GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.357.217 en 200.357.219
zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen: 423905
arrest van 3 februari 2026
in de incidenten tot niet-ontvankelijkheid
in de zaak met zaaknummer 200.357.217 van
[appellant] in zijn hoedanigheid van executeur, dan wel vereffenaar, dan wel beneficiair erfgenaam in de nalatenschap van mevrouw [naam1]
die woont in [woonplaats1]
hierna: [appellant]
advocaat: mr. J. van Berk
en
[geïntimeerde1]
die woont in [woonplaats2]
hierna: [geïntimeerde1]
advocaat: mr. Y. de Groot-Amtari
en in de zaak met zaaknummer 200.357.219 van
[appellant] voornoemd
en
[geïntimeerde2]
die woont in [woonplaats3]
hierna: [geïntimeerde2]
advocaat: G.H.J. Spee
en in het incident ex artikel 222 Rv
in de zaak met zaaknummer 200.357.217 van
[appellant] voornoemd
en
[geïntimeerde1] voornoemd
1. Het verloop van beide procedures in hoger beroep
[appellant] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen (hierna: de rechtbank) op 26 maart 2025 tussen alle partijen heeft uitgesproken.
Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep van de zaak 200.357.217 blijkt uit:
het anticipatie-exploot van [geïntimeerde1]
incidentele conclusie tot voeging van zaken (ex artikel 222 Rv) van [appellant]
antwoordconclusie in het incident ex artikel 222 Rv van [geïntimeerde1]
de memorie van grieven van [appellant] inclusief een incidentele vordering tot niet-ontvankelijkheid van [geïntimeerde1]
antwoordconclusie in het incident tot niet-ontvankelijkheid van [geïntimeerde1] .
Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep van de zaak 200.357.219 blijkt uit:
het anticipatie-exploot van [geïntimeerde2]
de memorie van grieven van [appellant] inclusief een incidentele vordering tot niet-ontvankelijkheid van [geïntimeerde2]
antwoordconclusie in het incident tot niet-ontvankelijkheid van [geïntimeerde2] .
Hierna heeft het hof arrest bepaald in de incidenten tot niet-ontvankelijkheid in beide zaken en in het incident ex artikel 222 Rv in de zaak 200.357.217.
2. De kern van de zaak
Partijen zijn broers van elkaar. Hun vader (erflater) is overleden in 1997. Hij heeft zijn echtgenote (de moeder van partijen) en zijn drie zoons benoemd tot zijn erfgenamen en tussen hen een zogeheten horizontale ouderlijke boedelverdeling gemaakt (artikel 4:1167 BW (oud)). Daardoor hebben partijen een vordering op hun moeder gekregen ter grootte van hun erfdeel in de nalatenschap van vader. De moeder van partijen (erflaatster) is overleden in 2023. Zij heeft [appellant] benoemd tot haar enige erfgenaam en tot executeur. [appellant] heeft haar nalatenschap beneficiair aanvaard. [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] hebben tijdig aanspraak gemaakt op hun legitieme portie in de nalatenschap van erflaatster.
[geïntimeerde1] heeft [appellant] in zijn hoedanigheid van executeur dan wel vereffenaar dan wel (enig) erfgenaam gedagvaard bij de rechtbank. [geïntimeerde1] heeft vaststelling en betaling van zijn erfdeel in de nalatenschap van erflater en zijn legitieme portie in de nalatenschap van erflaatster gevorderd. [geïntimeerde1] heeft ook vernietiging gevorderd van schenkingen van erflaatster aan [appellant] voor een bedrag van € 770.778 (actio Pauliana; artikel 3:45 BW). De rechtbank heeft in een tussenvonnis (van 14 februari 2024) geoordeeld dat sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding, omdat het rechtens noodzakelijk is dat een beslissing over de hoogte van de erfdelen in een nalatenschap (de nalatenschap van vader) in dezelfde zin luidt ten aanzien van alle erfgenamen van de nalatenschap en dat deze beslissing hen ook allen bindt. De rechtbank heeft [geïntimeerde1] daarom in de gelegenheid gesteld [geïntimeerde2] op de voet van artikel 118 Rv als partij in het geding op te roepen. [geïntimeerde2] is opgeroepen en heeft verweer gevoerd en een eis in reconventie ingesteld tegen [appellant] en [geïntimeerde1] . [appellant] , [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] zijn alle drie partijen in de procedure bij de rechtbank in conventie en in reconventie. [geïntimeerde2] heeft in reconventie betaling door [appellant] van zijn erfdeel in de nalatenschap van erflater en zijn legitieme portie in de nalatenschap van erflaatster gevorderd. Hij heeft verder vernietiging van alle schenkingen van moeder aan [appellant] gevorderd. De rechtbank heeft in haar eindvonnis van 26 maart 2025 in conventie een verklaring voor recht gegeven over de omvang van het erfdeel van [geïntimeerde1] in de nalatenschap van erflater en schenkingen van erflaatster aan [appellant] voor een bedrag van € 770.778 vernietigd; in reconventie heeft de rechtbank de schenkingen van erflaatster aan [appellant] vernietigd voor een bedrag van € 800.000. Alle andere vorderingen zijn afgewezen.
[appellant] is in hoger beroep gegaan tegen het vonnis en heeft hiertoe [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] bij dagvaarding van 26 juni 2025 opgeroepen, tegen de roldatum van 13 januari 2026. [geïntimeerde2] heeft op 4 juli 2025 een exploot van anticipatie aan [appellant] laten betekenen, waarbij [appellant] tegen 29 juli 2025 in hoger beroep werd opgeroepen. [geïntimeerde1] heeft op 10 juli 2025 een exploot van anticipatie aan [appellant] laten betekenen, waarbij [appellant] eveneens tegen 29 juli 2025 in hoger beroep werd opgeroepen. [geïntimeerde2] en [geïntimeerde1] hebben beiden alleen [appellant] , maar niet elkaar bij exploot de anticipatie aangezegd. Als gevolg hiervan zijn er twee zaken bij het hof aanhangig, één tussen [appellant] en [geïntimeerde1] (200.357.217) en één tussen [appellant] en [geïntimeerde2] (200.357.219). [geïntimeerde1] heeft het hof bij aangetekende brief van 15 juli 2025 verzocht de zaken te voegen. Het hof heeft de zaken vervolgens op de rol gevoegd.
Omdat aldus twee zaken aanhangig zijn, heeft het hof [appellant] voorgehouden [geïntimeerde2] te laten tussenkomen in de zaak 200.357.217 of [geïntimeerde1] te laten tussenkomen in de zaak 200.357.219 en één van beide zaken door te halen. [appellant] is daarmee niet akkoord gegaan.
Omdat [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] in strijd met artikel 343 Rv jo. artikel 126 lid 3 Rv elkaar het vervroegde hoger beroep niet hebben aangezegd, vordert [appellant] in incident niet-ontvankelijkheid van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] in het vervroegde hoger beroep. Ook stelt hij dat de anticipatie-exploten van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] nietig zijn. Daarnaast heeft [appellant] in de zaak 200.357.217 een incident ingediend tot voeging van zaken op grond van artikel 222 Rv. [appellant] draagt hiertoe aan dat sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding en over de beide hoger beroepen dient te worden beslist in één procedure.
Het hof wijst de incidenten van [appellant] tot niet-ontvankelijkheid van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] en het incident van [appellant] tot voeging van zaken af. Het hof licht zijn oordeel hierna, voor de incidenten afzonderlijk, toe. Daarnaast zal het hof [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] in de gelegenheid stellen elkaar op te roepen in elkaars zaken op de voet van artikel 118 Rv, omdat sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding.
3. De toelichting op de beslissing van het hof
de incidenten tot niet-ontvankelijkheid
[geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] voeren verweer in de incidenten tot niet-ontvankelijkheid. Zij voeren aan dat een anticipatie-exploot op grond van artikel 343 Rv in samenhang met artikel 126 lid 3 Rv slechts nietig is als de wederpartij daardoor onredelijk in zijn belangen is geschaad. De formaliteiten van artikel 126 Rv beogen te waarborgen dat de wederpartij tijdig en adequaat op de hoogte wordt gesteld van een procedurele handeling. Aan dat doel is in dit geval volledig voldaan. [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] hebben namelijk allebei een anticipatie-exploot uitgebracht met vervroegde oproeping tegen dezelfde datum en hebben elkaar hiervan ook op de hoogte gehouden. Daarnaast zijn de zaken op gezamenlijk verzoek direct gevoegd, zodat ook [appellant] geen nadeel heeft ondervonden van het feit dat [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] elkaar niet bij exploot de vervroeging hebben aangezegd. Bovendien heeft [appellant] geen belang meer bij dit incident: hij heeft inmiddels zijn memorie van grieven ingediend, zodat nietigheid van de exploten voor hem geen extra tijd oplevert voor het formuleren van zijn grieven.
Het hof wijst het gevorderde af, omdat, ingevolge artikel 126 lid 3 Rv, het uitbrengen van een anticipatie-exploot dat niet voldoet aan de geformuleerde vereisten in dat artikel slechts nietigheid van het exploot tot gevolg kan hebben en geen niet-ontvankelijkheid van gedaagde of geïntimeerde in een (zoals [appellant] het formuleert) vervroegd hoger beroep. Voor zover [appellant] nog bedoeld heeft om vaststelling van de nietigheid van de anticipatie-exploten van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] te vorderen, wijst het hof deze vordering eveneens af, bij gebrek aan belang. [appellant] heeft inmiddels in beide procedures zijn memorie van grieven genomen, zodat uitstel daarvan voor hem zinledig is.
het incident ex artikel 222 Rv
[geïntimeerde1] voert verweer in het incident van [appellant] op grond van artikel 222 Rv tot voeging van zaken. [geïntimeerde1] meent dat deze vordering in strijd is met de goede procesorde, aangezien de zaak op verzoek van [geïntimeerde1] reeds is gevoegd op de rol en [appellant] hiermee op een oneigenlijke wijze probeert nader uitstel te krijgen voor het indienen van de memorie van grieven. Daarnaast is er geen belang bij voeging van de zaken nu rolvoeging reeds heeft plaatsgevonden en het resultaat van de figuren voeging en rolvoeging niet verschilt.
Het hof wijst de incidentele vordering van [appellant] tot voeging van de zaken af bij gebrek aan belang. De zaken zijn reeds op de rol gevoegd en worden daarmee gelijktijdig en door dezelfde rechters behandeld. Het hof overweegt dat voeging van de zaken ook niet leidt tot het resultaat dat [appellant] voor ogen heeft, namelijk een beslissing van het hof die alle drie de broers bindt, in één procedure. Daarvoor is niet voldoende dat in beide procedures gelijktijdig en door dezelfde rechters wordt beslist, maar is nodig dat alle broers in één procedure zijn betrokken.
oproeping op de voet van artikel 118 Rv
Het hof oordeelt dat het rechtens noodzakelijk is dat in elk geval de beslissing over de hoogte van de erfdelen in de nalatenschap van erflater in dezelfde zin luidt ten aanzien van alle erfgenamen van de nalatenschap en dat deze beslissing hen ook allen bindt. Er is in dit geval sprake van een processueel ondeelbare rechtsverhouding, waarbij alle bij de rechtsverhouding betrokken partijen als partij in één geding moeten worden betrokken. Omdat in beide zaken niet alle bij de rechtsverhouding betrokken partijen, alle drie de broers, zijn betrokken, zal het hof [geïntimeerde1] in de gelegenheid stellen om [geïntimeerde2] alsnog overeenkomstig het bepaalde in artikel 118 Rv op te roepen in de zaak tussen [appellant] en [geïntimeerde1] (200.357.217). Het hof zal [geïntimeerde2] in de gelegenheid stellen om [geïntimeerde1] alsnog overeenkomstig het bepaalde in artikel 118 Rv op te roepen in de zaak tussen [appellant] en [geïntimeerde2] (200.357.219). Het hof overweegt dat deze oproeping in beginsel bij exploot moet geschieden, maar wat het hof betreft staat het [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] eveneens vrij om door indiening van een conclusie op de rol, met een referte van [appellant] , te verschijnen in elkaars zaken.
conclusie
Het hof wijst de incidentele vorderingen af. Omdat [appellant] in het ongelijk zal worden gesteld in de incidenten tot niet-ontvankelijkheid, zal het hof [appellant] tot betaling van de kosten van die incidenten in beide zaken veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak.
Het hof ziet reden om de proceskosten te compenseren voor het incident tot voeging van zaken, omdat [geïntimeerde1] in strijd met artikel 343 Rv jo. artikel 126 lid 3 Rv [geïntimeerde2] het vervroegde hoger beroep niet heeft aangezegd, wat mede de oorzaak is geweest dat er twee zaken in hoger beroep aanhangig zijn. Dit betekent dat [appellant] en [geïntimeerde1] hun eigen kosten moeten dragen voor het incident tot voeging van zaken.
de hoofdzaken
Verder houdt het hof in beide zaken iedere beslissing aan.
4. De beslissing
Het hof:
in de zaak 200.357.217
wijst de incidentele vordering tot niet-ontvankelijkheid van [geïntimeerde1] af;
veroordeelt [appellant] tot betaling van de proceskosten van het incident tot niet-ontvankelijkheid van [geïntimeerde1] ter hoogte van € 1.214,- aan salaris van de advocaat van [geïntimeerde1] (1 procespunt x het toepasselijke tarief II);
wijst de vordering tot voeging van zaken af;
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt in het incident tot voeging van zaken;
stelt [geïntimeerde1] in de gelegenheid om [geïntimeerde2] bij exploot als bedoeld in artikel 118 Rv als partij in het geding op te roepen tegen de roldatum van 24 februari 2026 dan wel een conclusie op de rol te nemen met referte van [appellant] (rov. 3.5., slot);
in de zaak 200.357.219
wijst de incidentele vordering tot niet-ontvankelijkheid van [geïntimeerde2] af;
veroordeelt [appellant] tot betaling van de proceskosten van het incident van [geïntimeerde2] ter hoogte van € 1.214,- aan salaris van de advocaat van [geïntimeerde2] (1 procespunt x het toepasselijke tarief II);
stelt [geïntimeerde2] in de gelegenheid om [geïntimeerde1] bij exploot als bedoeld in artikel 118 Rv als partij in het geding op te roepen tegen de roldatum van 24 februari 2026 dan wel een conclusie op de rol te nemen met referte van [appellant] (rov. 3.5., slot);
in beide zaken in hoger beroep
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Lieber, M.H.F. van Vugt en K. Mans en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2026.