[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1984 in [geboorteplaats] ,
zonder bekende woon- of verblijfplaats,
laatst opgegeven adres [woonplaats] .
Hoger beroep
Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 10 september 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, die inhoudt dat het vonnis wordt bevestigd. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Het vonnis
De politierechter heeft verdachte voor het tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken, waarvan 2 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De vordering van de benadeelde partij is geheel toegewezen en daarbij is een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
In het proces-verbaal van de zitting van de politierechter zijn de gebruikte bewijsmiddelen niet uitgewerkt en het hof komt tot een andere bewijsconstructie. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 5 juli 2024 te [plaats] , een ander, te weten [benadeelde partij] , door geweld of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die ander wederrechtelijk heeft gedwongen tot het dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), bestaande uit het (onverhoeds) betasten en/of vastpakken van de borst(en) van die [benadeelde partij] .
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsmiddelen
1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever d.d. 11 juli 2024, opgenomen op pagina 5 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PLO100-2024178800 d.d. 2 oktober 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [benadeelde partij] :
Op 5 juli 2024 bevond ik mij in [horecabedrijf] te [plaats] . Ik wilde naar buiten. Ik was toen samen met [getuige 1] . Tijdens het naar buiten lopen vanuit het horecabedrijf moest ik mij door een drukte van mensen begeven langs de bar. Hier stonden 4 à 5 mannen langs de muur. Ik moest daar langs om naar buiten te gaan. Eén man viel mij op doordat hij mij indringend aankeek. Kort daarop voelde en zag ik dat deze man zijn hand op mijn borst had gelegd waarbij hij in mijn linker borst kneep te midden van de uitgaansdrukte. Ik keek in het voldaan grijnzende gezicht van de man.
Bij het naar buiten lopen kwam ik de beveiliging tegen. Toen ik buiten was zag ik eveneens politie ter plaatse. Vervolgens zag ik dat de beveiliging met de man naar buiten kwam. Ik was in de veronderstelling dat zij daar waren vanwege het feit wat mij net was overkomen. Hierop sprak ik een agent aan. Ik zag vervolgens dat de beveiliging en de politie met de door mij bedoelde man in gesprek was. Deze agent heb ik verteld wat mij was overkomen.
Ik kan deze man als volgt beschrijven; 1.70 m groot, gewoon postuur, getint
Arabisch-type, kort zwart gemillimeterd haar, mogelijk droeg hij een donker kleurig
vest met daaronder een licht kleurig shirt.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 18 juli 2024, opgenomen op pagina 8 e.v. van voornoemd dossier, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [getuige 1] :
Op 5 juli 2024 kort voor 01.40 uur bevond ik mij in [horecabedrijf] te [plaats] . Ik was daar met [benadeelde partij] . Kort voor genoemd tijdstip wilden [benadeelde partij] en ik naar buiten. Tijdens het naar buiten lopen, moesten wij ons door een drukte van mensen begeven langs het smalle gedeelte van de bar in het midden van het café. Ik liep voorop, had [benadeelde partij] haar hand vast. In dat gedeelte stonden mensen, ik denk 4 a 5 mannen langs de muur. Ik was gefocust op het vinden van mijn weg.
Kort daarop voelde ik dat [benadeelde partij] bleef stil staan, ik had immers haar hand vast. Ik zag dat [benadeelde partij] de hand van één van deze mannen wegsloeg. Ik had direct in de gaten dat hij haar betast moest hebben. Het was mij over duidelijk dat deze man zijn hand op de borsten van mijn vriendin [benadeelde partij] had gelegd.
Bij het naar buiten lopen kwamen wij de Beveiliging tegen. Toen wij buiten waren zag
ik dat er eveneens politie ter plaatse was. Vervolgens zag ik dat deze beveiliger, hij werkt daar vaker, met genoemde man naar buiten kwam. De man die aan [benadeelde partij] haar borsten zat.
Ik zag vervolgens dat de beveiliging en de politie met de door mij bedoelde man in gesprek waren. [benadeelde partij] heeft een agent verteld wat haar juist was overkomen.
Ik kan deze man als volgt beschrijven: circa 1.75 m groot, stevig postuur, licht
getint Arabisch-type, kort zwart grijzig gemillimeterd haar, mogelijk droeg hij een
zwart shirt met lange mouwen van het merk Gucci met witte opdruk met een spijkerbroek
en sneakers.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 18 juli 2024, opgenomen op pagina 11 e.v. van voornoemd dossier, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [getuige 2] :
Op vrijdag 5 juli omstreeks 01.40 uur was ik in [horecabedrijf] te [plaats] . Ik had kort na eerst genoemd tijdstip in de gaten dat er iets was gebeurd met [benadeelde partij] . Van [getuige 1] heb ik toen gehoord dat zij was betast, door een man bij haar borsten gegrepen. Ik heb dit niet gezien, ben echter direct naar haar toe gegaan en trof een hevig geëmotioneerde [benadeelde partij] aan. Zij was compleet van slag en heb haar getroost met een knuffel. Van [benadeelde partij] begreep ik dat een man haar bij haar borsten had gegrepen.
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 juli 2024, opgenomen op pagina 16 e.v. van voornoemd dossier, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als relaas van [verbalisant 1] :
Op donderdag 25 juli 2024 deed ik onderzoek naar de camerabeelden van [horecabedrijf] gevestigd aan [straat] in [plaats] . Ik deed onderzoek naar de strafbare feit gepleegd op 5 juli 2024. Ik zag dat de beelden waren vastgelegd tussen 01:35 uur en
01:40 uur.
Omstreeks 01:35:58 uur, zag ik het slachtoffer in beeld staan bij de genoemde groep personen. Vervolgens omstreeks 01:36:10 uur, zag ik het slachtoffer weglopen samen met drie andere personen. Ik zag tijdens het weglopen dat het slachtoffer één keer achterom keek richting de verdachte.
Vervolgens omstreeks 01:36:17 uur, zag ik een vrouwelijke barmedewerkster een getinte man richting de deur begeleiden. Ik zag dat de getinte man het volgende signalement had, namelijk: kort donkerkleurig haar, mogelijk donkerkleurige gezicht beharing, droeg een zwarte trui met witte letters op de voorzijde van zijn trui ter hoogte van zijn borstreek en een donkerkleurige broek.
5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 31 juli 2024, opgenomen op pagina 22 e.v. van voornoemd dossier, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als relaas van [verbalisant 2] :
Op 5 juli 2024 om circa 01.45 uur was ik belast met een openbare orde dienst in het centrum van [plaats] . Ter hoogte van het [straat] werd ik aangesproken door een beveiliger die vertelde dat er een persoon in [horecabedrijf] zou zijn, welke gepoogd had iemand te zakkenrollen. Hierop werd door de beveiliging betreffende persoon uit het café gehaald waarop wij de persoon staande hielden.
Deze persoon gaf op te zijn: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1984. Dit deed hij
middels een document waarop een V-nummer stond.
Terwijl wij buiten op het [straat] stonden was er ook een dame welke aangaf
ongewild betast te zijn aan haar borsten door [verdachte] .
Bewijsoverweging
Het hof stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat verdachte op 5 juli 2024 aangeefster onverhoeds bij haar borst heeft vastgepakt. Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte haar door zijn handelwijze heeft gedwongen dit te dulden, zoals hem is tenlastegelegd.
Bewezenverklaring
Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op 5 juli 2024 te [plaats] , een ander, te weten [benadeelde partij] , door enige feitelijkheid gericht tegen die ander, wederrechtelijk heeft gedwongen tot het dulden van een ontuchtige handeling, bestaande uit het onverhoeds vastpakken van de borst van die [benadeelde partij] .
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het bewezenverklaarde levert op:
een ander door een feitelijkheid, gericht tegen die ander, wederrechtelijk dwingen iets te dulden.
Strafbaarheid van verdachte
Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.
Oplegging van straf
Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Verdachte heeft aangeefster gedwongen iets te dulden door haar onverhoeds in haar borst te knijpen in het uitgaansleven. Dit betreft een ongewenste ontuchtige handeling waarmee inbreuk is gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer, dat zich onbekommerd in het uitgaansleven zou moeten kunnen begeven. Uit de toelichting op haar vordering tot schadevergoeding blijkt dat het slachtoffer door deze gebeurtenis hevig geëmotioneerd is geraakt en daar nog langdurige psychische gevolgen van heeft ondervonden.
Het hof heeft gelet op een uitdraai van het strafblad van verdachte van 6 augustus 2026, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld. Over de persoonlijke omstandigheden van verdachte is verder weinig bekend, nu er geen rapportage over verdachte is opgemaakt en hij in hoger beroep niet ter zitting is verschenen. Ten tijde van de berechting bij de politierechter verbleef verdachte in vreemdelingendetentie en op dit moment is geen verblijfsplaats van verdachte bekend.
Het hof is van oordeel dat de politierechter een passende straf heeft opgelegd en ziet geen aanleiding om daar thans van af te wijken. Het hof acht derhalve oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken, waarvan 2 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden.
Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij]
De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 400,00 ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag toegewezen.
Op de zitting is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte.
Het hof stelt vast dat uit de vordering tot schadevergoeding niet naar voren komt dat bij aangeefster is vastgesteld dat er sprake is (geweest) van psychisch letsel.
Het hof is van oordeel dat desondanks kan worden vastgesteld dat er sprake is van aantasting in de persoon op andere wijze als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek.
Aangeefster is totaal onverwacht door de verdachte betast in een uitgaansgelegenheid waar zij zich tot dat moment altijd goed en veilig voelde. Uit haar aangifte blijkt onder andere dat zij na het incident last had van nachtmerries en er moeilijk over kon praten. In de toelichting op de vordering tot schadevergoeding is naar voren gebracht dat aangeefster aangepast werk heeft moeten doen omdat concentreren op het werk haar moeilijk af ging. Daarnaast kwam ze de eerste weken na het incident moeilijk in slaap en voelde zich overwegend onveilig.
Acht maanden na het incident voelt aangeefster zich nog steeds minder veilig in de stad, heeft ze geen behoefte aan mannelijk contact tijdens het uitgaan en past ze haar kledingstijl aan. Ook heeft ze opnieuw contact gezocht met een psycholoog omdat ze nog steeds de gevolgen ondervindt van het incident. Het hof ziet geen reden om aan de door aangeefster beschreven gevolgen te twijfelen en die gevolgen zijn ook niet betwist door de verdediging. Het hof stelt de schade naar billijkheid vast ter hoogte van het gevorderde bedrag en te vermeerderen met de wettelijke rente.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.
Wetsartikelen
De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 63 en 284 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) weken.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 2 (twee) weken, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 400,00 (vierhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 400,00 (vierhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 4 (vier) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 5 juli 2024.
Dit is gewezen door mr. F.E.J. Goffin, mr. M.B. de Wit en mr. A.F. van Kooij, in aanwezigheid van de griffier, D.D. Drost, en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 24 september 2026.