ECLI:NL:GHARL:2026:6138

ECLI:NL:GHARL:2026:6138

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 23-09-2026
Datum publicatie 24-09-2026
Zaaknummer 21-005365-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Leeuwarden

Samenvatting

Poging tot doodslag (meermalen gepleegd), bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht (meermalen gepleegd) en beschadigen en onbruikbaar maken van een brandblusser en een deurmat. Volledige ontoerekeningsvatbaarheid, OVAR. Zorgmachtiging met bijbehorende behandelmogelijkheden naar het oordeel van het hof onvoldoende om recidiverisico op een verantwoorde manier te beperken. Oplegging ongemaximeerde tbs met dwangverpleging noodzakelijk. De kans dat verdachte als vreemdeling zonder verblijfsstatus langer op repatriëring moet wachten dan gewenst of nodig, weegt niet op tegen de noodzaak van behandeling en bescherming van de maatschappij. Er zijn verschillende mogelijkheden tot repatriëring dan wel (voorwaardelijke) beëindiging van de tbs-maatregel, dus niet op voorhand een uitzichtloze situatie voor verdachte. Daarnaast beslissingen op beslag, toewijzing vorderingen van drie benadeelde partijen en niet-ontvankelijk verklaring van één benadeelde partij in de vordering.

Uitspraak

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1990 in [plaats] ( [geboorteplaats] ) ,

op dit moment verblijvende in CTP [locatie] te [plaats] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zittingen van het hof van 22 april 2026 en 9 september 2026 en wat er op de zitting bij de rechtbank besproken is.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, ertoe strekkende dat:

- de onder feit 1 primair tenlastegelegde poging tot doodslag (meermalen gepleegd), de onder feit 2 tenlastegelegde bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht (meermalen gepleegd) en het onder 3 tenlastegelegde vernielen/onbruikbaar maken van enkele goederen bewezen worden verklaard;

- verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging;

- aan verdachte de ongemaximeerde maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege (hierna: tbs met dwangverpleging) wordt opgelegd;

- de vorderingen van de benadeelde partijen (grotendeels) worden toegewezen, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel en te vermeerderen met de wettelijke rente.

Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.

Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. A.R.H. Baas, mr. G. Bakker (de advocaat van de [benadeelde partij 1] ), mr. N.T.G. Greven (de advocaat van de benadeelde partijen [benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4] ), en [naam] van Slachtofferhulp namens de [benadeelde partij 5] hebben aangevoerd. Daarnaast heeft het hof kennisgenomen van wat [naam] van Reclassering Nederland heeft aangevoerd.

Gelijktijdig met de behandeling van de strafzaak is op de zitting gesproken over de wens van de verdediging om aan verdachte een zorgmachtiging (hierna: ZM) op te leggen. In dat kader heeft mr. J. Boelstra namens verdachte het woord gevoerd, met het verzoek aan het hof dit te doen via de ambtshalve mogelijkheid daartoe.

Het vonnis

De rechtbank heeft in het vonnis de volgende beslissingen genomen:

- bewezenverklaring van de feiten 1 primair, 2 en 3;

- volledig ontoerekeningsvatbaar verklaring van verdachte, en daarom ontslag van alle rechtsvervolging;

- oplegging van (ongemaximeerde) tbs met dwangverpleging;

- toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen;

- verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen goederen (twee pasjes en een aansteker).

Het hof vernietigt het vonnis om redenen van doelmatigheid en doet daarom opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1. primairhij op of omstreeks 3 januari 2025 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde partij 3] en/of [benadeelde partij 4] en/of [benadeelde partij 2] opzettelijk van het leven te beroven, in of op een woonboot voor asielzoekers een mes voorhanden heeft gehad en/of in zijn hand(en) heeft gehad en/of heeft rondgelopen door (meerdere) ruimtes van die woonboot en/of (meerdere malen)

- naar die [benadeelde partij 3] en/of [benadeelde partij 4] en/of [benadeelde partij 2] is toegelopen (in versnelde pas en/of kleine sprint) met het mes in de hand en/of op voornoemde perso(o)n(en) gericht en/of

- hij, verdachte, ten val kwam (na het taseren) (daarbij het mes niet heeft losgelaten) en/of met het mes stekende en/of zwaaiende bewegingen heeft gemaakt in de richting van voornoemde personen en/of

- vervolgens met het mes in zijn hand(en) is opgestaan en/of naar/in de richting van voornoemde perso(o)nen is gelopen en/of meermalen stekende bewegingen heeft gemaakt op korte afstand naar die personen waarbij de personen voornoemd (meerdere malen) achteruit moesten deinzen en/of opzij moesten springen (om de stekende bewegingen te ontwijken) terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

1. subsidiairhij op of omstreeks 3 januari 2025 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan ambtenaren [benadeelde partij 3] en/of [benadeelde partij 4] en/of [benadeelde partij 2] , gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen in of op een woonboot voor asielzoekers een mes voorhanden heeft gehad en/of in zijn hand(en) heeft gehad en/of heeft rondgelopen door (meerdere) ruimtes van die woonboot en/of (meerdere malen)

- naar die [benadeelde partij 3] en/of [benadeelde partij 4] en/of [benadeelde partij 2] is toegelopen (in versnelde pas en/of kleine sprint) met het mes in de hand en/of op voornoemde perso(o)n(en) gericht en/of

- hij, verdachte, ten val kwam (na het taseren) (daarbij het mes niet heeft losgelaten) en/of met het mes stekende en/of zwaaiende bewegingen heeft gemaakt in de richting van voornoemde personen en/of

- vervolgens met het mes in zijn hand(en) is opgestaan en/of naar/in de richting van voornoemde perso(o)nen is gelopen en/of meermalen stekende bewegingen heeft gemaakt op korte afstand naar die personen waarbij de personen voornoemd (meerdere malen) achteruit moesten deinzen en/of opzij moesten springen (om de stekende bewegingen te ontwijken) terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

1. meer subsidiairhij op of omstreeks 3 januari 2025 te [plaats] [benadeelde partij 3] en/of [benadeelde partij 4] en/of [benadeelde partij 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling door in of op een woonboot voor asielzoekers een mes voorhanden te hebben en/of in zijn hand(en) te hebben en/of rond te lopen door (meerdere) ruimtes van die woonboot en/of (meerdere malen)

- naar die [benadeelde partij 3] en/of [benadeelde partij 4] en/of [benadeelde partij 2] toe te lopen (in versnelde pas en/of kleine sprint) met het mes in de hand en/of op voornoemde perso(o)n(en) te richten en/of

- hij, verdachte, ten val kwam (na het taseren) (daarbij het mes niet los te laten) en/of met het mes stekende en/of zwaaiende bewegingen te maken in de richting van voornoemde personen en/of

- vervolgens met het mes in zijn hand(en) op te staan en/of naar/in de richting van voornoemde perso(o)nen te lopen en/of meermalen stekende bewegingen te maken op korte afstand naar die personen waarbij de personen voornoemd (meerdere malen) achteruit moesten deinzen en/of opzij moesten springen (om de stekende bewegingen te ontwijken);

2.hij op of omstreeks 3 januari 2025 te [plaats] de (overige) aanwezige politie ambtenaren en/of bewoners en/of medewerkers van het [plaats] en/of [plaats] (waaronder [getuige 3] en/of [benadeelde partij 1] en./of [benadeelde partij 5] ) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling door in of op een woonboot voor asielzoekers een mes voorhanden te hebben en/of in zijn hand(en) te hebben en/of heeft rondgelopen door (meerdere) ruimtes van die woonboot en/of (meerdere malen)

- met (de punt van) het mes te richten en/of te wijzen en/of stekende bewegingen te maken (op een (korte) afstand in de richting van die voornoemde personen en/of

- daarbij hard te schreeuwen en/of

- met het mes tegen de reling (van de boot) te slaan en/of

- vervolgens een brandblusapparaat leeg te spuiten waardoor het zicht (ernstig) werd belemmerd door rookontwikkeling en/of witte nevel;

3.hij op of omstreeks 3 januari 2025 te [plaats] opzettelijk en wederrechtelijk een deurmat en/of een brandblusser, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [getuige 1] en/of [naam] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar heeft gemaakt.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsmiddelen

Het hof past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Feit 1 primair

1. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 5 januari 2025, opgenomen op pagina 253 tot en met 258, voor zover inhoudende:

als verklaring van [verdachte]

V. Jij bent op 3 januari 2025 aangehouden terzake brandstichting, poging doodslag,

bedreiging, poging toebrengen zwaar lichamelijk letsel. (…)

Begrijp je dit?

A. Ja duidelijk.

(…)

V. Je vertelde net dat het laatste wat je kon herinneren dat de hond je beet. Wat kun

je daar verder nog over vertellen?

A. Ze hebben mij geslagen met elektriciteit. Dat had geen invloed op mij. Daarna

hadden ze met het wapen op mn hoofd geschoten, mn benen. Er is geschoten op mij, ook

tegen mijn hoofd ook tegen mijn lichaam. Op mn lichaam was het aan de zijkant van

mijn lichaam.

Ik was aan het rennen ook, toen hebben ze op mijn rug geschoten.

V. Waar is dit gebeurd?

A. Op het AZC, de boot waar ik woon.

2. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 5 januari 2025, opgenomen op pagina 259 tot en met 279, voor zover inhoudende:

als verklaring van [verdachte]

V1: Oké. Daarna hebben de mensen gezegd, ben jij rondgelopen met een mes, en heb jij stekende bewegingen naar mensen gemaakt.

T: Klopt.

3. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 6 januari 2025,

opgenomen op pagina 66 tot en met 70, voor zover inhoudende:

als verklaring van [benadeelde partij 4]

Op 3 januari 2025 was ik aan het werk als politieambtenaar in de noodhulp te [plaats] . Ik

zag op het platform van de boot een man staan die voldeed aan het signalement en ik zag dat deze man een mes in zijn hand had. Ik zag dat het een mes inclusief handvat

ongeveer 40 centimeter lang was. Ik zag dat het lemmet een ijzeren kleur had en dat

het lemmet eindigde in een punt. Ik hoorde dat de man door meerdere collega’s in de

Nederlandse en Engelse taal werd aangeroepen dat hij zijn mes moest laten vallen en op de

grond moest gaan liggen. Ik zag dat de man hierop niet reageerde. Hierop heb ik mijn

stroomstootwapen getrokken en de verdachte aangeschoten met 1 cassette. Ik zag dat dit

geen effect had. Ik heb vervolgens nog een cassette met mijn stroomstootwapen op de man

afgeschoten. Ik zag dat ook deze geen effect had.

Ik zag vervolgens dat de man zich omdraaide en de lobby van de woonboot inliep. Ik hoorde

de man vermoedelijk in het Arabisch schreeuwen en ik zag dat hij met het mes aan het

rondzwaaien was. Ik zag dat de verdachte vanuit het restaurantgedeelte met versnelde pas op

de collega's die in de hal stonden afrende. Ik zag dat de verdachte het mes nog steeds in zijn

rechterhand vasthield. Ik zag dat één van de collega’s zijn stroomstootwapen gebruikte en

dat de verdachte werd geraakt. Ik zag dat de verdachte door de stroomstoot als een plank

vooroverviel. Verdachte viel parallel voor de wand van de hal. Ik zag vervolgens dat er

meerdere collega’s naderden om de verdachte onder controle te krijgen. Ik zag dat de

verdachte het mes niet los liet. Vervolgens zag ik dat de verdachte met het mes meerdere

stekende bewegingen in de richting van de collega’s maakte. Ik zag dat de collega’s achteruit deinsden om het mes te ontwijken. Ik zag dat de verdachte opstond en het restaurant weer in rende. Ik zag dat hij nog steeds het mes in zijn rechterhand vasthield. Ik zag dat de verdachte vervolgens in versnelde pas dan wel een kleine sprint op mij en mijn collega [benadeelde partij 2] afrende. Ik zag de blik van de verdachte en ik zag dat hij het mes in zijn rechterhand had.

4. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 6 januari 2025,

opgenomen op pagina 72 tot en met 77, voor zover inhoudende:

als verklaring van [benadeelde partij 2]

Ik ben werkzaam als aspirant bij de Nationale Politie. Op 3 januari 2025 was ik in uniform

gekleed, rijdend in een opvallend dienstvoertuig en belast met toezicht in de stad

[plaats] .

V: Kan jij het mes omschrijven?

A: volgens mij een zwart handvat en volgens mij was de lengte van het gehele mes ongeveer vijfentwintig (25) centimeter lang.

Ik zag dat de verdachte in een versnelde pas naar ons toe liep. Ik zag dat de verdachte

steekbewegingen maakte met zijn hand, alwaar hij het mes nog steeds in vast hield. Ik

zag dat de verdachte zijn hand omhoog had en het mes naar beneden had gericht. Ik

zag dat de verdachte het mes naar mij en collega [benadeelde partij 3] had gericht. Ik besloot door

deze dreigende situatie mijn stroomstootwapen te gebruiken en gericht te vuren op de torso

van de verdachte. Ik haalde mijn trekker over en ik zag dat ik raak schoot op de borst van de

verdachte. Ik zag dat collega [benadeelde partij 3] ook met zijn stroomstootwapen raak schoot op de

verdachte. Ik zag dat de verdachte op de grond viel en schokbewegingen maakte. Meerdere

collega's en ik probeerden de verdachte te overmeesteren en zijn mes af te pakken. Ik zag dat dit niet lukte. Ik zag dat de verdachte met het mes wederom steekbewegingen richting mij en de collega's maakte. Ik liep van de verdachte weg en liep een gesloten hoek in. Ik ben een hoek ingelopen waar ik niet zomaar weer weg kon komen. De verdachte versperde mijn uitgang. De verdachte kwam in een versnelde pas naar mij toe gelopen. Ik hoorde dat de verdachte wederom in een voor mij een onbekende taal aan het schreeuwen was en

steekbewegingen naar mij maakte met het mes dat hij stevig vasthield. Ik zag dat de

verdachte met zijn mes wederom steekbewegingen maakte en al schreeuwend naar een

collega in een versnelde pas liep. Ik zag dat de verdachte zich op circa twee meter van

een collega bevond.

5. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 3 januari 2025,

opgenomen op pagina 80 tot en met 87, voor zover inhoudende:

als verklaring van [benadeelde partij 3]

V: In welke hoedanigheid was jij daar?

A: Ik was als daar als politie ambtenaar vanuit de noodhulp.

V: Hoe was jij gekleed?

A: In uniform.

A: Terwijl ik die stoel aan de kant deed zag ik dat hij het mes nog steeds in zijn linkerhand

had. Dat heb ik geroepen naar de collega's. Terwijl ik dat zei zag ik dat de man weer een

beetje bij kennis kwam. Kort daarop zag ik dat hij met het mes in de richting van de collega's begon te zwaaien. Ik weet nog dat collega Bruins aan de kant moest springen.

V: Toen hij de eerste keer was opgestaan en wegliep. Weet jij of hij toen het mes nog had?

A: Ja toen had ik gezien dat hij het mes nog had. En ik herinner mij ook nog dat de man het mes had toen hij in het kantoortje was.

V.: Ok, hij kwam op jou aflopen. En toen?

A: Ik weet nog dat ik geschreeuwd heb: “staan blijven”. Maar de afstand was zo kort.

V: Begrijp ik dus goed dat toen de man op jou afkwam dat jij vreesde voor je leven?

A: Ja 100 procent.

Feit 2

Nu verdachte ten aanzien van dit feit een bekennende verklaring heeft afgelegd en er geen vrijspraak is bepleit, kan, gelet op het bepaalde in artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering, worden volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen.

1. De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 27 november 2025;

2. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 8 januari 2025,

opgenomen op pagina 51 tot en met 55, inhoudend de verklaring van [benadeelde partij 1] ;

3. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 8 januari 2025,

opgenomen op pagina 60 tot en met 65, inhoudend de verklaring van [getuige 3] ;

4. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 9 januari 2025,

opgenomen op pagina 88 tot en met 93, inhoudend de verklaring van [getuige 2] .

Feit 3

Nu verdachte ten aanzien van dit feit een bekennende verklaring heeft afgelegd en er geen vrijspraak is bepleit kan, gelet op het bepaalde in artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering, worden volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen.

1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 27 november 2025;

2. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 7 januari 2025,

opgenomen op pagina 37 tot en met 39, inhoudend de verklaring van [getuige 1] .

Overwegingen met betrekking tot het bewijs

Feit 1 primair

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat het feit wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat de verdachte vrijgesproken dient te worden terzake van feit 1 primair en subsidiair, omdat er geen opzet op de dood was en ook geen op de dood gerichte uitvoeringshandelingen. Verdachte heeft in een staat van verwardheid met het mes gezwaaid, in een psychose. De verdediging refereert zich aan het oordeel van het hof als het gaat om een bewezenverklaring ten aanzien van de feiten 1 meer subsidiair, 2 en 3.

Oordeel van het hof

Het hof is van oordeel dat onderstaande overwegingen van de rechtbank ten aanzien van dit feit juist zijn en neemt deze (schuingedrukt) over.

Uit het dossier en de behandeling ter zitting volgt dat verdachte op een boot verbleef die diende als opvanglocatie voor asielzoekers. De politie kreeg een melding dat er iemand met

een mes stond te zwaaien op de boot. Agenten kwamen op de melding af en troffen de

verdachte op de boot aan met een mes in zijn hand. Hij wilde het mes niet loslaten en kwam

met het mes in zijn hand op de agenten afgerend. Ondanks de inzet van tasers waarmee

meerdere malen is geschoten en waardoor verdachte meerdere malen werd geraakt, liet

verdachte het mes niet los en maakte hij stekende bewegingen richting de agenten. Zij waren op een aantal momenten in de onmiddellijke nabijheid van de verdachte toen hij stekende bewegingen richting hen maakte waardoor zij moesten wegspringen om niet geraakt te worden.

(…)

Verdachte heeft in een chaotische en dynamische situatie op meerdere momenten meerdere

steekbewegingen gemaakt richting de agenten die zich toen in de onmiddellijke nabijheid

van verdachte bevonden. Het was in het onderhavige geval zeer goed voorstelbaar dat het

mes als gevolg van dergelijke ongecontroleerde steekbewegingen vitale delen kon raken in

het lichaam. Naar de uiterlijke verschijningsvorm was verdachtes handelen gericht op het

opzettelijk toebrengen van steekletsels. Verdachte heeft met zijn handelen ook een

aanmerkelijke kans op het overlijden van de agenten in het leven geroepen.

Uit het dossier en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen, in het bijzonder de aangiftes van de agenten [benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4] , volgt dat verdachte met het mes in zijn hand op hen afkwam en dat hij in het bijzonder gericht was op de agenten. Er was geen contact met hem mogelijk. De agenten hebben meermalen moeten wegspringen om te voorkomen dat zij geraakt zouden worden.

De kans dat dergelijke ongecontroleerde steekbewegingen vitale delen kon raken is – naar algemene ervaringsregels – aanmerkelijk. Het hof betrekt in zijn oordeel dat de geweldshandelingen hebben plaatsgevonden in kleine ruimtes, die vol stonden met meubels. Verdachte had hierdoor beperkt controle over hoe en waar hij de agenten zou kunnen raken en de agenten hadden beperkte ruimte om zich in veiligheid te brengen op de momenten waarop verdachte op hen afrende.

Nu het algemene ervaringsregels betreft, moet ook verdachte geacht worden van deze aanmerkelijke kans op de hoogte te zijn geweest. De hiervoor beschreven geweldshandelingen van verdachte moeten naar de uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op de dood van voornoemde agenten, dat het naar het oordeel van het hof niet anders kan dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg bewust heeft aanvaard. Van aanwijzingen voor het tegendeel (contra-indicaties) waaruit zou blijken dat verdachte die aanmerkelijke kans niet heeft aanvaard, is niet gebleken. Dat het hem aan elk inzicht in zijn handelen heeft ontbroken, is het hof niet gebleken, zeker niet nu verdachte, zoals blijkt uit verschillende getuigenverklaringen, specifiek op de agenten afrende (met het mes in zijn hand) en niet op medebewoners. Daaruit kan een zekere mate van bewustheid ten aanzien van zijn (gericht) handelen ten aanzien van de agenten worden afgeleid. Het hof is dan ook van oordeel dat verdachte (voorwaardelijk) opzet had op de dood van [benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4] .

Gelet op het bovenstaande komt het hof tot een bewezenverklaring van de onder feit 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag. Het verweer strekkende tot vrijspraak wordt verworpen.

Feiten 2 en 3

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat het onder feit 2 en 3 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat de onder 2 en 3 tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.

Oordeel van het hof

Feiten 2 en 3 zijn wettig en overtuigend bewezen. Uit de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen volgt dat verdachte de aanwezige politieambtenaren en medewerkers van het [plaats] en [plaats] heeft bedreigd met de dood en met zware mishandeling door met een mes in zijn handen rond te lopen, daarmee te wijzen en stekende bewegingen te maken, te schreeuwen en ermee te slaan. Ook heeft hij een brandblusapparaat leeggespoten, waardoor het zicht werd belemmerd. Daarnaast heeft verdachte een deurmat beschadigd en voornoemde brandblusser onbruikbaar gemaakt.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1. primairhij op 3 januari 2025 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4] en [benadeelde partij 2] opzettelijk van het leven te beroven, in of op een woonboot voor asielzoekers een mes in zijn hand(en) heeft gehad en daarmee heeft rondgelopen door meerdere ruimtes van die woonboot en meerdere malen - naar die [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4] en [benadeelde partij 2] is toegelopen (in versnelde pas en kleine sprint) met het mes in de hand en op voornoemde personen gericht en

- hij, verdachte, ten val kwam (na het taseren) (daarbij het mes niet heeft losgelaten) en met het mes stekende en zwaaiende bewegingen heeft gemaakt in de richting van voornoemde personen en

- vervolgens met het mes in zijn hand(en) is opgestaan en in de richting van voornoemde personen is gelopen en meermalen stekende bewegingen heeft gemaakt op korte afstand naar die personen waarbij de personen voornoemd meerdere malen achteruit moesten deinzen en opzij moesten springen om de stekende bewegingen te ontwijken terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.hij op 3 januari 2025 te [plaats] de aanwezige politieambtenaren en medewerkers van het [plaats] en [plaats] (waaronder [getuige 3] en [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 5] ) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling door in of op een woonboot voor asielzoekers een mes in zijn hand(en) te hebben en daarmee heeft rondgelopen door meerdere ruimtes van die woonboot en meerdere malen

- met (de punt van) het mes te richten en te wijzen en stekende bewegingen te maken op een korte afstand in de richting van die voornoemde personen en

- daarbij hard te schreeuwen en

- met het mes tegen de reling van de boot te slaan en

- vervolgens een brandblusapparaat leeg te spuiten waardoor het zicht ernstig werd belemmerd door rookontwikkeling en/of witte nevel;

3.hij op 3 januari 2025 te [plaats] opzettelijk en wederrechtelijk een deurmat en een brandblusser die geheel of ten dele aan [naam] , in elk geval aan een ander, toebehoorde heeft beschadigd en/of onbruikbaar heeft gemaakt.

Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.

Het onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:

poging tot doodslag, meermalen gepleegd.

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.

Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen en onbruikbaar maken.

Strafbaarheid van verdachte

Het hof kan op grond van artikel 39 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) beslissen dat het tenlastegelegde feit niet aan een verdachte kan worden toegerekend als ten tijde van dat feit bij die verdachte sprake was van een stoornis als bedoeld in deze bepaling en verdachte als gevolg van die stoornis niet kon begrijpen dat dat feit wederrechtelijk was of niet in staat was in overeenstemming te handelen met zijn begrip van de wederrechtelijkheid van dat feit.

Het hof heeft, net als de rechtbank, kennisgenomen van de pro justitia-rapportage (psychiatrisch onderzoek van 18 juli 2025 en psychologisch onderzoek van 27 augustus 2025). De deskundigen concluderen dat verdachte lijdt aan een psychotische stoornis en dat sprake is van een matige stoornis in alcohol- en cannabisgebruik. Ten tijde van het tenlastegelegde had de verdachte een psychotisch toestandsbeeld met wanen. Hij kreeg opdracht van stemmen in zijn hoofd om een deur op de asielboot open te maken met een mes vanwege magie en djinns ter voorkoming van natuurrampen. Verdachte handelde vanuit deze verstoorde realiteitsbeleving. Het advies van de deskundigen is om de feiten niet aan verdachte toe te rekenen.

Het hof verenigt zich met de conclusies van de deskundigen dat verdachte ten tijde van het tenlastegelegde leed aan een psychische stoornis en volledig werd beheerst door de uit deze stoornis voortvloeiende psychotische belevingen en neemt deze conclusies over.

Nu de bewezenverklaarde feiten niet aan verdachte kunnen worden toegerekend, acht het hof verdachte niet strafbaar en ontslaat het hof verdachte van alle rechtsvervolging.

Oplegging van een maatregel

De advocaat-generaal heeft de oplegging van een ongemaximeerde tbs-maatregel met dwangverpleging gevorderd.

De raadsvrouw heeft bepleit geen tbs met dwangverpleging op te leggen, maar het hof verzocht ambtshalve een zorgmachtiging (ZM) af te geven. De bewezenverklaarde feiten betreffen een op zichzelf staand incident. De veiligheid van anderen of de algemene veiligheid van personen of goederen zijn niet in het geding. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat er bij oplegging van een tbs-maatregel met dwangverpleging geen behandeldoelen zijn en dat deze maatregel tot een uitzichtloze situatie zal leiden, mede gelet op het ontbreken van een verblijfsstatus van verdachte in Nederland. In [geboorteplaats] is nog geen sprake van een passende voorziening en het is onzeker of men daar in de toekomst open zal staan voor de opname van verdachte en zijn problematiek. Er zijn voldoende aanknopingspunten om ondanks de beëindiging van de voorbereiding van de verzoekschriftprocedure voor een zorgmachtiging, alsnog een machtiging daarvoor af te geven.

Het hof overweegt het volgende.

Het hof verenigt zich met onderstaande overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de ernst van de feiten en neemt deze (schuingedrukt) over.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich tijdens een psychose schuldig heeft gemaakt aan

poging tot doodslag, bedreiging en vernieling. Verdachte is met een mes afgerend op agenten en heeft meerdere stekende bewegingen gemaakt. De agenten hebben moeten wegspringen om het mes te ontwijken waardoor er gelukkig geen slachtoffers zijn gevallen. Een poging tot doodslag is evenwel een zeer ernstig feit, waarvoor doorgaans hoge straffen worden opgelegd. Omdat de verdachte vanwege de psychose waarin hij verkeerde ten tijde van de feiten volledig ontoerekeningsvatbaar is, kan er volgens de wet voor deze feiten geen straf opgelegd worden. De gedachte hierachter is dat als iemand iets in het geheel niet is toe te rekenen vanwege een psychische stoornis, het opleggen van een straf niet te rechtvaardigen is. Wel bestaat de mogelijkheid om de maatregel van terbeschikkingstelling (tbs) op te leggen.

Er is, zoals hiervoor overwogen, over verdachte een pro justitia-rapportage uitgebracht. Het hof verenigt zich met hetgeen de rechtbank daarover heeft overwogen en neemt dit hieronder (schuingedrukt) over.

De psycholoog schat in voornoemd rapport het herhalingsgevaar in als laag, nu de verdachte goed is ingesteld op medicatie en de psychotische symptomen zijn verdwenen. Wanneer de verdachte echter opnieuw in een psychose geraakt, wordt het herhalingsgevaar ingeschat als hoog. Ten aanzien van de geconstateerde psychische problematiek adviseert de psycholoog vanuit forensisch oogpunt behandeling. De focus dient hierbij te liggen op de ambivalente houding van verdachte tegenover het gebruik van medicatie en psycho-educatie. Dit laatste dient ter vergroting van zijn ziekte-inzicht en -besef, zodat hij rekening zal gaan houden met de beperkingen die psychotische problematiek met zich meebrengt voor zijn functioneren. De psycholoog adviseert een zorgmachtiging af te geven zodat er een behandeling kan plaatsvinden binnen een reguliere GGZ-instelling. Een tbs-maatregel acht de psycholoog niet wenselijk nu de verdachte goed is ingesteld op de medicatie, de psychotische symptomen zijn verdwenen en hij de kans op herhaling als laag inschat.

De psychiater acht het herhalingsgevaar laag tot matig. Om het risico op recidive te verlagen en de maatschappelijke veiligheid te waarborgen is het nodig dat de psychose van de verdachte in remissie blijft. Als de verdachte in de toekomst besluit om de medicatie te

staken, wat volgens de behandelrichtlijnen een jaar na het in remissie gaan van de psychose

mag worden geprobeerd, is het nodig dat zijn behandelaren goed op hem letten en tijdig

ingrijpen als wederom psychotische verschijnselen ontstaan. Verder acht de psychiater het

noodzakelijk dat de verdachte geen cannabis gebruikt, omdat dit psychotische verschijnselen kan versterken. De psychiater adviseert om de verdachte aanvankelijk klinisch te behandelen op een Forensisch Psychiatrische Afdeling. Daarna zal een langdurige ambulante behandeling nodig zijn, waarbij het vooral van belang is dat de verdachte langere tijd wordt gemonitord. De psychiater adviseert om de verdachte met een zorgmachtiging te plaatsen in het Centrum voor Transculturele Psychiatrie [locatie] . Deze instelling heeft ervaring met transculturele problematiek. Tevens kan de verdachte hier beter worden geholpen met zijn repatriëring en met het organiseren van de nodige psychiatrische nazorg in [geboorteplaats] . De psychiater ziet op dit moment geen reden tot het opleggen van een tbs-maatregel.

Het hof heeft voorts acht geslagen op het advies van Reclassering Nederland van

19 november 2025. Het hof verenigt zich met hetgeen de rechtbank daarover heeft overwogen en neemt dit hieronder (schuingedrukt) over.

De kans op recidive wordt door de reclassering ingeschat als gemiddeld tot hoog. Vooral de psychische gesteldheid en het middelengebruik worden door de reclassering aangemerkt als primaire criminogene factoren. Bij het niet innemen van medicatie of een terugval in het middelengebruik is er direct sprake van een verhoging van het herhalingsgevaar met kans op letselschade. De verdachte heeft in het gesprek met de reclassering meermaals aangegeven dat hij het niet nodig acht om medicatie te blijven gebruiken na detentie. Ook heeft hij aangegeven dat hij alcohol wil blijven drinken, hetgeen drempelverlagend kan werken ten aanzien van het cannabisgebruik.

De zorgmachtiging krachtens de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (WVGGZ)

wordt vanuit reclasseringsoogpunt als niet uitvoerbaar en niet effectief gezien, omdat het

problematisch is om een constructief nazorgtraject op te tuigen gezien de verblijfsstatus van

de verdachte. Een klinische opname in het kader van een zorgmachtiging komt in de praktijk neer op een opname in de reguliere GGZ. Een zorgmachtiging is echter geen garantie voor

een opname. GGZ-instellingen hebben geen kennis van de Forensische Zorg en er wordt

weinig gedaan aan het inschatten van de risico’s op delictgedrag. Een kortdurende (crisis)

opname is derhalve ‘slechts’ gericht op het stabiliseren van de verdachte en er is weinig tot

geen zicht op de risicofactoren die van invloed zijn geweest op het delictgedrag en het

terugdringen van het als hoog ingeschatte recidiverisico. De reclassering adviseert een

strikter kader met een hoger beveiligingsniveau en een hogere behandelintensiteit om te

komen tot enige gedragsverandering.

De reclassering ziet geen mogelijkheden om door middel van een tbs-maatregel met

voorwaarden het gedrag te veranderen en de kans op recidive te verkleinen. Het ontbreekt de verdachte aan probleeminzicht en hij ziet de noodzaak niet in van een behandeling.

Daarnaast is een belangrijk onderdeel van de tbs met voorwaarden het toewerken naar

resocialisatie waarbij huisvesting, inkomen en dagbesteding de basis vormen. Dit is

onuitvoerbaar voor een persoon zonder geldige verblijfsstatus. In het licht van de

behandelnoodzaak kan gedacht worden aan het opleggen van een tbs-maatregel met

dwangverpleging. De reclassering acht hier ook uitvoeringsproblemen en beperkingen gelet

op de verblijfsstatus van de verdachte. Uiteindelijk kan dit betekenen dat betrokkene zonder

uitzicht op resocialisatie of beëindiging van de maatregel in een tbs-kliniek dient te

verblijven zonder toekomstplan.

Daarnaast heeft het hof acht geslagen op het advies van Reclassering Nederland van 9 juli 2026. De reclassering acht repatriëring wenselijk omdat verdachte de wens heeft terug te keren naar [geboorteplaats] . Feit is dat verdachte niet langer rechtmatig in Nederland kan verblijven, waardoor hij na ieder traject in Nederland geen beroep kan doen op enige vorm van zorg/behandeling, waardoor hij ook in Nederland zal ontregelen met alle risico’s van dien.

Gelet op de gestelde diagnose zal betrokkene met een grote mate van waarschijnlijkheid de rest van zijn leven (medicamenteuze) behandeling nodig hebben, die hij (nog steeds) niet vrijwillig wil aanvaarden wegens het gebrek aan ziektebesef. Verdachte heeft in gesprek met de reclassering meermalen aangegeven dat hij geen noodzaak ziet in het voortzetten van medicatie-inname nadat hij uit [locatie] komt. Ook heeft hij aangegeven dat hij alcohol wil blijven drinken, wat van invloed kan zijn op de psychotische ontregeling bij verdachte. In het gebruik van cannabis ziet hij ook geen probleem. Al deze factoren hebben volgens verdachte niet geleid tot het delict. Het ontbreken van probleembesef en ziekte-inzicht zijn risicoverhogend met betrekking tot recidive.

Conclusie van het hof

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, volstaan een zorgmachtiging en de bijbehorende behandelmogelijkheden naar het oordeel van het hof niet om het recidiverisico op een verantwoorde manier te beperken. De deskundigen hebben weliswaar in de pro justitia-rapportage, zoals hiervoor besproken, aangegeven dat een zorgmachtiging de passende weg is en dat een tbs-maatregel niet wenselijk is dan wel dat daartoe geen reden bestaat, maar het hof acht daarbij van belang dat de deskundigen ervanuit gingen dat verdachte gemotiveerd was, dan wel zou worden, om zijn medicatie vrijwillig te blijven gebruiken. Het daarmee in remissie houden van de psychose is van essentieel belang, aldus de deskundigen, om het recidiverisico laag te houden. Het is het hof nu, ruim een jaar later, gebleken dat verdachte nog steeds niet intrinsiek gemotiveerd is om zijn medicatie vrijwillig te blijven gebruiken. Daarom is er in detentie zelfs nog steeds sprake van een dwangbehandeling. Ook nu is bij verdachte geen sprake van (een toename in) ziektebesef dan wel ziekte-inzicht. Er is geen reden om aan te nemen dat verdachte de ernst van zijn situatie inziet. Verdachte blijft, zo blijkt ook uit het reclasseringsrapport van 9 juli 2026, volhouden dat hij zijn medicatie alleen inneemt, omdat het verplicht is. Ten tijde van het uitbrengen van de pro justitia-rapportage had verdachte bovendien nog een verblijfsstatus in Nederland.

Oplegging tbs met dwangverpleging

Het hof stelt vast dat aan de wettelijke voorwaarden voor het opleggen van een tbs-maatregel is voldaan, in de zin dat:

- de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel vereist (gevaarscriterium) nu het hof uitgaat van een hoog recidivegevaar indien verdachte zijn medicatie niet inneemt; en

- het hof beschikt over adviezen van gedragsdeskundigen van verschillende disciplines, waaronder een psychiater, die verdachte hebben onderzocht.

Gelet op de inhoud van de pro justitia-rapportage, de rapportages van de reclassering en de ernst van de onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde feiten, is het hof van oordeel dat oplegging van een tbs-maatregel noodzakelijk is. Daarbij neemt het hof het gebrek aan ziekte-inzicht bij verdachte mee, waardoor hij nog altijd niet bereid is de benodigde medicatie vrijwillig te blijven innemen. Het hof is daarom van oordeel dat de tbs-maatregel de enige maatregel is die de mogelijkheid geeft om het gevaar dat van verdachte uitgaat en het bijbehorende recidiverisico te beperken. Het hof acht een tbs-maatregel met voorwaarden niet uitvoerbaar, mede gelet op het feit dat zijn medicatie tot op heden op basis van een dwangbehandeling wordt toegediend, het ontbreken van resocialisatie-mogelijkheden als gevolg van zijn (afwezige) verblijfsstatus en de afwezigheid van mogelijkheden om hem gedurende een tbs-maatregel met voorwaarden te repatriëren naar zijn land van herkomst.

Alles overwegende gelast het hof de terbeschikkingstelling van verdachte en beveelt het hof dat hij van overheidswege zal worden verpleegd. De totale duur van de tbs-maatregel is niet gemaximeerd nu verdachte – onder meer – wordt veroordeeld voor een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De tbs-maatregel kan daarmee langer duren dan 4 jaar.

Oplegging van tbs bij vreemdelingen

Het hof overweegt dat oplegging van een tbs-maatregel verenigbaar is met de status van het zijn van ongewenst vreemdeling of vreemdeling zonder verblijfstitel Ook bij vreemdelingen kan sprake zijn van een noodzaak tot behandeling in een tbs-kader ter beveiliging van de maatschappij. De achterliggende doelstelling bij een tbs-maatregel – om de verpleegde voor te bereiden op zijn terugkeer in de samenleving – impliceert niet noodzakelijk dat deze terugkeer zou dienen plaats te vinden in de Nederlandse samenleving. De re-integratie kan ook gericht zijn op terugkeer in het land van herkomst, in dit geval [geboorteplaats] . Zoals gezegd acht het hof het van groot belang dat aan verdachte de tbs-maatregel wordt opgelegd ter bescherming van de samenleving tegen het gevaar dat van verdachte uitgaat. Bovendien bestaat de mogelijkheid dat verdachte — bij een invrijheidstelling (na onvoldoende te zijn behandeld) en repatriëring naar [geboorteplaats] — na enige tijd weer terugkeert naar Nederland en dus in Nederland een gevaar vormt voor de maatschappij.

Het hof ziet in dat het vinden van een passende voorziening in [geboorteplaats] lastig kan zijn. Per geval zullen de autoriteiten moeten bepalen of de algemeen beschikbare zorg in de ontvangende staat toereikend en passend is (geworden) om de stoornis(sen) te behandelen. Het vinden van passende zorg voor verdachte in [geboorteplaats] is echter niet uitgesloten. Het hof wijst daarbij ook op de door de advocaat-generaal overgelegde mailwisseling van 8 september 2026 met [naam] , adviseur repatriëring vreemdelingen bij het Centrum voor Transculturele Psychiatrie (hierna: CTP) [locatie] . Hieruit volgt dat er beginnend contact is met de relevante autoriteiten in [geboorteplaats] , waarmee verder zal worden gegaan, met een psychiater in [plaats] en dat er behandelaanbod is in [plaats] .

Het hof concludeert dat er een – weliswaar prille – reële kans op repatriëring is in de toekomst. Daarvan zal ook sprake zijn als verdachte in [forensisch psychiatrisch centrum] wordt opgenomen. De kans dat verdachte langer op repatriëring zal moeten wachten dan gewenst of nodig, weegt niet op tegen de noodzaak van behandeling en bescherming van de maatschappij tegen het gevaar dat van verdachte uitgaat.

De oplegging van een tbs-maatregel aan verdachte als persoon zonder verblijfsstatus heeft gevolgen voor de tenuitvoerlegging van deze tbs-maatregel. Zo zal verdachte niet op dezelfde manier als andere tbs-gestelden (met een verblijfsrecht in Nederland) in aanmerking komen voor resocialisatie in de Nederlandse samenleving in de vorm van verloven. Dit zal echter afgewogen moeten worden tegen het belang van de samenleving om beschermd te worden tegen het gevaar dat van verdachte uitgaat. ‘De samenleving’ is niet beperkt tot de grenzen van Nederland en ziet op een bredere groep personen. Het gaat bij de oplegging van een tbs-maatregel om het beschermen van de mensen waarmee verdachte in aanraking kan komen. Het gaat om bescherming van personen waar dan ook.

Het hof overweegt dat behandeling bij oplegging van tbs met dwangverpleging altijd zal plaatsvinden, ook als er geen sprake is van verblijfsrecht. Het uiteindelijke doel van de behandeling is, ook gelet op de door verdachte uitgesproken wens tot terugkeer, repatriëring. De wet biedt daartoe verschillende mogelijkheden, zoals de overdracht van de tenuitvoerlegging van de tbs-maatregel aan het land van herkomst, voorwaardelijke beëindiging van de maatregel ten behoeve van de repatriëring, onder de voorwaarde dat de vreemdeling uit Nederland vertrekt met als doel terugkeer naar het land van herkomst, en een melding aan de minister vanuit de tbs-kliniek, dat er in het land van herkomst een passende voorziening beschikbaar is, die gericht is op vermindering van de stoornis en het daarmee samenhangende recidivegevaar. De minister kan de tbs-maatregel dan beëindigen onder de voorwaarde dat de vreemdeling niet naar Nederland terugkeert (artikel 6:2:18 Sv). In het kader van de repatriëring is het door een verruiming van het bepaalde in artikel 2 lid 6 sub a Verlofregeling TBS mogelijk voor een vreemdeling zonder rechtmatig verblijf om op begeleid verlof te gaan.

Op grond van de hiervoor beschreven wetgeving volgt dat er verschillende mogelijkheden zijn tot repatriëring dan wel (voorwaardelijke) beëindiging van de tbs-maatregel. Het is daarom naar het oordeel van het hof (ook) in het onderhavige geval niet bij voorbaat een gegeven dat voor verdachte een uitzichtloze situatie ontstaat, zodat dit niet in de weg staat aan oplegging van de tbs-maatregel.

Beslag

Het hof acht de aansteker vatbaar voor verbeurdverklaring. De aansteker betreft een voorwerp met behulp waarvan het feit (de beschadiging van de deurmat) is begaan. Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de financiële draagkracht van verdachte.

Ten aanzien van de pasjes valt niet in te zien hoe het bezit daarvan zou kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten als zijn bewezenverklaard, dan wel tot de belemmering tot de opsporing daarvan. Nu tevens niet vaststaat wie precies de eigenaar is van de pasjes zullen zij worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende.

Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 1.500,00 ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag toegewezen.

Op de zitting is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 1 primair bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte. Het hof is van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending – poging doodslag – met zich meebrengt dat de in dit verband relevante nadelige psychische gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen zoals bedoeld in artikel 6:106 aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Het gevorderde bedrag van € 1.500,00 is onvoldoende betwist en acht het hof ook billijk. Het hof ziet geen aanleiding voor matiging, mede gelet op het feit dat het hof het primaire feit, poging doodslag, bewezen acht. De vordering wordt daarom, conform het vonnis van de rechtbank, in zijn geheel toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op. Het hof gaat ervan uit dat verdachte de schadevergoeding zal betalen. Mocht dat niet (direct) lukken, dan zal hij – gelet op zijn persoonlijke omstandigheden, in het bijzonder de opgelegde tbs-maatregel – niet in gijzeling genomen kunnen worden.

Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 1.500,00 ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag toegewezen.

Op de zitting is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 1 primair bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte. Het hof is van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending – poging doodslag – met zich meebrengt dat de in dit verband relevante nadelige psychische gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen zoals bedoeld in artikel 6:106 aanhef en onder b BW. Het gevorderde bedrag van € 1.500,00 is onvoldoende betwist en acht het hof ook billijk. Het hof ziet geen aanleiding voor matiging, mede gelet op het feit dat het hof het primaire feit, poging doodslag, bewezen acht. De vordering wordt daarom, conform het vonnis van de rechtbank, in zijn geheel toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op. Het hof gaat ervan uit dat verdachte de schadevergoeding zal betalen. Mocht dat niet (direct) lukken, dan zal hij – gelet op zijn persoonlijke omstandigheden, in het bijzonder de opgelegde tbs-maatregel – niet in gijzeling genomen kunnen worden.

Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 4]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 1.500,00 ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag toegewezen.

Op de zitting is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 1 primair bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte. Het hof is van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending – poging doodslag – met zich meebrengt dat de in dit verband relevante nadelige psychische gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen zoals bedoeld in artikel 6:106 aanhef en onder b BW. Het gevorderde bedrag van € 1.500,00 is onvoldoende betwist en acht het hof ook billijk. Het hof ziet geen aanleiding voor matiging, mede gelet op het feit dat het hof het primaire feit, poging doodslag, bewezen acht. De vordering wordt daarom, conform het vonnis van de rechtbank, in zijn geheel toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op. Het hof gaat ervan uit dat verdachte de schadevergoeding zal betalen. Mocht dat niet (direct) lukken, dan zal hij – gelet op zijn persoonlijke omstandigheden, in het bijzonder de opgelegde tbs-maatregel – niet in gijzeling genomen kunnen worden.

Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 5]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 570,00 ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag toegewezen.

Op grond van artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b BW kan een vergoeding voor immateriële schade worden toegekend indien de benadeelde partij in de eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in de persoon is aangetast. Op basis van het dossier is voor het hof onvoldoende komen vast te staan dat hiervan in het geval van de benadeelde partij sprake is. De vordering is niet onderbouwd en de aard en ernst van de normschending is niet dusdanig dat sprake is van een evidente aantasting in de persoon.

Het hof is van oordeel dat aanhouding van onderhavige zaak ter nadere onderbouwing van de vordering een onevenredige belasting van de strafprocedure zou opleveren. Daarom is de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering. De benadeelde partij kan de vordering indienen bij de burgerlijke rechter.

Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 500,00 ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag toegewezen.

Op de zitting is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 2 bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte. Het hof is van oordeel dat, mede gelet op de gegeven onderbouwing van de vordering, de aard en de ernst van de normschending met zich meebrengt dat de in dit verband relevante nadelige psychische gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen zoals bedoeld in artikel 6:106 aanhef en onder b BW. Het gevorderde bedrag van € 500,00 is onvoldoende betwist en acht het hof ook billijk. De vordering wordt daarom, conform het vonnis van de rechtbank, in zijn geheel toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op. Het hof gaat ervan uit dat verdachte de schadevergoeding zal betalen. Mocht dat niet (direct) lukken, dan zal hij – gelet op zijn persoonlijke omstandigheden, in het bijzonder de opgelegde tbs-maatregel – niet in gijzeling genomen kunnen worden.

Wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 33, 33a, 36f, 37a, 37b, 39, 45, 57, 60, 285, 287 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld, verklaart de verdachte niet strafbaar en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

PL0100-2025002925-G1789123 (aansteker).

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- PL0100-2025002925-G1789131 (pas);

- PL0100-2025002925-G1789127 (pas).

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 3] , ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 3 januari 2025.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 2] , ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 3 januari 2025.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 4] ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 4] , ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 3 januari 2025.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 5]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 5] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 500,00 (vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 500,00 (vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 3 januari 2025.

Dit arrest is gewezen door mr. L.J. Hofstra, mr. F. van der Maden en mr. J.A.M. Kwakman, in aanwezigheid van de griffier mr. J.R. Sotthewes-de Jonge en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 23 september 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand