[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1980 in [plaats] ,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland.
Onderzoek van de zaak
Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zittingen van het hof van 22 oktober 2025, 8 april 2026 en 27 mei 2026 (sluiting onderzoek) is besproken en wat is besproken op de zittingen bij de rechtbank.
Na de zitting van 22 oktober 2025 heeft er een schriftelijke ronde plaatsgevonden. De raadsman heeft op 23 december 2025 een conclusie van antwoord ingediend. Vervolgens heeft de advocaat-generaal op 5 februari 2026 een conclusie van repliek ingediend. Tot slot heeft de raadsman op 17 maart 2026 een conclusie van dupliek ingediend.
Het hof heeft ter terechtzitting van 8 april 2026 kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat namens de betrokkene door zijn raadsman, mr. H.O. den Otter, is aangevoerd.
De beslissing
1. Op vordering van het openbaar ministerie kan bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
2. De verplichting kan worden opgelegd aan de in het eerste lid bedoelde persoon die voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het daar bedoelde strafbare feit of soortgelijke feiten of feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door hem zijn begaan.
3. Op vordering van het openbaar ministerie kan bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een misdrijf, waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, en tegen wie als verdachte van dat misdrijf een strafrechtelijk financieel onderzoek is ingesteld, de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, indien gelet op dat onderzoek aannemelijk is dat ook dat feit of andere strafbare feiten er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.
2. De verplichting kan worden opgelegd aan de in het eerste lid bedoelde persoon die voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het daar bedoelde feit of andere strafbare feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan.
3. Op vordering van het openbaar ministerie kan bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een misdrijf dat naar de wettelijke omschrijving wordt bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie, de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, indien aannemelijk is dat of dat misdrijf of andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. In dat geval kan ook worden vermoed dat:
Het hof verenigt zich niet met de beslissing van de rechtbank en daarom vernietigt het hof de beslissing. Het hof doet opnieuw recht.
Vordering
In afwijking van het standpunt als weergegeven in de conclusie van repliek heeft de advocaat-generaal ter terechtzitting gevorderd de ontnemingsvordering af te wijzen. Volgens de advocaat-generaal is de ontnemingsvordering in de zaak van betrokkene geheel gebaseerd op de juridische grondslag van artikel 36e, derde lid, Sr, maar kan in deze zaak aan het derde lid – gelet op de voorafgaand aan de terechtzitting door het hof aan de procespartijen toegestuurde jurisprudentie van de Hoge Raad – geen toepassing worden gegeven.
Standpunt van de verdediging
Het standpunt van de verdediging is opgenomen in de conclusies van antwoord en dupliek en nader toegelicht ter terechtzitting. Door de verdediging is gesteld dat betrokkene wel degelijk beschikte over een legaal vermogen in januari 2008 vanwege giften en de verkoop van goud en dat hij voor het overige inkomsten genoot uit gokken. Primair dient de vordering op nihil gesteld te worden, subsidiair moet de betalingsverplichting worden vastgesteld op € 66.183,25 conform de beslissing van de rechtbank. Voor het geval het hof daar anders over zou oordelen heeft de verdediging (voorwaardelijk) verzocht tot het horen van dertien getuigen. Los daarvan heeft de raadsman zich ter terechtzitting aangesloten bij het standpunt van de advocaat-generaal dat de ontnemingsvordering dient te worden afgewezen.
Beoordeling door het hof
Betrokkene is bij arrest van dit hof van 26 november 2025 veroordeeld tot straf voor het medeplegen van een gewoonte maken van het plegen van witwassen in de periode van 1 januari 2008 tot en met 22 maart 2026.
Tot 1 juli 2011 luidde artikel 36e, eerste tot en met het derde lid, van het Wetboek van Strafrecht:
Op 1 juli 2011 is de in het derde lid opgenomen voorwaarde van het instellen van een strafrechtelijk financieel onderzoek (SFO) komen te vervallen. Vanaf 1 juli 2011 luidt artikel 36e, tweede en derde lid, Sr:
a. uitgaven die de veroordeelde heeft gedaan in een periode van zes jaren voorafgaand aan het plegen van dat misdrijf, wederrechtelijk verkregen voordeel belichamen, tenzij aannemelijk is dat deze uitgaven zijn gedaan uit een legale bron van inkomsten, of;
b. voorwerpen die in een periode van zes jaren voorafgaand aan het plegen van dat misdrijf aan de veroordeelde zijn gaan toebehoren voordeel belichamen als bedoeld in het eerste lid, tenzij aannemelijk is dat aan de verkrijging van die voorwerpen een legale bron van herkomst ten grondslag ligt.
Het hof is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat betrokkene uit, kort gezegd, het medeplegen van gewoontewitwassen waarvoor hij is veroordeeld, daadwerkelijk financieel voordeel heeft behaald. Uit bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad volgt immers dat de enkele omstandigheid dat een goed voorwerp is van witwassen (zoals een geldbedrag) nog niet meebrengt dat dit goed ook wederrechtelijk verkregen voordeel belichaamt. Dat geldt ook als sprake is van het omzetten van verworven geldbedragen door de effectieve besteding hiervan voor een bepaald doel waarvan betrokkene profijt heeft gehad.
Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 36e, derde lid, Sr (oud) is voldaan. Voorafgaand aan de zitting van het hof van 8 april 2026 heeft het hof de verdediging en de advocaat-generaal gewezen op de huidige stand van de jurisprudentie van de Hoge Raad over de toepasselijkheid van het derde lid ten aanzien van een strafbaar feit dat mede is begaan vóór inwerkingtreding van het derde lid in zijn huidige vorm op 1 juli 2011, te weten uitspraken van de Hoge Raad van 30 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:478 en 11 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1679.
Naar aanleiding van de uitspraak uit 2021 heeft de advocaat-generaal ter terechtzitting het standpunt ingenomen, dat nu de bewezenverklaarde periode in de strafzaak mede is gelegen vóór 1 juli 2011, een SFO had moeten worden ingesteld om toepassing te kunnen geven aan het derde lid van artikel 36e Sr. Omdat in deze zaak de ontnemingsvordering geheel is gebaseerd op dit derde lid en genoemd SFO is uitgebleven, dient volgens de advocaat-generaal de ontnemingsvordering te worden afgewezen.
In het hiervoor aangehaalde arrest uit 2021 heeft de Hoge Raad in rechtsoverweging 2.3.2 het volgende bepaald: “Indien het misdrijf waarvoor de betrokkene is veroordeeld mede is begaan vóór 1 juli 2011 en niet is gebleken dat jegens de betrokkene een strafrechtelijk financieel onderzoek is ingesteld, dient artikel 36e lid 3 Sr in zijn huidige vorm buiten toepassing te blijven.”
Het hof heeft in de strafzaak bewezen gewoontewitwassen in de periode van 1 januari 2008 tot en met 22 maart 2016. Het hof is gezien voornoemde jurisprudentie met de advocaat-generaal van oordeel dat nu het in de strafzaak bewezen verklaarde medeplegen van gewoontewitwassen mede omvat de periode gelegen vóór 1 juli 2011 en er geen sprake is geweest van een strafrechtelijk financieel onderzoek zoals was vereist in artikel 36e, derde lid, Sr (oud), het derde lid in zijn huidige vorm -ook wat betreft de bewezen verklaarde periode ná 1 juli 2011- buiten toepassing dient te blijven. Dit betekent dat het derde lid van artikel 36e Sr in zijn huidige vorm en zoals dat gold vóór 1 juli 2011 geen juridische basis kan opleveren voor voordeelsontneming in deze zaak.
Het hof moet daarom tevens beoordelen of voordeelsontneming kan worden gebaseerd op het tweede lid van artikel 36e Sr (oud en/of nieuw). Tot 1 juli 2011 diende op grond van dit artikellid te worden vastgesteld dat voldoende aanwijzingen bestaan dat betrokkene soortgelijke feiten of feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd heeft begaan. Vanaf 1 juli 2011 dient te worden vastgesteld dat voldoende aanwijzingen bestaan dat betrokkene andere strafbare feiten heeft begaan.
Uit het aangehaalde arrest van de Hoge Raad uit 2025 volgt dat de in dit tweede lid bedoelde ‘voldoende aanwijzingen’ niet door de rechter mogen worden aangenomen als niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat deze andere strafbare feiten door de betrokkene zijn begaan. Dit criterium gold ook ter zake van het begaan van soortgelijke feiten of feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd (art. 36e lid 2 Sr oud).
Bij de beantwoording van de vraag wat moet worden verstaan onder ‘voldoende aanwijzingen’ slaat het hof acht op de conclusie van [naam] bij de Hoge Raad van 31 augustus 2021. Volgens [naam] pleegt daaronder te worden verstaan:
‘Een reeks van waarnemingen (of ‘bevindingen’) van feiten en omstandigheden die steun geven aan, of wijzen in de richting van een bepaald strafrechtelijk relevant scenario. Een ‘aanwijzing’ kan dus gelijkgesteld worden met ‘bewijsmateriaal’ (in het Engels: evidence). Het (rechterlijke) oordeel dat een bepaald strafrechtelijk relevant scenario in voldoende mate steun vindt in bewijsmateriaal en – dus – dat een bepaald strafbaar feit is begaan, vormt welbeschouwd zelf geen aanwijzing, maar (slechts) een conclusie die is getrokken op basis van aanwijzingen als hiervoor bedoeld.’
Het hof moet zich voor wat betreft het begaan van soortgelijke of andere strafbare feiten door betrokkene in de zin van artikel 36e, tweede lid, Sr (oud en nieuw), volledig verlaten op het bestaan van ‘voldoende aanwijzingen’ (lees: bewijsmiddelen) hiervoor in het dossier.
Het hof kan op grond van het dossier niet buiten redelijke twijfel vaststellen dat betrokkene dergelijke soortgelijke en/of andere strafbare heeft begaan.
Dat het hof bij arrest in de strafzaak aan de hand van de in het dossier neergelegde kasopstelling heeft vastgesteld dat een geldbedrag van enkele tonnen uit misdrijf afkomstig is en door betrokkene en medebetrokkenen binnen het verband van een gezamenlijke huishouding is witgewassen, maakt niet dat reeds op grond hiervan kan worden vastgesteld dat van voldoende aanwijzingen voor het plegen van soortgelijke of andere strafbare feiten door betrokkene sprake is. Deze strafbare feiten dienen voldoende concreet te worden aangeduid en buiten redelijke twijfel te worden vastgesteld. Eveneens dient te worden vastgesteld dat betrokkene door middel van of uit de baten van deze strafbare feiten voordeel van een bepaalde omvang heeft verkregen.
Bovendien is vereist dat, nu in deze zaak het wederrechtelijk verkregen voordeel is berekend aan de hand van een zogenoemde eenvoudige kasopstelling, het op basis van die kasopstelling vastgestelde bedrag in voldoende mate kan worden gerelateerd aan die soortgelijke of andere strafbare feiten.
Nu het hof op grond van het dossier het begaan van soortgelijke of andere concreet aan te duiden strafbare feiten door betrokkene niet buiten redelijke twijfel kan vaststellen, laat staan kan bepalen welk voordeel daarmee door betrokkene afzonderlijk zou zijn behaald, kan het tweede lid van artikel 36e Sr (oud en/of nieuw) evenmin als juridische basis gelden voor voordeelsontneming.
Het hof komt daarom tot de conclusie dat de ontnemingsvordering van het openbaar ministerie moet worden afgewezen. Om die reden behoeft het voorwaardelijk verzoek van de verdediging tot het horen van getuigen geen bespreking meer.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Wijst af de vordering strekkende tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de staat van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel tot het in die vordering genoemde bedrag.
Deze beslissing is gewezen door mr. C.H. Zuur, mr. J. Corthals en mr. P.L.M van Gorkom, in aanwezigheid van de griffier mr. Y.A. Hoekstra en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 27 mei 2026.
mr. P.L.M van Gorkom is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.
Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 27 mei 2026.
Tegenwoordig:
mr. G. Dam, voorzitter,
mr. M.J. Hornman, advocaat-generaal,
mr. S.J.H. Salvino, griffier.
De voorzitter doet de zaak uitroepen.
De betrokkene is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.
De voorzitter sluit het onderzoek ter terechtzitting en spreekt de beslissing uit.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.