ECLI:NL:GHARL:2026:6156

ECLI:NL:GHARL:2026:6156

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 24-09-2026
Datum publicatie 25-09-2026
Zaaknummer 21-005314-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Leeuwarden

Samenvatting

Veroordeling voor bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en mishandeling tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Bevel tot tenuitvoerlegging van eerder aan verdachte opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 week. Overwegingen met betrekking tot eerlijk proces bij gebruik voor het bewijs van getuigenverklaring van een getuige die niet door de verdediging kon worden ondervraagd.

Uitspraak

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1995 in [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 10 september 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, die inhoudt dat verdachte van het onder 1 en 2 primair tenlastegelegde wordt vrijgesproken en dat hij voor het onder 2 subsidiair tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met een proeftijd van 3 jaren en tot een taakstraf van 40 uren subsidiair 20 dagen hechtenis. Verder heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk aan verdachte opgelegde straf wordt afgewezen. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.

Verder heeft het hof kennisgenomen van wat namens de verdachte door zijn raadsvrouw, mr. M.W. Bouwman, is aangevoerd.

Het vonnis

De politierechter heeft verdachte voor het onder 1 en 2 subsidiair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Voorts heeft de politierechter de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder aan verdachte voorwaardelijk opgelegde straf.

In het proces-verbaal van de zitting van de politierechter zijn de gebruikte bewijsmiddelen niet uitgewerkt. Hierdoor kan het hof het vonnis niet bevestigen. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.hij op of omstreeks 16 februari 2024 te [plaats] , [gemeente] [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door een op een vuurwapen gelijkend voorwerp te tonen en/of voor te houden aan die [slachtoffer 1] ;

2. primairhij op of omstreeks 16 februari 2024 te [plaats] , [gemeente] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [slachtoffer 2] met zijn, verdachtes, hand(en) bij de keel/hals heeft vastgepakt en/of vastgepakt heeft gehouden en/of in de keel/hals heeft geknepen en/of de keel/hals dichtgedrukt heeft gehouden, waardoor het voor die [slachtoffer 2] (nagenoeg) niet mogelijk was adem te halen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2. subsidiairhij op of omstreeks 16 februari 2024 te [plaats] , [gemeente] [slachtoffer 2] heeft mishandeld door haar met zijn, verdachtes, hand(en) bij de keel/hals vast te pakken en/of vastgepakt te houden en/of in de keel/hals te knijpen en/of de keel/hals dichtgedrukt te houden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsmiddelen

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 16 februari

2024, opgenomen op pagina 11 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met

nummer PL0100-2024043106 d.d. 1 april 2024, voor zover inhoudendeals verklaring van

[slachtoffer 1] :

Ik ben met de bus richting [plaats] naar mijn vriendin gegaan. Toen ik boven in bed lag, hoorde ik dat er mensen naar boven kwamen. Ik zag dat mijn vriendin boven kwam samen met haar ex-vriend. Toen zij bovenkwamen, ging ik op het bed staan. Vervolgens vroeg mijn vriendin haar ex-vriend: 'Wat doe je? Wat is er? Wat wil je dat ik doe?' Ik zag dat die ex-vriend een klein zwart pistool in zijn rechterhand had. Op dat moment had ik het gevoel dat hij het pistool wilde gebruiken. Ik vreesde voor mijn leven en ik wist zeker dat hij mij dood wilde schieten. Op dat moment vreesde ik voor mijn leven en rende ik naar beneden toe. Vervolgens rende ik zo snel mogelijk naar buiten. Ik ben een tuin in gaan rennen en daar heb ik mij verstopt.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 16

februari 2024, opgenomen op pagina 24 e.v. van voornoemd dossier, voor zover

inhoudende, als verklaring van verbalisant:

Wij verbalisanten zijn op 16 februari 2024 de woning ingegaan op [straat] alwaar het

[slachtoffer 1] zich zou begeven. Ik kwam in gesprek met [getuige] die

het [slachtoffer 1] vanuit de tuin van de buren in zijn woning heeft gelaten om zich te

kunnen verstoppen. [getuige] verklaarde dat hij het slachtoffer doodsbang

ineengekropen achter in de tuin van de buurman zag zitten.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 17

februari 2024, opgenomen op pagina 18 e.v. van voornoemd dossier, voor zover

inhoudende, als verklaring van [slachtoffer 2] :

Adres: [straat]

Postcode en plaats: [adres]

Op vrijdag 16 februari 2024 was ik thuis in mijn woning. Aldaar ben ik in mijn slaapkamer door mijn ex partner [verdachte] , op mijn bed gegooid en heeft hij mij bij de keel gepakt en heeft mij geprobeerd te wurgen. Ik hoorde hem daarbij zeggen: 'Ik maak jou dood'. Zijn handelen veroorzaakte pijn en letsel.

4. Een proces-verbaal van verhoor getuige bij de raadsheer-commissaris d.d. 7 oktober

2025, opgenomen als losse bijlage bij het dossier, voor zover inhoudende, als verklaring

van [slachtoffer 2] :

Het gaat om 16 februari 2024, wat kunt u zich herinneren?

[verdachte] was gekomen, ik had de deur open gemaakt. Ik weet hoe hij is, als we ruzie hebben

kan hij agressief worden. (…) Hij kwam binnen en wilde zijn dochter zien, zij lag

boven te slapen zei ik. Hij vroeg of er iemand bij mij was, toen ik ja zei rende hij naar

boven. Hij trok de deken van die persoon die in mijn bed lag af, [verdachte] had een

speelgoedpistool bij zich. Dat zag die persoon en hij is toen weggerend. (…)

Toen zei [verdachte] tegen zijn neef en een vriend dat ze achter hem aan moesten. Toen kwam

[verdachte] weer binnen en ik ging naar boven om mij aan te kleden. [verdachte] was meegelopen en

pakte mij, gooide mij op bed en pakte mij bij mijn keel.

[slachtoffer 1] was degene die bij u was?

Ja.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 17

februari 2024, opgenomen op pagina 83 e.v. van voornoemd dossier, voor zover

inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [verdachte] :

Ik ging naar de woning van [slachtoffer 2] (Het hof begrijpt telkens: aangeefster [slachtoffer 2] ). Mijn zoontje probeerde de deur open te doen maar dat lukte niet. Hij heeft [slachtoffer 2] geroepen en zij heeft de deur opengedaan. Ik had toen een speelgoedpistool bij mij.

Ik ben de trap opgelopen naar boven. Ik deed de slaapkamerdeur open. Ik zag dat er iemand onder de deken sliep op het bed. Ik trok de deken van deze persoon. Ik zag dat deze jongen alleen in zijn boxer sliep. Ik zag dat deze jongen op sprong en in bed ging staan. Daarna rende hij naar buiten. Ik ben toen naar buiten gerend achter de jongen aan.

Ik ben naar binnen gegaan. [slachtoffer 2] en ik gingen naar boven. Ik vroeg haar om te praten in de kamer van de kinderen. Ik wilde niet praten in het bijzijn van de kinderen. Ik pakte [slachtoffer 2] vast en bleef aan haar vragen om eerlijk tegen mij te zijn. Toen vertelde zij dat zij seks heeft had met die jongen en toen ging mijn hoofd draaien, ik bedoel daarmee dat ik boos werd.

V: Dan ga ik nog wat extra vragen stellen. Ik heb vernomen dat jij samen met [slachtoffer 2] boven bent geweest. [slachtoffer 2] heeft aangifte gedaan. Jij zou haar boven hebben geprobeerd te wurgen.

A: Ik bleef [slachtoffer 2] confronteren met haar gedrag. Ik bleef vragen of zij seks had gehad met de jongen. Toen heb ik haar vastgepakt bij haar nek. Ik hoorde [slachtoffer 2] toegeven dat zij inderdaad seks heeft had met die jongen. Toen heb ik haar losgelaten.

(…)

V: Begrijp ik goed dat jij haar van voren hebt vastgepakt bij haar keel?

A: Ja.

Bewijsoverwegingen

Met betrekking tot feit 1

Verdachte wordt onder feit 1 kortgezegd verweten dat hij [slachtoffer 1] heeft bedreigd door hem een op een vuurwapen gelijkend voorwerp te tonen.

Het hof stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat verdachte op 16 februari 2024 met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp naar de woning van zijn ex-partner [slachtoffer 2] is gegaan, dat hij haar toen heeft gevraagd of er nog iemand in de woning was en dat hij vervolgens naar boven is gegaan en daar aangever [slachtoffer 1] in bed aantrof, die de woning uit is gevlucht.

Aangever werd zodoende in de slaapkamer van de woning van een ander onverwacht geconfronteerd met een man met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp. Hierdoor kon bij hem redelijkerwijs de vrees ontstaan dat verdachte hem van het leven wilde beroven. Dat aangever daadwerkelijk bang was ziet het hof bevestigd in het feit dat aangever meteen na confrontatie met verdachte naar buiten is gerend en in de verklaring van [getuige] die aangever doodsbang en ineengekropen achter in de tuin van de buurman zag zitten. Het hof acht het onder 1 tenlastegelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Voorwaardelijk verzoek

De raadsvrouw van verdachte heeft ter terechtzitting verzocht om aangever [slachtoffer 1] als getuige te (doen) horen, indien het hof tot een bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde komt.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Verdachte is op 25 november 2024 door de politierechter veroordeeld en heeft op 6 december 2024 hoger beroep ingesteld tegen dat vonnis. Bij appelschriftuur van 19 december 2024 heeft de raadsvrouw (onder meer) verzocht om [slachtoffer 1] als getuige te doen horen. Nu het verzoek tijdig is gedaan, dient dit te worden beoordeeld aan de hand van het verdedigingscriterium.

De raadsheer-commissaris heeft dit verzoek bij beslissing van 9 mei 2025 toegewezen.

In een proces-verbaal van bevindingen van 14 januari 2026 heeft de raadsheer-commissaris echter opgetekend dat een verhoor van de getuige geen doorgang heeft kunnen vinden, omdat van hem geen woon- of verblijfplaats bekend is. De inspanningen van de raadsheer-commissaris om in contact te komen met de getuige zijn daarin als volgt vastgelegd:

Onderzoek naar zijn adres leverde de informatie op dat hij op 21 september 2013 vanuit

Suriname naar Nederland was vertrokken en dat hij vanaf 6 december 2013 ingeschreven

heeft gestaan op een adres in [plaats] . Hij is daarna op 10 december 2024 uit Nederland

vertrokken, terwijl onbekend was naar welk land hij was vertrokken. Door een onderzoek

door mijn kabinet bij de politie kwam geen bekende woon- of verblijfplaats van [slachtoffer 1] in

Nederland naar voren. Wel werd het adres van de moeder van de getuige (in [plaats] )

bekend, maar de moeder reageert niet op enige poging om met haar in contact te komen.

Omdat in de GBA staat ingeschreven dat [slachtoffer 1] per 10 december 2024 is geëmigreerd en

dat hij mogelijk naar Suriname is vertrokken is dor (het hof begrijpt: door) mijn kabinet bij de Surinaamse autoriteiten gevraagd naar een eventuele woon- of verblijfplaats van [slachtoffer 1] in dat land. De Surinaamse autoriteiten hebben hierop laten weten dat men hem daar niet kan traceren.

Gelet op het voorgaande is onaannemelijk te achten dat [slachtoffer 1] binnen een

aanvaardbare termijn zal kunnen worden gehoord.

Voorafgaand aan de zitting in hoger beroep van 10 september 2026 heeft het hof de advocaat-generaal verzocht om de verblijfplaats van de getuige nogmaals te onderzoeken. De advocaat-generaal heeft voorafgaand aan de zitting de bij het resortsparket bekende gegevens, kort gezegd inhoudende dat de getuige is geëmigreerd onbekend waarheen, aan het hof toegestuurd. Ter zitting heeft de advocaat-generaal toegelicht dat zij bij de politie, waaronder de politie [plaats] , navraag heeft laten doen. Dit heeft ook geen nieuwe informatie opgeleverd over de verblijfplaats van de getuige.

Ter zitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw van verdachte desgevraagd medegedeeld dat het onderzoek in Suriname al enige tijd geleden heeft plaatsgevonden en dat middels een rechtshulpverzoek opnieuw inspanningen kunnen worden gedaan om de verblijfplaats van de getuige te achterhalen.

Het hof constateert dat verdachte per 10 december 2024 uit Nederland is vertrokken en dat van hem geen woon- of verblijfplaats bekend is. De raadsheer-commissaris heeft vergeefs onderzoek naar diens verblijfplaats gedaan in Nederland, en heeft daartoe onder andere contact gezocht met de moeder van de getuige. Verder heeft hij zich de moeite getroost om nader onderzoek te laten doen in het land van herkomst (Suriname) van de getuige. Ook een hernieuwde poging van het hof kort voorafgaand aan de zitting van 10 september 2026 om via de advocaat-generaal en met behulp van de politie alsnog een verblijfplaats van de getuige te achterhalen, heeft niet tot resultaat geleid.

Het hof komt tot de slotsom dat van de getuige geen verblijfsplaats bekend is geworden in Nederland en/of Suriname, ondanks recente en uitvoerige inspanningen om die te achterhalen. Daarbij tekent het hof aan dat het dossier geen concrete informatie bevat dat verdachte daadwerkelijk naar Suriname zou zijn vertrokken en evenmin dat het dossier andere aanknopingspunten bevat over de huidige verblijfplaats van de getuige. Naar het oordeel van het hof zijn daarmee alle inspanningen verricht die redelijkerwijs kunnen worden gevergd om de verblijfplaats van de getuige te achterhalen.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat het onaannemelijk is dat [slachtoffer 1] binnen een aanvaardbare termijn zal kunnen worden gehoord. Het voorwaardelijke verzoek wordt daarom afgewezen.

Oordeel van het hof met betrekking tot de eerlijkheid van het proces

Bij de beoordeling van de eerlijkheid van het proces als geheel heeft het hof acht geslagen op, in onderling verband beschouwd:

- de reden dat het ondervragingsrecht niet kan worden uitgeoefend;

- het gewicht van de verklaring van de getuige voor de bewezenverklaring van het feit, en

- het bestaan van voldoende compenserende factoren, waaronder ook procedurele waarborgen, die compensatie bieden voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid en de beperkingen die de verdediging daardoor heeft ondervonden bij het onderzoek naar de betrouwbaarheid van de verklaring van de getuige.

Het hof gebruikt de verklaring van [slachtoffer 1] in zijn aangifte voor het bewijs. De verdediging heeft het ondervragingsrecht niet kunnen uitoefenen ten aanzien van deze getuige. De reden daarvoor is dat het onaannemelijk is dat [slachtoffer 1] binnen een aanvaardbare termijn zal kunnen worden gehoord, nu van hem geen woon- of verblijfplaats kon worden achterhaald. Dit levert een beperking op in het ondervragingsrecht van de verdediging.

Aan de verklaring van [slachtoffer 1] komt in de bewijsconstructie op zichzelf gewicht toe, nu hij daarin heeft beschreven wat hem is overkomen. Die verklaring komt erop neer dat verdachte in de woning van zijn vriendin was en dat haar ex-vriend naar boven kwam met een pistool in zijn hand en dat hij toen naar buiten is gerend.

Naar het oordeel van het hof wordt de beperking in het ondervragingsrecht voldoende gecompenseerd, doordat de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer 1] in toereikende mate kan worden beoordeeld aan de hand van de inhoud van het dossier als geheel. Zijn verklaring staat niet op zichzelf, maar vindt steun in andere verklaringen in het dossier. Zo heeft verdachte zelf verklaard dat hij met een speelgoedpistool naar de woning van zijn ex-vriendin is gegaan, dat hij vervolgens daar naar boven is gegaan en een man aantrof, dat die man de woning uitrende en dat hij achter die man aan is gegaan naar buiten. Ook de ex-vriendin van verdachte heeft deze gang van zaken in haar aangifte laten optekenen. De verdediging is bovendien in de gelegenheid gesteld om haar hierover te bevragen bij de raadsheer-commissaris. Zij heeft toen niet wezenlijk anders verklaard en haar eerdere verklaring over de gebeurtenissen in essentie nogmaals bevestigd. Zij verklaarde onder meer dat verdachte boos was, dat hij naar boven is gerend en dat hij het speelgoedpistool de hele tijd in zijn handen had. Tenslotte ziet het hof de aangifte bevestigd in een proces-verbaal van bevindingen met daarin de verklaringen van buurtgenoten over het gedrag van aangever. Hieruit blijkt dat aangever doodsbang en ineengekropen achter in een tuin zat.

In onderling verband en in samenhang beschouwd bestaat er op grond van het voorgaande geen twijfel over de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer 1] , nu de aanwezigheid van verdachte in de woning van zijn ex-vriendin, het aantreffen van [slachtoffer 1] in de slaapkamer en de omstandigheid dat verdachte een op een vuurwapen gelijkend voorwerp bij zich had in meerdere bronnen bevestiging vindt en daarover in wezen geen discussie bestaat nu verdachte dit ook zelf heeft erkend. Het hof is alles overziend van oordeel dat

- ook met het gebruik van de verklaring van [slachtoffer 1] voor het bewijs - sprake is van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM.

Met betrekking tot feit 2 primair en subsidiair

Verdachte wordt onder feit 2 verweten dat hij de keel van aangeefster [slachtoffer 2] heeft dichtgeknepen. Primair is dit tenlastegelegd als een poging tot zware mishandeling, subsidiair als een mishandeling.

Aangeefster heeft kortgezegd verklaard dat verdachte haar op 16 februari 2024 heeft geprobeerd te wurgen en dat zij daaraan letsel heeft overgehouden. Verdachte heeft in zijn politieverhoor bevestigd dat hij aangeefster bij haar keel heeft vastgepakt.

Naar het oordeel van het hof bevat het dossier onvoldoende bewijs voor een poging tot zware mishandeling, omdat het dossier geen nadere informatie bevat over de kracht waarmee verdachte de keel van aangeefster heeft vastgepakt en hoe lang dat heeft geduurd. Het hof zal verdachte daarom vrijspreken van het onder 2 primair tenlastegelegde.

Op grond van het voorgaande acht het hof bewezen dat verdachte aangeefster heeft mishandeld, zoals onder 2 subsidiair is tenlastegelegd.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.hij op 16 februari 2024 te [plaats] , [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door een op een vuurwapen gelijkend voorwerp te tonen aan die [slachtoffer 1] ;

2. subsidiairhij op 16 februari 2024 te [plaats] , [slachtoffer 2] heeft mishandeld door haar met zijn, verdachtes, handen bij de keel vast te pakken.

Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde levert op:

mishandeling.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf

Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging. Hij is naar de woning van zijn ex-partner gegaan en heeft daar een op een vuurwapen gelijkend voorwerp aan aangever getoond, die daarop halsoverkop uit de woning is gevlucht. Verdachte heeft door zijn handelen gevoelens van angst en onveiligheid bij aangever teweeggebracht. Het gaat om een ernstig feit, waarvoor blijkens de Landelijke Oriëntatiepunten voor Vakinhoud Strafrecht (LOVS) oplegging van een gevangenisstraf van 6 maanden in beginsel passend wordt geacht. Vervolgens heeft verdachte zijn ex-partner mishandeld door haar de keel dicht te knijpen. Dit getuigt ervan dat verdachte geen enkel respect voor haar lichamelijke integriteit heeft gehad. Aangeefster heeft hierdoor letsel opgelopen en ook zij heeft angstige momenten gekend.

Het hof heeft gelet op een uitdraai van het strafblad van verdachte van 6 augustus 2026, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor soortgelijke delicten is veroordeeld. Ter terechtzitting heeft de raadsvrouw over de persoonlijke omstandigheden van verdachte naar voren gebracht dat verdachte bestendig verblijft op Curaçao en dat hij daar ook werk heeft. Verdachte onderhoudt van daaruit functioneel contact met aangeefster ten behoeve van hun gezamenlijke kinderen.

Het hof ziet in de persoonlijke omstandigheden van verdachte geen bijzonderheden die nopen tot strafmatiging. Wel zal het hof rekening houden met de omstandigheid dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor geweldsdelicten en dat deze feiten zijn gepleegd in een specifieke relationele context die zich niet gauw opnieuw zal voordoen. Het hof zal daarom een lagere straf opleggen dan op grond van de eerdergenoemde oriëntatiepunten is geïndiceerd.

Alles afwegend, acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden met aftrek van voorarrest passend en geboden. Het hof zal daarvan 2 maanden voorwaardelijk opleggen met een proeftijd van 2 jaren, om verdachte ervan te weerhouden opnieuw de fout in te gaan.

Vordering tot tenuitvoerlegging

In de zaak met parketnummer 18-088465-23 is verdachte op 10 augustus 2023 door de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland veroordeeld. Aan verdachte is toen een voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 1 week met een proeftijd van 2 jaren. Het openbaar ministerie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van deze voorwaardelijke straf. Deze vordering is in hoger beroep ook aan de orde.

Verdachte heeft een nieuw strafbaar feit gepleegd voor het einde van de proeftijd. Daarom beveelt het hof de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf. Het hof ziet geen aanleiding om deze straf om te zetten in een taakstraf.

Wetsartikelen

De straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 285 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 2 (twee) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Beveelt de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 10 augustus 2023 in de zaak met parketnummer 18-088465-23 voorwaardelijk opgelegde straf, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) week.

Dit arrest is gewezen door mr. F.E.J. Goffin, mr. M.B. de Wit en mr. A.F. van Kooij, in aanwezigheid van de griffier, D.D. Drost, en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 24 september 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand