[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1985 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de militaire kamer van de Rechtbank Gelderland.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 10 september 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. M.P.K. Ruperti, hebben aangevoerd.
Het vonnis
De meervoudige militaire kamer van de rechtbank heeft verdachte veroordeeld voor feitelijke aanranding van de eerbaarheid (feiten 1, 2 en 3) en voor feitelijke aanranding als militair (feit 4), tot een taakstraf voor de duur van 160 uren, subsidiair 80 dagen hechtenis, met aftrek van het voorarrest.
Het hof legt aan verdachte een andere straf op. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.hij op of omstreeks 5 juli 2022 te [plaats 1] , in ieder geval in Nederland, een persoon, te weten [slachtoffer 1] , door een feitelijkheid heeft gedwongen tot het dulden van een ontuchtige handeling, door op onverhoedse wijze de borst(en) van die [slachtoffer 1] vast te pakken/te betasten;
2.hij op of omstreeks 19 mei 2022 te [plaats 1] , in ieder geval in Nederland, een persoon, te weten [slachtoffer 2] , door een feitelijkheid heeft gedwongen tot het dulden van een ontuchtige handeling, door op onverhoedse wijze de billen van die [slachtoffer 2] te betasten;
3.hij op of omstreeks 19 mei 2022 te [plaats 1] , in ieder geval in Nederland, een persoon, te weten [slachtoffer 3] , door een feitelijkheid heeft gedwongen tot het dulden van een ontuchtige handeling, door op onverhoedse wijze de billen van die [slachtoffer 3] te betasten;
4.hij, als militair, in of omstreeks de periode van 11 april 2022 tot en met 15 april 2022 te [plaats 2] , in elk geval in Nederland, opzettelijk een andere militair, te weten [slachtoffer 4] , feitelijk heeft aangerand door tijdens een oefening op de [heide] , zonder vooraankondiging en/of waarschuwing, met een vuurwapen (Colt C7), een zogenaamde blank af te vuren op (zeer) nabije afstand van die [slachtoffer 4] .
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsoverweging
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. Hij heeft hiertoe – kort gezegd – aangevoerd dat het onder feit 1 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen op grond van de aangifte en de verklaring van [getuige 1] . Ten aanzien van de feiten 2 en 3 is de modus operandi van verdachte hetzelfde, waardoor sprake is van schakelbewijs. De Whatsappberichten die verdachte de dag na het onder 2 en 3 tenlastegelegde heeft verstuurd dragen bij aan de overtuiging. Ten aanzien van feit 4 had verdachte zich ervan moeten verzekeren dat iedereen zijn oordoppen nog in had. Daarnaast is het volgens het militair handboek verboden om een blank binnen tien meter rondom andere personen dan de schutter af te schieten.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten. Hij heeft hiertoe – kort gezegd – aangevoerd dat ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3 niet valt uit te sluiten dat de aangiftes niet betrouwbaar zijn. De aangifte van aangeefster [slachtoffer 1] is op meerdere punten tegenstrijdig en ongeloofwaardig. De verklaring van [getuige 1] is onvoldoende betrouwbaar om de aangifte van [slachtoffer 1] te ondersteunen. De aangifte van [slachtoffer 2] en de verklaring van [getuige 2] zijn onvoldoende betrouwbaar om tot een bewezenverklaring van feit 2 te komen. Daardoor is er ook geen sprake van schakelbewijs ten aanzien van feit 3. Bovendien hebben beide aangeefsters niet daadwerkelijk gezien dat verdachte in hun bil zou hebben geknepen.
Ten aanzien van feit 4 geldt dat verdachte geen opdracht had gegeven tot het verwijderen van de oordoppen. Daarom kon hij ervan uitgaan dat iedereen deze nog in had. Het afvuren van de blank kon geen verrassing zijn geweest. Bovendien heeft verdachte geen enkele opzet gehad om het slachtoffer feitelijk aan te randen.
Oordeel van het hof
Het hof zal – voor zover het hof de overwegingen van de militaire kamer van de rechtbank na eigen onderzoek onderschrijft – overwegingen van de rechtbank citeren en die dan gecursiveerd weergeven. Waar in de cursief weergegeven tekst ‘militaire kamer’ of ‘vonnis’ staat, moet ‘het hof’ of ‘arrest’ worden gelezen.
De militaire kamer zal vanwege de onderlinge samenhang de feiten 1,2 en 3 samen bespreken.
Op 22 december 2022 heeft met [slachtoffer 1] een informatief gesprek zeden plaatsgevonden. In dit gesprek heeft zij verklaard dat zij op 5 juli 2022 samen met cadetten en instructeurs van de Koninklijke Militaire Academie (verder: KMA) is gaan stappen in [café 1] in [plaats 1] . Haar instructeur (verdachte) was hier ook bij aanwezig. Hij was volgens [slachtoffer 1] zichtbaar dronken en hij hing bij [slachtoffer 1] om haar nek. Hij ging met zijn arm van haar rug naar haar kont en weer terug. [slachtoffer 1] probeerde zich steeds weg te draaien. Verdachte zou hierna zijn hoofd op de bovenzijde van de borst van [slachtoffer 1] hebben gelegd en met zijn hand vol in haar andere borst hebben gegrepen en geknepen.
Op 19 januari 2023 heeft [slachtoffer 1] aangifte gedaan. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat verdachte de hele tijd om haar heen hing en zijn hoofd net boven haar borst legde, zijn rechterarm had hij om haar heengeslagen. Met zijn linkerhand pakte hij haar borst, waarbij hij zei dat hij het niet kon laten, of woorden van gelijke strekking.
[getuige 1] heeft verklaard dat zij [slachtoffer 1] en verdachte bij de bar zag staan, waarbij verdachte veel aan [slachtoffer 1] zat. Hij had zijn hand op haar rug of op haar schouder. [getuige 1] zag dat de hand van verdachte op haar middel lag en dat [slachtoffer 1] deze hand wegsloeg. Op een gegeven moment zag [getuige 1] dat verdachte een beweging maakte naar de borsten van [slachtoffer 1] , waarbij hij haar borst beetpakte.
Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij twee à drie keer is wezen stappen. Bij de derde keer was [slachtoffer 1] er ook. Dit was op 5 juli (de militaire kamer begrijpt: 2022).
Op 9 januari 2023 heeft een informatief gesprek zeden plaatsgevonden met [slachtoffer 2] . Zij heeft verklaard dat zij op 19 mei 2022 met een aantal medestudenten (de militaire kamer begrijpt medecadetten) van de KMA in [café 2] in [plaats 1] was. Verdachte was hier ook bij aanwezig. [slachtoffer 2] liep door het café, waarbij zij ineens in het voorbijgaan in haar billen werd geknepen. Toen zij zich omdraaide zag zij dat verdachte dit deed. Hierop heeft zij medestudent [slachtoffer 3] verteld wat er was gebeurd.
Op 24 januari 2023 heeft [slachtoffer 2] aangifte gedaan. Zij heeft verklaard dat zij op 19 mei 2022 met het hele peloton iets zijn gaan drinken. De andere kaderleden waren naar huis, maar verdachte was wel bij hun groep gebleven. Toen zij in [café 2] waren voelde [slachtoffer 2] dat er ineens in haar bil werd geknepen. Toen zij achterom keek, zag zij dat het verdachte was die dit deed.
[getuige 2] heeft verklaard dat [slachtoffer 2] in de kroeg tegen haar gezegd heeft dat zij zich niet fijn voelde bij verdachte, omdat hij handtastelijk was en zij niet wist wat ze ermee aan moest. [slachtoffer 2] vertelde niets in detail, maar zij vertelde wel dat verdachte aan haar kont had gezeten.
[slachtoffer 3] heeft op 9 januari 2023 een informatief gesprek zeden gehad. In dit gesprek heeft zij verklaard dat zij op 19 mei 2022 was gaan stappen in [café 2] . Hier waren meerdere instructeurs van de KMA bij aanwezig, waaronder verdachte. Toen [slachtoffer 3] in gesprek was met collega's liep verdachte achter haar langs en kneep in haar billen.
Op 25 januari 2023 heeft [slachtoffer 3] aangifte gedaan. Zij heeft verklaard dat verdachte het
enige kaderlid was dat meeging naar [café 2] . Op een gegeven moment was [slachtoffer 3] met iemand in gesprek en werd zij ineens in haar billen geknepen. Toen zij zich omdraaide zag zij verdachte weggelopen. Zij zag verder niemand staan. [slachtoffer 3] was gechoqueerd en 10 dacht: “wat gebeurt hier nu”.
Op 20 mei 2022 heeft verdachte naar [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] het volgende Whatsappbericht gestuurd: “Ik hoor dat mijn omgang van gisterenavond niet door iedereen gewaardeerd werd. Ik ben mij er van bewust dat ik te veel in de flow ben meegegaan maar ik had zeker nergens bijbedoelingen bij. Mij excuus hier voor en als je nog ergens mee zit laat het me aub weten want ik wil geen verstoorde werkverhouding.”
Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij niet weet wat hij bedoelde met dat hij nergens bijbedoelingen bij had.
Betrouwbaarheid verklaringen van aangeefsters
De militaire kamer ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of de verklaringen van de aangeefsters als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt en voor het bewijs kunnen worden gebezigd. De militaire kamer acht de verklaringen van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] betrouwbaar. Zij hebben alle drie meerdere keren een verklaring afgelegd. Allereerst is met hen alle drie een informatief gesprek zeden gevoerd. Daarna hebben zij ieder voor zich aangifte gedaan en vervolgens zijn zij nog gehoord bij de rechter-commissaris. Steeds hebben aangeefsters consistente, gedetailleerde en authentieke verklaringen afgelegd. Uit het dossier blijkt niet dat - zoals door de raadsman is aangevoerd - aangeefsters elkaar onderling hebben beïnvloed, dan wel dat zij de aangiftes onder druk van een meerdere hebben gedaan. Zij hebben alle drie een duidelijke verklaring gegeven over de totstandkoming en achterliggende redenen van hun aangiftes. De militaire kamer ziet gelet op het voorgaande geen reden om aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefsters te twijfelen en gaat bij de beoordeling van het bewijs daarom uit van deze verklaringen.
Steunbewijs
De militaire kamer ziet zich voor de vraag gesteld of er voldoende steunbewijs is voor de verklaringen van aangeefsters. Bij de waardering van het bewijs en de beoordeling van de tenlastelegging is immers van belang dat, volgens het tweede lid van artikel 342 van het Wetboek van Strafvordering, het bewijs dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan niet uitsluitend kan worden aangenomen op basis van de verklaring van één getuige. Er moet sprake zijn van steunbewijs dat niet alleen van dezelfde bron afkomstig mag zijn. Het steunbewijs hoeft bij zedenzaken niet per definitie te zien op de ontuchtige handelingen zelf. Het is afdoende wanneer de verklaring van een aangever op onderdelen steun vindt in andere bewijsmiddelen. Indien een verklaring van een getuige (mede) een zelfstandige, eigen waarneming inhoudt ten aanzien van de emotionele of fysieke toestand van een aangever op het moment dat het strafbare feit plaatsvindt, of vlak daarna, kan die waarneming voldoende steunbewijs opleveren voor het tenlastegelegde.
De aangifte van [slachtoffer 1] wordt naar het oordeel van de militaire kamer in voldoende mate ondersteund door de getuigenverklaring van [getuige 1] . [getuige 1] heeft waargenomen dat verdachte [slachtoffer 1] bij haar borst pakte. Dat deze waarneming op 5 juli 2022 heeft plaatsgevonden staat voor de militaire kamer buiten twijfel, nu verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat hij slechts één keer tegelijk met [slachtoffer 1] in de [getuige 1] is geweest en dat dit op 5 juli 2022 was.
Schakelbewijs ten aanzien van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3]
Het hof gaat uit van schakelbewijs ten aanzien van het onder feit 2 en 3 tenlastegelegde op grond van de verklaringen van de aangeefsters [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] . Daartoe gaat het hof over, omdat het bewijsmateriaal ten aanzien van de tenlastegelegde feiten onderling op essentiële punten belangrijke overeenkomsten en kenmerkende gelijkenissen vertoont met het bewijsmateriaal van de andere te bewijzen feiten, wat volgens het hof duidt op een herkenbaar en gelijksoortig patroon in de handelingen van de verdachte.
Verdachte is op dezelfde avond, in dezelfde uitgaansgelegenheid, achter beide aangeefsters langsgelopen, waarbij hij hen onverhoeds in hun billen heeft geknepen. Het hof is van oordeel dat hier sprake is van een herkenbaar en gelijksoortig patroon in de handelingen van de verdachte. Daar komt bij dat verdachte zowel aan [slachtoffer 2] als aan [slachtoffer 3] de volgende dag een Whatsappbericht heeft gestuurd, waarin hij zich verontschuldigde voor zijn omgang de avond ervoor en opmerkte dat hij geen bijbedoelingen had. Het feit dat verdachte zich verontschuldigde voor zijn omgang en opmerkt dat hij geen bijbedoelingen had, wijst er naar het oordeel van de militaire kamer op dat er iets is voorgevallen, wat past in de lezing van aangeefster. Dit klemt temeer nu verdachte zelf desgevraagd geen verklaring kan geven voor zijn opmerking dat hij geen bijbedoelingen had. Het hof vindt hierin zowel steun voor de verklaring van aangeefster [slachtoffer 2] , als voor de aangifte van [slachtoffer 3] .
De aangifte van [slachtoffer 2] wordt naar het oordeel van de militaire kamer ten slotte ook nog ondersteund door de getuigenverklaring van [getuige 2] , aan wie [slachtoffer 2] direct heeft verteld dat zij zich niet fijn voelde bij verdachte, omdat hij handtastelijk was en aan haar kont had gezeten.
Al het voorgaande brengt het hof tot de conclusie dat de verklaringen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] in voldoende mate worden ondersteund door hun verklaringen over en weer en door de overige bewijsmiddelen in het dossier.
Ontuchtige handelingen
Dat de ten laste gelegde feiten ontuchtige handelingen opleveren is naar het oordeel van het hof evident en bovendien niet betwist.
Ten aanzien van feit 4:
Aangever Cadet [slachtoffer 4] heeft verklaard dat hij op oefening was op de [heide] . Tijdens de evaluatie pakte verdachte het wapen van [slachtoffer 4] , een Colt C7, en drukte deze vlak bij hem in de buurt af. [slachtoffer 4] verklaarde verder dat hij een korte tijd een piep in zijn oor had en dat hij daarom boos was geworden. Normaal als een wapen wordt afgedrukt draagt iedereen een veiligheidsbril en gehoorbescherming. Schoten worden volgens [slachtoffer 4] alleen gelost tijdens het oefenen, waarbij je compleet omgehangen bent. In dat geval heb je een helm op, draag je je veiligheidsbril en heb je gehoorbescherming in.
Cadet [getuige 3] ) heeft verklaard dat hij heeft gezien dat verdachte tijdens een oefening op de [heide] de Colt van [slachtoffer 4] pakte en deze vervolgens naast het oor van [slachtoffer 4] afdrukte. [getuige 3] hoorde het schot afgaan en hij zag aan het gezicht van [slachtoffer 4] dat hij dit niet prettig leek te vinden.
Cadet [getuige 4] heeft verklaard dat verdachte tijdens een oefening op de [heide] in de periode van 11 tot 15 april 2022 op enig moment het verschil tussen een TUFLA (de militaire kamer begrijpt: thunderflash) en een schot met een blank uit een Colt wilde laten horen. Verdachte deed dit door zijn geweer op ongeveer een halve meter van het oor van cadet [slachtoffer 4] af te vuren. Dit ging om een losse flodder. Op het moment dat verdachte dit deed waarschuwde hij niemand die in de omgeving stond. Normaal gesproken doe je dit volgens [getuige 4] door bijvoorbeeld te roepen: “oortjes”.
Cadet [getuige 5] heeft eveneens verklaard dat verdachte het verschil tussen een TUFLA en een schot met een blank uit een Colt C7 wilde laten horen. [getuige 5] verklaarde dat zij in een kring zaten toen de TUFLA werd afgestreken en de Colt C7 werd afgevuurd.
Uit de Instructiekaart veiligheidsregels en veiligheidsbepalingen voor munitie en herkenning van munitie blijkt dat het ten strengste verboden is om bij het gebruik van losse patronen (voor vuurwapens tot kaliber 12,7mm) vuur af te geven, indien personen, anders dan de schutter, zich op een afstand van minder dan 10 meter (in alle richtingen gemeten) van de loopmonding bevinden.
Conclusie
Door de raadsman van verdachte is aangevoerd dat het op relatief korte afstand lossen van een schot in de nabijheid van een andere persoon in een militaire oefensetting geen feitelijke aanranding in de zin van artikel 140 Wetboek van Militair Strafrecht betreft. Hiervoor is immers een feitelijke fysieke en gewelddadige en/of hardhandige gedraging vereist.
De militaire kamer overweegt als volgt. Feitelijke aanranding als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Militair Strafrecht ziet op alle in geweld bestaande misdrijven tegen personen. Verdachte heeft een Colt C7 van [slachtoffer 4] gepakt en daarmee op korte afstand van deze [slachtoffer 4] een schot afgevuurd, zonder enige vooraankondiging of waarschuwing. Verdachte kon en mocht er op dat moment niet vanuit gaan dat eenieder zijn 7 gehoorbescherming nog in had, omdat zij net uit een oefensetting kwamen en zij in een kring op de grond zaten. Bij een evaluatie in deze setting (in een kring op de grond zitten) is het voorstelbaar dat de gehoorbescherming wordt afgedaan, zonder dat daar opdracht voor is gegeven. Verdachte had als instructeur zich ervan moeten vergewissen of iedereen zijn gehoorbescherming droeg toen hij het verschil in geluid tussen een TUFLA en een schot met een blank uit een Colt C7 wilde laten horen. Daarnaast blijkt uit het Handboek Militair dat het ten strengste verboden is om losse patronen af te vuren, indien een andere persoon zich op een afstand van minder dan 10 meter in de nabijheid bevindt. Het afvuren van een wapen in de nabijheid waarvan in onderhavig geval sprake is, brengt grote risico's voor de veiligheid met zich mee.
Door een schot af te vuren zonder vooraankondiging of waarschuwing op zeer dichte afstand van [slachtoffer 4] . heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer 4] een piep in zijn oren zou krijgen. Het is een feit van algemene bekendheid dat het afvuren van kogels (ook al zijn het blanks) een hard geluid met zich meebrengt en dit gehoorbeschadiging kan veroorzaken, temeer als dit op een korte afstand gebeurt. De militaire kamer acht hiermee het onder feit 4 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. Gelet op de wetsgeschiedenis en de jurisprudentie is de militaire kamer van oordeel dat het begrip “feitelijke aanranding” hiermee niet wordt opgerekt. Ook het onverhoeds en onaangekondigd aflossen van een schot met een blank in de onmiddellijke nabijheid van een ander is naar het oordeel van de militaire kamer een uiting van een vorm van geweld. Dit handelen levert daarmee feitelijk aanranden op in de zin van artikel 140 Wetboek van Militair Strafrecht. Het verweer van de verdediging wordt daarom verworpen.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte verklaard dat hij -inderdaad- op minder dan 10 meter afstand van andere personen heeft geschoten. De stelling van verdachte dat de ratio hierachter is dat sprake kan zijn van rondvliegende kruitresten, en dat deze bepaling niet ziet op het geluid, doet -noch daargelaten de vraag naar de juistheid van die stelling- naar het oordeel van het hof niet af aan het bovenstaande verbod.
Bewezenverklaring
Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1.hij op of omstreeks 5 juli 2022 te [plaats 1] , in ieder geval in Nederland, een persoon, te weten [slachtoffer 1] , door een feitelijkheid heeft gedwongen tot het dulden van een ontuchtige handeling, door op onverhoedse wijze de borst(en) van die [slachtoffer 1] vast te pakken/te betasten;
2.hij op of omstreeks 19 mei 2022 te [plaats 1] , in ieder geval in Nederland, een persoon, te weten [slachtoffer 2] , door een feitelijkheid heeft gedwongen tot het dulden van een ontuchtige handeling, door op onverhoedse wijze de billen van die [slachtoffer 2] te betasten;
3.hij op of omstreeks 19 mei 2022 te [plaats 1] , in ieder geval in Nederland, een persoon, te weten [slachtoffer 3] , door een feitelijkheid heeft gedwongen tot het dulden van een ontuchtige handeling, door op onverhoedse wijze de billen van die [slachtoffer 3] te betasten;4.hij, als militair, in of omstreeks de periode van 11 april 2022 tot en met 15 april 2022 te [plaats 2] , in elk geval in Nederland, opzettelijk een andere militair, te weten [slachtoffer 4] , feitelijk heeft aangerand door tijdens een oefening op de [heide] , zonder vooraankondiging en/of waarschuwing, met een vuurwapen (Colt C7), een zogenaamde blank af te vuren op (zeer) nabije afstand van die [slachtoffer 4] .
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde levert op, telkens:
feitelijke aanranding van de eerbaarheid.
Het onder 4 bewezenverklaarde levert op:
als militair opzettelijk een andere militair feitelijk aanranden.
Strafbaarheid van verdachte
Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.
Oplegging van straf
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat aan verdachte wordt opgelegd een taakstraf voor de duur van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis, met aftrek van het voorarrest. Hierbij heeft de advocaat-generaal rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn.
De raadsman heeft verzocht om als het hof wel toekomst aan een strafoplegging rekening te houden met het feit dat verdachte is ontslagen bij defensie en met de overschrijding van de redelijke termijn.
Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte. Het hof overweegt daartoe in het bijzonder als volgt.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen bij drie verschillende collega’s, van wie hij de meerdere was. Hij heeft twee van de aangeefsters in hun billen geknepen en de derde aangeefster heeft hij bij haar borst gepakt. Dit heeft plaatsgevonden tijdens het uitgaan, waarbij verdachte onder invloed was van alcohol. De militaire kamer van het hof neemt dit verdachte zeer kwalijk. Verdachte zou juist – gelet op zijn functie van instructeur – de sociale veiligheid van de collega’s onderling moeten waarborgen, in plaats van deze sociale veiligheid zelf in het geding te brengen. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan feitelijke aanranding, door zonder vooraankondiging of waarschuwing met een vuurwapen een blank af te vuren in de onmiddellijke nabijheid van [slachtoffer 4] . [slachtoffer 4] had ten gevolge hiervan een piep in zijn oren. Verdachte heeft niet volgens de veiligheidsvoorschriften gehandeld en daardoor/daarbij de veiligheid van zijn collega in gevaar gebracht en in het bijzonder de lichamelijke integriteit van [slachtoffer 4] geschonden.
Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie van 6 augustus 2026 blijkt dat verdachte de afgelopen vijf jaar niet onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten.
Verdachte heeft op 21 juni 2024 hoger beroep ingesteld en het onderhavige arrest wordt op 24 september 2026 uitgesproken. Het hof stelt vast dat hiermee sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn met ongeveer drie maanden.
Het hof is, alles afwegende, van oordeel dat in beginsel oplegging van een taakstraf van 160 uren, subsidiair 80 dagen hechtenis, met aftrek van het voorarrest passend en geboden is. In verband met de overschrijding van de redelijke termijn zal het hof de taakstraf met 10 uren verminderen, zodat een taakstraf van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis, met aftrek van het voorarrest zal worden opgelegd.
Wetsartikelen
De straf is gebaseerd op de artikelen 9, 22c, 22d, 57 en 246 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 140 van het Wetboek van Militair Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1, 2, 3 en 4 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 150 (honderdvijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 75 (vijfenzeventig) dagen hechtenis.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Dit arrest is gewezen door mr. R.H. Koning, mr. A. van Maanen en mr. A.A.W.K. Appels, militair lid, in aanwezigheid van de griffier mr. G.A. Dunnink en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 24 september 2026.
mrs. R.H. Koning en A.A.W.K. Appels zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.