappij, aldus de rechtbank.

Namens verdachte is vervolgens hoger beroep ingesteld. Reden daarvoor was de opgelegde tbs-maatregel met dwangverpleging. De uitvoering van deze maatregel was uitzichtloos voor verdachte, nu er voor hem geen geschikte plek gevonden kon worden en tbs-klinieken niet ingericht zijn op de behandeling van demente personen. De raadsvrouw meende dat alsnog een ZM voor verdachte moest worden afgegeven.

In juli 2025 heeft een eerste overleg plaatsgevonden bij de raadsheer-commissaris met het openbaar ministerie, de raadsvrouw, de psycholoog en psychiater die al onderzoek hadden gedaan, de reclassering, medewerkers van het PPC [locatie P.I.] en een medewerker van Dienst Individuele Zaken (DIZ) van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI). Tijdens dat overleg bleek om te beginnen dat getwijfeld werd aan de eerdere diagnose van beginnende dementie bij verdachte. In dit overleg werd besproken dat de behandelaars van verdachte in het PPC twijfels hadden bij de gestelde diagnose, nu bij een degeneratief proces achteruitgang wordt verwacht, terwijl het steeds beter leek te gaan met verdachte. Verder zouden de recente hersenscans van verdachte zijn vergeleken met oudere scans en ook daarop was geen achteruitgang te zien. Afgesproken werd dat de psychiater en psycholoog nieuw onderzoek zouden gaan doen naar de diagnose en behandelnoodzaak van verdachte.

DIZ meldde verder dat verdachte in een zoektocht naar een passende plek werd afgewezen bij de reguliere zorg vanwege het door de rechtbank opgelegde forensische kader in combinatie met zijn NAH. De reclassering meldde dat er in dat kader met 16 reguliere zorgaanbieders was gesproken. Door DIZ werd toen als kader geopperd tbs met voorwaarden waarbij de (NAH-)zorg via een ZM of Rechterlijke Machtiging (RM) zou plaatsvinden. Het verblijf van verdachte zou dan plaatsvinden op grond van de ZM of RM, terwijl vanuit de tbs met voorwaarden sprake zou kunnen zijn van ‘forensische scherpte en achtervang’.

In oktober 2025 heeft een tweede overleg plaatsgevonden bij de raadsheer-commissaris met het openbaar ministerie, de raadsman, de psycholoog, medewerkers van het PPC [locatie P.I.] en een medewerker van DIZ. Tijdens dat overleg kwam als optie – op basis van voorlopige conclusies van de deskundigen als gevolg van aanvullend onderzoek – naar voren om verdachte op een NAH-afdeling binnen de reguliere zorg te plaatsen door middel van een ZM. De reguliere zorgaanbieders hielden de plaatsing van verdachte echter af vanwege de door de rechtbank opgelegde forensische titel. Een plaatsing via een forensische titel bleek echter ook niet mogelijk omdat het Ministerie van Justitie en Veiligheid geen NAH-plekken bleek te hebben ingekocht. De advocaat-generaal heeft vervolgens in dat overleg toegezegd dat de mogelijkheden voor een RM of ZM zouden worden onderzocht.

In november 2025 werd door dezelfde psychiater en psycholoog aanvullend gerapporteerd over verdachte. De deskundigen kwamen daarin tot het oordeel dat van aanwijzingen voor – kort gezegd – een dementieel proces (toch) geen sprake bleek. Wat resteerde was de diagnose NAH en een ongespecificeerde schizofreniespectrum of andere psychotische stoornis en een lichte stoornis in het gebruik van alcohol. Na behandeling met medicatie blijkt echter al lange tijd geen sprake meer van auditieve imperatieve hallucinaties bij verdachte. Verdachte is zich verder bewust van de invloed van alcohol en is intrinsiek gemotiveerd om geen alcohol meer te drinken. Beide laatste stoornissen zijn dan ook in langdurige remissie.

Verder is aangegeven dat het gebruik van antipsychotica, het functioneren in een overzichtelijk en gestructureerd woonklimaat en het zich onthouden van alcohol ertoe zal leiden dat verdachte stabiel blijft functioneren. Deze noodzakelijke vorm van verblijf kan gerealiseerd worden in het reguliere zorgcircuit op een afdeling met een behandelaanbod voor mensen met (o.a.) NAH-problematiek. De rapporteurs gaven daarbij hun voorkeur aan voor plaatsing bij een grote zorgaanbieder zoals [zorgaanbieder] of [zorgaanbieder] . Overigens vond er ten tijde van het pro justitia-onderzoek in 2024 al een intakegesprek plaats bij [zorgaanbieder] , maar werd aangegeven dat men terughoudend is om personen aan te nemen die een agressiedelict hebben gepleegd.

Een dwingend forensisch kader is volgens de deskundigen niet aangewezen. Een klinische behandelafdeling wordt ook niet noodzakelijk of aangewezen geacht. Anders dan het terugdringen van psychotische klachten met medicatie en abstinentie van alcohol, zijn er geen behandeldoelen. De kans op toekomstige geweldsescalaties werd vervolgens als laag ingeschat.

Beschreven werd dat plaatsing zowel via een RM of een ZM zou kunnen plaatsvinden. De RM leek de deskundigen op dat moment de best passende maatregel. Wanneer plaatsing via die weg niet zou lukken, dan zou mogelijk kunnen worden uitgeweken naar een ZM. Pogingen om verdachte in de reguliere zorg te plaatsen zijn mislukt vanwege de door de rechtbank opgelegde tbs-maatregel of omdat de indicatie van verdachte (een indicatie op grond van de Wet langdurige zorg, te weten een WLZ-4 indicatie, met zorgprofiel LG04) niet aansloot bij NAH. Pogingen om verdachte in de forensische zorg te plaatsen zijn ook op niets uitgelopen. Er is geprobeerd om verdachte met een “verlengde arm constructie” te plaatsen in de reguliere zorg. Hierbij zou verdachte bij een forensische zorgaanbieder worden geplaatst, waarbij de zorg zou worden uitbesteed aan een reguliere zorginstelling. Een en ander is niet gelukt omdat verdachte als ‘te complex’ werd gezien.

Op 5 maart 2026 is door het openbaar ministerie bij het hof een verzoekschrift ingediend, waarin is verzocht een RM af te geven.

Dit verzoekschrift is behandeld op de zitting van het hof van 12 maart 2026, gelijktijdig met de inhoudelijke behandeling van de strafzaak. Op deze zitting zijn de rapporterend psycholoog en psychiater ook gehoord als deskundigen. Zij hebben aangegeven dat de zorg die verdachte nodig heeft via een RM kan worden geleverd. Het recidiverisico werd toen als laag ingeschat en een tbs-maatregel daarom niet aangewezen. De behandelcoördinator van verdachte in het PPC [locatie P.I.] heeft als deskundige op de zitting verklaard dat inmiddels veel zorgorganisaties waren aangeschreven. Daarbij is de aangepaste diagnostiek van verdachte ook onder de aandacht gebracht. Verdachte werd vervolgens telkens afgewezen, vanwege de NAH-problematiek, de eerdere diagnostiek, de eerder afwijzingen, een gebrek aan plekken, vanwege de forensische titel of vanwege de overgang vanuit detentie. Er liepen ten tijde van deze zitting nog gesprekken met de instellingen [zorginstelling] en [zorgaanbieder] voor plaatsing van verdachte via een RM. De hiervoor genoemde WLZ-indicatie die verdachte heeft, bleek echter niet aan te sluiten bij de zorg die de organisaties bieden. Met een ZM of forensische titel zou verdachte wel terecht kunnen bij [zorginstelling] .

Het hof heeft op 12 maart 2026 een RM afgegeven voor 6 maanden. Wettelijk gezien moet vervolgens binnen 4 weken een plek worden gevonden, om te voorkomen dat de RM verloopt. De behandeling van de strafzaak is daarom aangehouden voor de duur van 4 weken. De voorlopige hechtenis van verdachte werd geschorst vanaf het moment dat verdachte in het kader van de RM in een instelling zou worden geplaatst.

Op de zitting van het hof van 9 april 2026 is gebleken dat het niet gelukt is om verdachte via de RM te plaatsen in de reguliere zorg. De RM is daarmee op 9 april 2026 komen te vervallen. Ondanks de ongeveer twintig aanmeldingen die bij verschillende zorginstellingen zijn gedaan werd verdachte telkens afgewezen. Hierbij werden steeds verschillende redenen genoemd. Plaatsing via een RM zou niet passen bij verdachte, er waren geen RM-plekken, verdachte zou niet de juiste indicatie hebben, er zou een NAH-plus-plek nodig zijn in plaats van een reguliere NAH-plek. In algemene zin werd aangegeven dat de instellingen het te spannend vonden om verdachte te plaatsen en daarmee de volledige verantwoordelijkheid voor hem te hebben zonder ruggenspraak met de reclassering (vanuit een forensisch kader). In de praktijk bleek behoefte te bestaan aan een dossierverantwoordelijke, iemand om op terug te vallen, voor het geval er problemen zouden ontstaan. Niet alleen het feit dat verdachte op dat moment in voorarrest zat, schrikte af, de duur van het voorarrest – inmiddels 2,5 jaar – deed dat ook.

Instelling [zorginstelling] – begeleid wonen wilde (uiteindelijk als enige) verdachte alleen opnemen via een langdurige forensische titel met een toezichthouder. Op de zitting heeft het hof de voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van 15 april 2026 geschorst, zodat hij vanuit een schorsing met een forensische titel met toezichthouder kon worden opgenomen bij zorginstelling [zorginstelling] . Dit heeft het hof – tegen zijn eigen gebruik in – gedaan zonder dat hieraan een reclasseringsadvies ten grondslag lag. Verdachte is uiteindelijk op 15 april 2026 daadwerkelijk geplaatst bij [zorginstelling] .

Behandelverloop

Het hof stelt vast dat verdachte inmiddels (eindelijk, maar nog wel met een omweg) op de juiste plaats terecht is gekomen om adequaat behandeld te worden voor de bij hem vastgestelde problematiek. Uit het reclasseringsrapport van 27 augustus 2026 en de toelichting daarop op de zitting van het hof van 9 september 2026 door [naam] volgt dat verdachte na zijn schorsing uit voorlopige hechtenis sinds half april 2026 goed gedijt in de reguliere geestelijke gezondheidszorg. De forensische instelling [zorginstelling] bleek (juist door de forensische populatie aldaar) te onrustig voor verdachte, die juist goed gedijt in een omgeving zonder veel prikkels. Daarom werd ten tijde van de zitting van 9 september 2026 onderzocht of verdachte kan verhuizen naar [zorgaanbieder] van [zorgaanbieder] of dat hij zelfs in aanmerking komt voor een aanleunwoning met ambulante begeleiding. Ter overbrugging is hij geplaatst in een eigen appartement in een zogenaamd ‘kortverblijfhuis’ van de [verblijfhuis] in [plaats] . In reactie op de vraag van het hof hoe het verdachte momenteel vergaat, heeft [naam] aangegeven dat het ‘verrassend goed’ met verdachte gaat, eerst bij [zorginstelling] en vervolgens bij de [zorginstelling] . Ook de verhuizing heeft hem niet van zijn stuk gebracht. Ook verdachte bevestigt dat hij op zijn plek zit. Hij krijgt begeleiding en steun bij voornamelijk praktische zaken, is abstinent van het gebruik van alcohol en heeft zijn medicatie in eigen beheer.

Het lijkt er zodoende op dat verdachte, na bijna 33 maanden voorlopige hechtenis, uiteindelijk alsnog terecht gaat komen op de (reguliere) zorgplek die al aan het begin van de strafzaak door de pro justitia-rapporteurs is genoemd als mogelijk passende plek voor verdachte en bij welke instelling verdachte destijds in 2024 al een intakegesprek had. Dit zonder dat daarvoor een forensische titel nodig blijkt.

De reclassering beschrijft namelijk dat de zorg en het verblijf van verdachte nu plaatsvinden vanuit het vrijwillige (Wlz-)kader en dat verdachte deze ook aanvaardt. Het recidiverisico wordt als laag ingeschat. De reclassering ziet in verdachte een gemotiveerde man die open staat voor begeleiding, die inzicht heeft ontwikkeld in de factoren die hebben bijgedragen aan het delict en die zich actief inzet om een terugval in dat gedrag te voorkomen. Dit hebben de pro justitia-rapporteurs ook al benoemd in hun advies van 5 november 2025.

Deze uiteindelijke uitkomst heeft flink wat voeten in de aarde gehad. Daarbij is op meerdere momenten gebleken dat de juridische titels die de strafrechter tot zijn beschikking heeft niet aansluiten bij de problematiek van verdachte noch bij de instellingen die passende zorg kunnen bieden. Dat komt door de (gecompartimenteerde) inrichting en systematiek van de (forensische en reguliere GGZ-) behandelmogelijkheden. Hierdoor dreigde verdachte lange tijd buiten de boot te vallen en leek het vinden van passende zorg onmogelijk. Verdachte zei hierover zelf op de zittingen van het hof van 12 maart en 9 april 2026 heel treffend dat hij “tussen wal en schip valt”. Verdachte heeft ondertussen ruim 2,5 jaar lang gedetineerd gezeten in een PI in het kader van zijn voorarrest, terwijl vrij vroeg in het strafproces duidelijk was dat verdachte vanwege zijn problematiek niet in detentie thuishoorde, maar in een zorginstelling. Deze constatering weegt extra zwaar omdat verdachte geheel ontoerekeningsvatbaar is verklaard door de rechtbank en het hof.

Gelet op het voorgaande sluit het hof zich aan bij de conclusie van de reclassering in het advies van 27 augustus 2026: de door verdachte benodigde ondersteuning wordt gerealiseerd binnen het huidige reguliere zorgkader en aanvullende interventies zijn niet noodzakelijk. Onder deze omstandigheden is, mede vanwege de vervallen aanwijzingen voor – kort gezegd – dementie en daardoor toenemende cognitieve beperkingen waardoor weer een hoger recidivegevaar bestond, geen sprake van een zodanig recidivegevaar dat middels een gedwongen (forensisch) kader moet worden beperkt. Het is daarom niet noodzakelijk en zeker niet passend dat de maatregel van tbs wordt opgelegd.

Overweging ten overvloede

Het procesverloop in deze zaak is naar het oordeel van het hof illustratief voor de manier waarop het huidige wettelijke (gedwongen) zorgsysteem (zowel de reguliere als de forensische zorg) in de praktijk functioneert en wijst op een breder, structureel probleem, waarbij niet het juiste zorgkader geboden kan worden aan verdachten met specifieke psychiatrische problematiek en de juridische titels die toegepast kunnen worden, daar niet altijd goed op aansluiten. Daarom acht het hof het wenselijk om daarop – ten overvloede – nader in te gaan.

Dat verdachte uiteindelijk na 33 maanden voorarrest op de plek terecht lijkt te komen waar hij hoort en die aansluit bij zijn zorgbehoefte (instelling [zorgaanbieder] ) is het resultaat geweest van enorme inspanningen en vasthoudendheid van de verschillende betrokkenen bij deze zaak en ook bij verdachte als persoon. Deze inspanningen zijn hierboven uitvoerig uiteengezet. Uit die weergave volgt dat diverse en uiteenlopende eerdere pogingen afketsten op zaken als de wisselwerking tussen de verschillende zorgkaders (regulier- of forensisch), indicaties en uiteindelijk daarmee ook de onderliggende financiering. Ondanks de ongetwijfeld goede intenties van betrokken zorgverleners, ging het er in de praktijk vaak niet meer om of de plek juist of passend zou zijn voor verdachte en de zorg kon bieden die hij nodig had, maar of verdachte met het juiste “label” werd aangedragen. Bovendien is opvallend te noemen dat de redenen om verdachte te weigeren steeds wisselden, zelfs per instelling of organisatie en voor zover die de stoornis of gevaarlijkheid van verdachte betroffen, bovendien weersproken werden door de (aanvullende) adviezen van de rapporterend psychiater en psycholoog, welke adviezen hen veelal ook verstrekt waren. Ook het feit dat verdachte voldeed aan alle criteria voor een RM (en het dus verantwoord werd gevonden om hem in dat kader op te nemen), heeft RM-instellingen er niet toe bewogen hem op te nemen.

Tot 1 januari 2020 had de strafrechter de mogelijkheid om op grond van artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) (oud) de maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis op te leggen. Dit kon voor maximaal 1 jaar worden opgelegd voor delicten die niet aan de verdachte konden worden toegerekend. Door het wegvallen van deze maatregel is naar het oordeel van het hof een leemte ontstaan die niet wordt weggenomen door de (gelijktijdige) invoering van de ZM en RM, opgenomen in artikel 2.3 van de Wet forensische zorg. In de praktijk blijkt namelijk dat de zorg die op grond van een ZM of RM wordt geboden in bepaalde gevallen onvoldoende is toegerust op forensische zorg en de daarmee samenhangende veiligheidsaspecten. Daardoor zijn instellingen voor reguliere zorg terughoudend in het opnemen van patiënten die op dat moment nog op een forensische titel vastzitten. De zorgen die deze instellingen hebben voor de veiligheid en het ontbreken van (forensische) behandelmogelijkheden zijn veelal begrijpelijk, maar in situaties zoals die van verdachte leiden die tot onaanvaardbare impasses. Deze leemte zorgt ervoor dat in zaken waarin voor 1 januari 2020 besloten zou zijn de maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis op te leggen, de strafrechter vaak niet anders kan dan te besluiten de in die situaties buitenproportionele tbs-maatregel met dwangverpleging op te leggen. Afgezien van de ingrijpende gevolgen daarvan voor de veroordeelde, leidt dit tot duurdere behandelingen dan nodig en onnodig lange passantenwachttijden. Dit terwijl voorheen kon worden volstaan met een minder ingrijpende maatregel om passende zorg op te leggen. Het hof acht het ontbreken van deze maatregel ook in het specifieke geval van verdachte een gemis.

Wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde maatregel en doet in zoverre opnieuw recht.

Bevestigt het vonnis van de rechtbank voor het overige met in achtneming van het hiervoor overwogene.

Beveelt de opheffing van het (geschorste) bevel voorlopige hechtenis.

Dit arrest is gewezen door mr. J.A.M. Kwakman, mr. T.H. Bosma en mr. R. Godthelp, in aanwezigheid van de griffier mr. J.R. Sotthewes-de Jonge en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 9 september 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand