ECLI:NL:GHARL:2026:6297

ECLI:NL:GHARL:2026:6297

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 01-10-2026
Datum publicatie 01-10-2026
Zaaknummer 21-001364-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Zeden. Promis. Bewezenverklaring twee verkrachtingen en het voorhanden hebben en verspreiden van één kinderpornografische afbeelding. Gevangenisstraf 30 maanden, waarvan 23 maanden voorwaardelijk, met proeftijd 2 jaar, met bijzondere voorwaarden, met aftrek van voorarrest.

Uitspraak

De onder 1 tenlastegelegde kinderpornografische afbeelding

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal acht het feit wettig en overtuigend bewezen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Oordeel van het hof

In de image van de telefoon van de verdachte is op 23 februari 2023 een afbeelding met bestandsnaam ‘00186ca3-367f-46de-a0ce-3433ab7365ea.webp’ aangetroffen. Op 21 januari 2022 kwam de afbeelding op de telefoon van de verdachte terecht en op 12 juli 2022 is de afbeelding door de gebruiker van de telefoon verstuurd binnen een Whatsapp-groep met negentien deelnemers. De afbeelding werd door de gebruiker als sticker aangemaakt. Op de afbeelding is een meisje te zien terwijl zij naakt op haar rug ligt. De verbalisant schat de leeftijd van het meisje tussen 4 en 8 jaar oud. Het meisje heeft haar benen gespreid en haar handen naast haar schaamlippen. Het meisje wordt gepenetreerd door een man.

De verdachte heeft in het politieverhoor verklaard dat het klopt dat alleen hij zijn telefoon gebruikt, maar dat iemand anders er wel even op kan zitten. Dit gaat dan om kleine dingetjes, zoals het opzoeken van een muzieknummer. Verdachte heeft ter zitting in eerste aanleg de mogelijkheid geopperd dat zijn telefoon door een ander is gebruikt ten tijde van het versturen van de afbeelding. Daarnaast heeft verdachte de mogelijkheid geopperd dat hij zelf de sticker (onbewust) heeft verstuurd als onderdeel van een grote groep stickers, waarbij hij zich geen rekenschap heeft gegeven van de inhoud van alles wat hij verstuurde.

Het hof neemt tot uitgangspunt dat – zonder aanwijzingen voor het tegendeel – de hoofdgebruiker van een telefoon op de hoogte is van de aanwezigheid en (in ieder geval globale) inhoud van bestanden die zich op de telefoon bevinden en vanaf die telefoon worden verstuurd. Het hof stelt vast dat op de telefoon van verdachte één kinderpornografische afbeelding (in de vorm van een sticker) is aangetroffen en dat die sticker eenmaal is verspreid in een Whatsapp groepsgesprek. Tussen het moment van verkrijging en verspreiding van de sticker is bijna een half jaar gelegen. Na dat moment is de sticker nog meer dan een half jaar op de telefoon van verdachte blijven staan. Tegen die achtergrond acht het hof het onaannemelijk dat verdachte zich niet bewust is geweest van de aanwezigheid van de sticker op zijn telefoon. Dat mogelijk een ander verantwoordelijk is voor de verspreiding van de sticker schuift het hof terzijde, mede gelet op de verklaring van verdachte dat anderen zijn telefoon slechts konden gebruiken voor kleine, specifieke (opzoek)handelingen. De door verdachte geopperde mogelijkheid dat hijzelf de sticker onbewust heeft doorgestuurd, schuift het hof eveneens als onaannemelijk terzijde. Zo heeft verdachte ter zitting desgevraagd niet kunnen uitleggen met welk doel hij stickers zou doorsturen, als hij zelf niet eerst kennisneemt van de inhoud van wat hij doorstuurt.

Het hof acht het onder 1 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen op de hierna te vermelden wijze.

Beoordelingskader zeden

Voordat het hof ingaat op de onder 2 primair en 3 primair tenlastegelegde verkrachtingen, stelt het hof het volgende beoordelingskader voorop, dat in het navolgende bij beide feiten als uitgangspunt geldt.

In zedenzaken doet zich regelmatig de situatie voor dat het tenlastegelegde handelen zich zou hebben afgespeeld in een setting waarin alleen de aangeefster en de verdachte aanwezig waren, waardoor vaak het woord van de ene persoon tegenover het woord van de andere persoon komt te staan. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat volgens artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering het bewijs dat de verdachte het

tenlastegelegde heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend kan worden aangenomen op grond van de verklaring van één getuige. Dit artikel ziet op de tenlastelegging in haar geheel en verbiedt de rechter om tot een bewezenverklaring te komen wanneer de door één getuige naar voren gebrachte feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vereist een beoordeling van het concrete geval (vgl. HR 13 juli 2010,

ECLI:NL:HR:2010:BM2452).

Voordat aan de toets van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegekomen, moet worden beoordeeld of de verklaring van aangeefster betrouwbaar is. Daarbij kan onder andere worden onderzocht of de verklaring in de kern consistent, gedetailleerd en authentiek is, waarbij ook kan worden betrokken of de verklaring wordt ondersteund door andere bronnen.

De onder 2 primair tenlastegelegde verkrachting van [benadeelde partij 1]

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal acht het onder 2 primair tenlastegelegde bewezen. Hij acht de verklaring van aangeefster betrouwbaar en concreet, in tegenstelling tot die van verdachte. De verklaring van aangeefster wordt ondersteund door het geconstateerde letsel, de verklaring van de moeder van aangeefster bij de raadsheer-commissaris en de verklaring van de verdachte zelf.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit. Hij heeft daartoe in de kern aangevoerd dat de seks tussen aangeefster en de verdachte aanvankelijk vrijwillig plaatsvond. Het staat niet vast dat de verdachte op enig moment tijdens de seks heeft moeten beseffen dat aangeefster niet meer wilde en dat hij haar daartoe toch heeft gedwongen.

Oordeel van het hof

Het hof stelt vast dat niet ter discussie staat dat er op 16 september 2022 in [plaats] seksuele handelingen hebben plaatsgevonden tussen de verdachte en aangeefster. Zowel aangeefster als de verdachte hebben inhoudelijk over die seksuele omgang verklaard.

Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of dit met wederzijdse instemming plaatsvond of dat de verdachte aangeefster hiertoe heeft gedwongen. In dat verband acht het hof het volgende van belang.

Aangeefster heeft op (zondag) 18 september 2022 een verklaring afgelegd tijdens een informatief zedengesprek. Later is zij op 18 oktober 2023 in aanwezigheid van de rechter-commissaris en de verdediging nogmaals gehoord in een studio. Beide verklaringen zijn woordelijk uitgewerkt.

Tijdens het informatieve gesprek op 18 september 2022 heeft aangeefster verklaard dat zij en de verdachte in de nacht van donderdag op vrijdag (het hof begrijpt: 15 op 16 september 2022) met elkaar in bed lagen. Aangeefster voelde zich extreem machteloos. De verdachte betrof een erg lange sterke jongen, waar zij fysiek niet heel veel mee kon. Hij trok haar benen gewoon uit elkaar en kon aangeefster gewoon op haar rug duwen. Het deed heel veel pijn en aangeefster zat echt te kreunen van de pijn. Hij zei ‘stil zijn’. Aangeefster durfde niets te zeggen, omdat hij zo sterk was. Het lukte de jongen niet, omdat aangeefster ‘kurkdroog’ was. De jongen bleef maar met zijn penis in de vagina gaan en ging maar door. Aangeefster kon niet stoppen met stil zijn, want het deed pijn. De tranen rolden van haar ogen af. Op een gegeven moment zei de jongen ‘nou, dit gebeurt me niet’. Toen haalde hij zijn penis uit de vagina van aangeefster en zei hij ‘hup in je mond’. Toen duwde de jongen zijn penis in haar mond en begon hij met zijn handen op aangeefster in te duwen. Aan-geefster kreeg bijna geen adem meer. Op een bepaald moment trok de jongen zijn penis uit de mond van aangeefster en trok hij aan haar benen, zodat zij weer ging liggen. Toen begon de jongen heel hard aan haar borsten te trekken. Hij kwam klaar met zijn handen op haar borsten, terwijl hij er heel hard aan trok. Toen deed de jongen zijn penis tussen de borsten van aangeefster en begon hij heel hard heen en weer te bewegen. Het deed heel veel pijn, want de jongen zat op haar borstkas. De blauwe plekken zijn ontstaan, doordat de jongen heel hardhandig was. Hij kneep heel hard en duwde en trok heel erg hard aan alles.

In het studioverhoor op 18 oktober 2023 is aangeefster aanvullend bevraagd, mede aan de hand van door de verdediging ingediende vragen. In dit verhoor verklaart aangeefster dat zij zich herinnert dat zij in de slaapkamer was om seks te hebben. Haar meest prominente herinnering is de pijn. Ze verklaart dat de tranen over haar wangen rolden. Aangeefster herinnert zich dat zij kurkdroog was en dat verdachte haar rond duwde en trok om in haar te kunnen gaan. Aangeefster verklaart op enig moment tijdens de penetratie ‘au’ te hebben gezegd en gekreund te hebben van de pijn. Ook beschrijft zij orale penetratie, waarbij verdachte bovenop haar heeft gezeten en zijn penis in haar mond duwde. Toen aangeefster op haar rug lag kneep verdachte in haar borsten, waardoor de blauwe plek is veroorzaakt.

Het hof stelt vast dat deze verklaringen op de belangrijkste onderdelen met elkaar overeenkomen wat betreft de handelingen die hebben plaatsgevonden en de volgorde waarin dit is gebeurd. Aangeefster heeft in de verklaringen gedetailleerd en concreet verklaard. Verder stelt het hof vast dat aangeefster terughoudend was met het doen van aangifte, in haar verklaringen eerlijk is over haar eigen alcohol- en drugsgebruik die avond, kritisch is over de door haar geboden weerstand en meermalen – ook bij voor de verdachte potentieel belastende vragen – aangeeft dat ze iets niet (meer) weet. Aangeefster komt daarmee naar het oordeel van het hof authentiek over.

Het hof acht de verklaringen die door aangeefster zijn afgelegd betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. In het navolgende zal het hof beoordelen of de verklaringen voldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal.

Er is een forensisch onderzoek ingesteld in en aan het lichaam van aangeefster. De verbalisant die bij dit onderzoek aanwezig was, heeft geverbaliseerd dat hij zag dat aangeefster meerdere onderhuidse verkleuringen op haar lichaam had, namelijk:

GGD-arts [naam] heeft in de onderzoeksrapporage aangekruist op welke plekken op het lichaam van aangeefster hij letsel heeft waargenomen. Het gaat om:

Uit de rapportages van het NFI betreffende het onderzoek naar de biologische sporen en DNA blijkt dat op het hemd van aangeefster, aan de voorzijde sporen zijn aangetroffen die sperma bevatten. Deze sporen zijn vergeleken met het DNA-profiel van de verdachte en het NFI concludeert dat het DNA-profiel van het sperma in de bemonstering meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker is wanneer het sperma afkomstig is van de [verdachte] , dan wanneer het sperma afkomstig is van een willekeurige, niet aan [verdachte] verwante, man.

Bovenstaande bewijsmiddelen ondersteunen naar het oordeel van het hof de verklaring van aangeefster.

De verdachte heeft in het politieverhoor op 22 februari 2023 (en in latere fases van het strafproces in de kern gelijkluidend) verklaard dat aangeefster en hij begonnen te zoenen en voelen en dat zij elkaar gingen aanraken. Aangeefster deed verdachtes onderbroek uit, pijpte hem en zij deden twee standjes: missionaris en doggy. De seks eindigde met het klaarkomen van de verdachte op de rug van aangeefster. De verdachte merkte aan aangeefster dat zij het fijn vond, omdat zij hijgde, het natuurlijk voelde en aangeefster het initiatief had genomen. Toen zij op bed lagen te zoenen heeft de verdachte gezegd ‘we hoeven dit niet te doen’, waarna aangeefster zei dat zij wel verder wilde en hem begon te pijpen. De verdachte heeft verklaard dat hij niet weet hoe de blauwe plekken bij aangeefster zijn ontstaan.

Het hof stelt vast dat de verklaring van de verdachte op belangrijke punten afwijkt van de door het hof betrouwbaar geachte verklaring van aangeefster. Bovendien strookt de verklaring van de verdachte – anders dan die van aangeefster – niet met het hiervoor beschreven sporenbeeld. Het hof acht daarbij van belang dat de aangetroffen spermasporen op de voorzijde van het hemd van aangeefster passen bij de verklaring van aangeefster dat verdachte is klaargekomen toen hij met zijn penis tussen haar borsten lag. Dat verdachte op de rug van aangeefster zou zijn klaargekomen – zoals verdachte stelt – sluit niet goed aan op deze onderzoeksbevindingen. Ook de geconstateerde blauwe plekken sluiten aan bij de verklaring van aangeefster, terwijl verdachte hiervoor geen verklaring geeft. Het hof acht de door de verdachte geschetste gang van zaken daarom ongeloofwaardig en gaat hieraan voorbij.

In het navolgende neemt het hof de verklaring van aangeefster – ondersteund door de hiervoor genoemde ondersteunende bewijsmiddelen – als uitgangspunt bij de beoordeling van de tenlastelegging.

Het hof ziet aanknopingspunten dat het (seksuele) contact tussen de verdachte en aangeefster met wederzijdse instemming is aangevangen, getuige ook de verklaring van aangeefster bij de rechter-commissaris op 18 oktober 2023 dat zij met de verdachte in de slaapkamer was om seks te hebben. Het hof stelt vast dat dit seksuele contact voor aan-geefster eigenlijk vanaf het begin al heel onprettig is verlopen. Die enkele omstandigheid is echter nog niet voldoende om te kunnen vaststellen dat de handelingen van de verdachte op datzelfde moment – en dus min of meer vanaf het begin – tegen de wil van aangeefster in plaatsvonden en dat dit voor de verdachte kenbaar was.

Gelet op de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden is het hof echter van oordeel dat er op enig moment geen sprake meer is geweest van wederzijdse instemming en dat verdachte aangeefster vervolgens heeft gedwongen tot het verder ondergaan van seksuele handelingen. Het hof kan niet exact vaststellen vanaf welk moment het voor verdachte kenbaar was dat de seksuele omgang niet langer gewenst was. Het hof concludeert echter dat verdachte zich hiervan in ieder geval bewust was op het moment dat hij hardhandig en onverhoeds zijn penis in de mond van aangeefster duwde waarbij hij zei ‘nou dit gebeurt me niet’ en ‘hup in je mond’. Daarbij weegt het hof mee dat uit de bewijsmiddelen volgt dat op dat moment al sprake is geweest van bijzonder moeizame vaginale penetratie, waarbij aangeefster ‘au’ heeft gezegd, zij ook kreunde van de pijn en de tranen over haar wangen rolden. Het hof acht niet voorstelbaar dat al deze uitingen van ongenoegen aan verdachte voorbij zijn gegaan. In het daaropvolgende hardhandige en richtinggevende handelen van verdachte ziet het hof een bevestiging dat verdachte zich bewust was dat aangeefster de seksuele omgang niet (meer) wenste en dat hij desondanks ervoor heeft gekozen om haar te dwingen verdere seksuele handelingen te ondergaan. Deze dwang leidt het hof mede af uit de hardhandigheid van het handelen van verdachte en de positie die verdachte vanaf dat moment inneemt door op de borstkas van aangeefster plaats te nemen.

Het hof verwerpt de verweren van de verdediging en acht het onder 2 primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen op de hierna te vermelden wijze.

De onder 3 primair tenlastegelegde verkrachting van [benadeelde partij 2]

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal acht het onder 3 primair tenlastegelegde bewezen. Hij acht de verklaring van aangeefster betrouwbaar. Deze wordt volgens hem ondersteund door de emoties die getuigen na het voorval bij aangeefster hebben waargenomen en door de verklaring van de verdachte zelf.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit en daartoe in de kern aangevoerd dat objectief steunbewijs voor dwang ontbreekt. Hij heeft erop gewezen dat de verdachte en aangeefster elkaar al langere tijd kenden, een vriendschap hadden en al bijna een jaar seksueel contact met elkaar hadden. Hierdoor is het volgens hem aannemelijk dat er ruimte was voor toenadering door één van beiden, waarin een aanvankelijke afhouding kon worden overwonnen en uiteindelijk als instemming kon worden opgevat. Volgens de raadsman was er niets waaraan de verdachte had moeten merken dat aangeefster geen seks wilde.

Oordeel van het hof

Aangeefster heeft op 1 maart 2023 aangifte gedaan en heeft op 25 september 2023 tijdens een getuigenverhoor bij de rechter-commissaris nader verklaard.

In haar aangifte heeft aangeefster verklaard dat er op 21 of 22 januari 2022 een feestje was waar aangeefster en de verdachte aanwezig waren. Na het feestje zijn zij samen naar het huis van aangeefster gegaan. Aangeefster had de volgende ochtend om 11 uur afgesproken om te gaan studeren in de bibliotheek en zei rond 10 uur tegen [verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte) 'I gotta go'. [verdachte] stonk naar bier en tabak en iets anders onprettigs en daardoor was aangeefster 'turned off' en 'not in the mood'. [verdachte] begon haar veel kusjes te geven en aangeefster trok daarop haar gezicht weg om zijn kussen te ontwijken. Op dat moment waren de verdachte en aangeefster in bed. [verdachte] kwam dichterbij. Aangeefster zei heel duidelijk 'Stop [verdachte] , no, no, no!' Aangeefster duwde hem weg en zei 'Stop, ik voel me niet goed. Ik wil geen seks, een andere keer'. [verdachte] bleef de nek, blote borsten en blote buik van aangeefster gepassioneerd kussen met zijn lippen en tong. Aangeefster bleef zeggen 'Nee, [verdachte] niet nu, een andere keer. Ik moet naar de bieb'. Aangeefster herinnert zich nog heel goed dat [verdachte] toen zei 'You owe me, I still need to come'. Hij ging door met het kussen van aangeefster. [verdachte] lag toen bovenop aangeefster. Aangeefster zei 'Echt [verdachte] ? Stop!' De verdachte probeerde aangeefster te penetreren met haar string aan. Hij deed de string van aangeefster op zij en ging in haar. De huisgenoten van aangeefster waren niet thuis en zij maakte fysiek bij hem geen schijn van kans. Aangeefster kon het alleen over haar heen laten gaan. Na een paar seconden begon aangeefster [verdachte] aan te moedigen, zodat het zo snel mogelijk over was.

In het getuigenverhoor bij de rechter-commissaris heeft aangeefster verklaard dat de verdachte haar nek aan het zoenen was. Alles wat aangeefster deed, was dat zij daar tegen vocht. Deze keer stemde zij niet in met de seks. Zij heeft meerdere keren aangegeven dat zij het niet wilde doen, op verschillende manieren en met meerdere smoesjes. Zij heeft gezegd dat zij naar de bieb moest, dat zij zich niet goed voelde en niet in de stemming was. [verdachte] zei 'you owe me', niet op een 'teasende' manier. Het was zijn reactie op de 'nee' van aangeefster. Zij was heel erg direct met haar nee, dus er was geen ruimte om een grapje te maken, maar hij zei 'you owe me, I still need to come'. Nadat de seks was begonnen, besefte aangeefster wat er aan het gebeuren was. Hij duwde haar slipje aan de kant en forceerde zich naar binnen bij haar. De volgende beste keuze was om het zo snel mogelijk afgelopen te laten zijn en daarom heeft aangeefster hem aangemoedigd om klaar te komen. Aangeefster heeft naast de duw haar hoofd weggedraaid om uit de buurt van zijn mond te blijven.

De verdediging heeft de betrouwbaarheid van aangeefster niet betwist. Het hof ziet ook geen aanleiding om aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster te twijfelen. De verklaringen van aangeefster zijn namelijk gedetailleerd, concreet en in de kern gelijk-luidend. Aangeefster komt naar 's hofs oordeel ook authentiek over. In eerste instantie heeft zij gewacht met het doen van aangifte en bij de rechter-commissaris heeft zij aangegeven 'Dit is echt de laatste plek waar ik zou willen zijn. Dit is het laatste ding wat ik wil doen. Ik doe het niet voor mezelf maar voor de andere meiden en om toekomstige slachtoffers te voorkomen'. Aangeefster wekt dan ook niet de indruk dat zij een voor de verdachte zo belastend mogelijke verklaring wil afleggen. Het hof acht de verklaringen die door aangeefster zijn afgelegd dan ook betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs.

Vervolgens komt de vraag aan de orde of de verklaringen voldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. Het hof beantwoordt deze vraag bevestigend.

[getuige] heeft verklaard dat zij de dag na het tenlastegelegde incident bij aangeefster is langsgegaan en dat aangeefster heel hard begon te huilen toen het besef kwam dat iemand over haar grens was gegaan. [getuige] heeft verklaard dat zij erbij was toen [aangeefster] (het hof begrijpt: aangeefster) hem (het hof begrijpt: de verdachte) de eerste keer weer op straat zag. Ze was in shock en bevroor echt. Aangeefster huilt niet vaak, maar toen wel en zij had pure stress. De verdachte heeft op de zitting in eerste aanleg verklaard dat aangeefster vertelde dat ze naar haar studie moest, dat ze zei dat ze geen seks met de verdachte wilde en dat ze 'no no no' heeft gezegd. Aangeefster heeft gezegd dat het moment te gehaast was. De verdachte heeft verklaard dat hij aangeefster kusjes in haar nek heeft gegeven en dat zij daarna seks hebben gehad.

Naar het oordeel van het hof vinden de verklaringen van aangeefster op grond van het bovenstaande voldoende steun in andere bewijsmiddelen. Het hof is ook van oordeel dat sprake is van de voor een bewezenverklaring vereiste dwang. Het hof overweegt hiertoe als volgt.

De verdachte heeft op de zitting in hoger beroep verklaard dat hij dacht dat aangeefster en hij een soort band met elkaar hadden waarin zij elkaar wel in de stemming mochten brengen. Aangeefster kwam op bed zitten en bewoog vervolgens, toen de verdachte kusjes gaf in haar nek, zelf om verder het bed in te gaan en samen in bed te liggen. Vanwege alle signalen die hij daarna ontving, zoals dat zij zelf haar slip uit deed, ging liggen en hem aanmoedigde, heeft hij niet begrepen dat zij de seks niet wilde en dat hij moest stoppen.

Het hof gaat bij de beoordeling van het tenlastegelegde uit van de hiervoor weergegeven en betrouwbaar geachte verklaring van aangeefster. Daaruit blijkt dat aangeefster herhaaldelijk 'nee' heeft gezegd, dat ze de verdachte wegduwde en dat ze meermalen heeft aangegeven dat zij op dat moment geen seks wilde. Het hof acht het gelet op de wijze waarop de verdachte en aangeefster kennelijk met elkaar omgingen, en waarbij zij vaker seks hadden, niet onbegrijpelijk dat de verdachte mogelijk heeft geprobeerd om aangeefster in de stemming te brengen, zodat zij na een aanvankelijk afhouden alsnog seks met de verdachte zou willen. De uitspraken van de verdachte 'you owe me, I still need to come' en het geven van kusjes in haar nek kunnen tegen deze achtergrond bezien wellicht nog passen bij een dergelijk 'verleidingsspel'. Voor wat er daarna gebeurd is, geldt dat echter niet. De verdachte ging door met kussen en lag bovenop aangeefster. Aangeefster heeft toen gezegd 'Echt [verdachte] ? Stop!' Naar het oordeel van het hof laat deze uitspraak van aangeefster zich niet anders uitleggen dan dat zij op dat moment onmiskenbaar heeft aangegeven de handelingen van de verdachte niet te wensen. Dat is het moment dat de verdachte zonder meer had moeten weten dat hij moest stoppen. Door aangeefster desondanks vaginaal te penetreren, heeft hij zich schuldig gemaakt aan verkrachting.

De verdediging wijst erop dat aangeefster zelf haar slip heeft uitgedaan en verdachte is gaan aanmoedigen. Het hof stelt vast dat deze gedragingen pas plaatshebben op een moment dat juridisch bezien al sprake is van een voltooid delict. Verdachte is op dat moment immers ongewenst en met dwang bij aangeefster binnengedrongen. Bovendien beziet het hof deze gedragingen en uitlatingen van aangeefster binnen de door aangeefster beschreven context, waarin zij wilde bereiken dat de situatie zo snel mogelijk werd beëindigd. Het hof is dan ook van oordeel dat daaruit niet kan worden afgeleid dat aangeefster alsnog zou hebben ingestemd met (verder) seksueel contact.

Het hof verwerpt dan ook de verweren van de verdediging en acht het onder 3 primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2 primair en 3 primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 21 januari 2022 tot en met 21 februari 2023 te [plaats] , in elk geval in Nederland , meermalen, althans eenmaal telkens 1 afbeelding, te weten een foto/sticker, van seksuele gedragingen, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, heeft verspreid en aangeboden, openlijk tentoongesteld, verworven , in bezit gehad en/of zich daartoe door middel van een geautomatiseerd werk en/of met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang heeft verschaft , welke seksuele gedraging en - zakelijk weergegeven - bestond en uit: het met de/ een penis vaginaal penetreren van het lichaam van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt, (bestandsnaam: 00186ca3-367f-46dea0ce-3433ab7365ea.webp , p. 189, p. 190 en p. 458 )(waarbij) de afbeelding (aldus)(telkens) een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en/of strekt tot seksuele prikkeling ;

2. primair hij op of omstreeks 16 september 2022 te [plaats] , door geweld en/of (een) andere feitelijkhe (i) d ( en ) en/of bedreiging met geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) , [benadeelde partij 1] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [benadeelde partij 1] , immers heeft verdachte meermalen, althans eenmaal (telkens) - zijn penis in de vagina en/of tussen de schaamlippen en/of mond en/of anus van [benadeelde partij 1] geduwd/gebracht en /of gehouden en /of - zijn penis tussen de borsten van [benadeelde partij 1] gebracht en /of gehouden en /of ( daarbij )(een) heen en weergaande beweging ( en ) gemaakt, en bestaande dat geweld en/of die andere feitelijkhe (i) d ( en ) en/of die bedreiging met geweld en/of die andere feitelijkhe(i)d(en) uit het meermalen, althans eenmaal (telkens) - duwen en/of trekken tegen/aan een persoon genaamd [benadeelde partij 1] en/of - uittrekken van de onderbroek, althans de kleding, van [benadeelde partij 1] en/of - uit elkaar trekken/duwen van de benen van [benadeelde partij 1] en/of - op de rug duwen van [benadeelde partij 1] en/of - onverhoeds duwen van zijn, verdachtes, penis in de mond en/of vagina en/of anus van [benadeelde partij 1] en /of - trekken/duwen aan en /of het knijpen in de borsten van [benadeelde partij 1] en /of - gaan zitten op (de borstkas van) [benadeelde partij 1] en /of - trekken aan de schouders van [benadeelde partij 1] en /of - toevoegen van de woorden aan [benadeelde partij 1] "Trek ze uit" en/of "Stil zijn", althans woorden van dergelijke dwingende aard en/of strekking en/of - misbruik maken van het feit dat [benadeelde partij 1] onder invloed was, dan wel verminderd bewustzijn had en/of - door het fysieke overwicht - doen opleveren, althans doen ontstaan, van een zodanige psychische druk dat [benadeelde partij 1] geen weerstand kon bieden, in ieder geval het doen ontstaan van een situatie waarin zij geen ‘nee’ kon zeggen en/of zich niet kon verzetten en/of durfde te verzetten en /of - (steeds) voorbijgaan aan de verbale en non verbale uitingen van [benadeelde partij 1] waaruit (ondubbelzinnig) bleek dat [benadeelde partij 1] die seksuele handelingen niet wilde ondergaan, in elk geval dat de wil van [benadeelde partij 1] was dat die seksuele handelingen zouden stoppen, in elk geval niet (langer) door zouden gaan;

3. primair hij op of omstreeks 22 januari 2022 te [plaats] , door geweld en/of (een) andere feitelijkhe (i) d ( en ) en/of bedreiging met geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en ), [benadeelde partij 2] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handeling en die bestond en uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [benadeelde partij 2] , immers heeft verdachte meermalen, althans eenmaal (telkens) zijn penis in de vagina en/of tussen de schaamlippen van [benadeelde partij 2] geduwd/gebracht en /of gehouden, en bestaande dat geweld en/of die andere feitelijkhe (i) d ( en ) en/of die bedreiging met geweld en/of die andere feitelijkhe(i)d(en) uit - het (ongevraagd/op dwingende wijze) kussen in de nek en/of op de mond en/of de (blote) borst(en) en/of de (blote) buik van [benadeelde partij 2] en/of - het boven op [benadeelde partij 2] gaan liggen en /of - het uittrekken en/of aan de kant schuiven/doen van de onderbroek, althans de kleding, van [benadeelde partij 2] en /of - het onverhoeds duwen van zijn, verdachtes, penis in de vagina van [benadeelde partij 2] en /of - zich telkens dwingend en/of dominant opstellen ten opzichte van [benadeelde partij 2] en /of - het toevoegen van de woorden aan [benadeelde partij 2] "You owe me” en/of “I still need te come”, althans woorden van dergelijke dwingende aard en/of strekking en/of - het door het fysieke overwicht, doen opleveren, althans doen ontstaan, van een zodanige psychische druk dat [benadeelde partij 2] geen weerstand kon bieden, in ieder geval het doen ontstaan van een situatie waarin zij geen ‘nee’ kon zeggen en/of zich niet kon verzetten en/of durfde te verzetten en /of - (steeds) voorbijgaan aan de verbale en non verbale uitingen van [benadeelde partij 2] waaruit (ondubbelzinnig) bleek dat [benadeelde partij 2] die seksuele handelingen niet wilde ondergaan, in elk geval dat de wil van [benadeelde partij 2] was dat die seksuele handelingen zouden stoppen, in elk geval niet (langer) door zouden gaan.

Het hof spreekt de verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, in bezit hebben en verspreiden.

Het onder 2 en 3 bewezenverklaarde wordt (telkens) als volgt gekwalificeerd:

verkrachting.

Het bewezenverklaarde is strafbaar.

Strafbaarheid van verdachte

De verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat hij niet strafbaar is.

Oplegging van straf

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte een gevangenisstraf van 50 maanden zal opleggen, met aftrek van voorarrest. Hij is daarbij voor het bezitten en verspreiden van de kinderpornografische afbeelding uitgegaan van 4 maanden gevangenisstraf en voor beide verkrachtingen van 48 maanden. Hij heeft ook rekening gehouden met de schending van de redelijke termijn in hoger beroep.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft het hof - in geval van strafoplegging - verzocht om een straf op te leggen waarvan het onvoorwaardelijke deel niet langer is dan de tijd die verdachte in voorarrest heeft verbleven. Hij heeft daartoe gewezen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Ten aanzien van de kinderpornografische afbeelding heeft hij er op gewezen dat alle procespartijen het in eerste aanleg eens waren dat dit feit niet dragend was voor de strafoplegging en hij heeft verzocht om dit feit in dat perspectief te plaatsen.

Oordeel van het hof

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. Het hof heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ernst feit

De verdachte heeft een kinderpornografische afbeelding in bezit gehad en deze één keer gedeeld in een Whatsapp-groep met negentien deelnemers. Achter dit soort beeldmateriaal gaat een hele industrie schuil, waarin aan de kinderen die hiervoor worden misbruikt veel leed wordt toegebracht. Het is kwalijk om hieraan een bijdrage te leveren in de vorm van het bezitten en verspreiden van een afbeelding waarop dat misbruik is vastgelegd. Gelet op de ernst van de twee andere bewezenverklaarde feiten, waarop in het politieonderzoek en de zitting in eerste aanleg ook de nadruk heeft gelegen, speelt dit strafbare feit een zeer beperkte rol bij de bepaling van de hoogte van de straf.

De verdachte heeft zich namelijk ook schuldig gemaakt aan twee verkrachtingen. De verdachte en [benadeelde partij 1] ontmoetten elkaar na het stappen op straat en zijn toen samen naar het huis van de verdachte gegaan. Daar vonden seksuele handelingen plaats. Aanvankelijk waren deze naar het zich laat aanzien met wederzijds goedvinden, maar op enig moment is de situatie omgeslagen naar een verkrachting, waaraan het slachtoffer op meerdere plekken op het lichaam letsel heeft overgehouden. De verdachte en [benadeelde partij 2] kenden elkaar al enige tijd en gingen vriendschappelijk met elkaar om. Zij hadden af en toe ook seks met elkaar. De verdachte heeft geprobeerd om het slachtoffer over te halen om weer seks met hem te hebben, maar het slachtoffer heeft duidelijk en meermaals aangegeven dat zij dit niet wilde. Desondanks is de verdachte bij haar binnengedrongen.

Bij beide verkrachtingen heeft de verdachte uitsluitend gehandeld op basis van zijn eigen lustgevoelens, zonder zich te bekommeren om de wil en gevoelens van de slachtoffers. De verdachte wilde seks met hen, en dus gebeurde dat. De slachtoffers konden - mede gelet op het fysieke overwicht van de verdachte - niet anders dan dit over zich heen laten komen. Zij hebben zich machteloos gevoeld. De verdachte heeft een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers.

Het handelen heeft grote impact gehad op de slachtoffers, zoals blijkt uit wat er namens hen naar voren is gebracht tijdens de zitting in hoger beroep. [benadeelde partij 1] heeft de afgelopen jaren uitgebreide en intensieve therapie ondergaan. Zij heeft last van ernstige angsten, nachtmerries en een vrijwel constant gevoel van onveiligheid. De prognose voor herstel is somber. [benadeelde partij 2] heeft naar voren gebracht dat zij door het proces sterker is geworden, maar dat dit gepaard is gegaan met pijn en onrust. Zij benoemt dat niet alleen de verkrachting gruwelijk was, maar dat ook de voortdurende herinneringen hieraan, de langdurige rechtszaken en flashbacks midden in de nacht haar hebben belast.

Persoonlijke omstandigheden

Het hof heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 13 augustus 2026. Hieruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit, zodat het hof het strafblad niet in het nadeel van de verdachte meeweegt in de strafoplegging.

De verdachte heeft in verband met het tenlastegelegde ruim 7 maanden in voorlopige hechtenis doorgebracht. Op 22 september 2023 heeft het hof de voorlopige hechtenis onder voorwaarden geschorst. Deze voorwaarden hielden onder andere in dat verdachte verplicht contact met de reclassering moest hebben en zich moest laten behandelen.

Uit het meest recente reclasseringsadvies van 9 september 2026 blijkt dat de verdachte zich sinds de start van het schorsingstoezicht goed aan de gestelde voorwaarden heeft gehouden en dat hij zijn leven op meerdere leefgebieden op een positieve manier heeft ingericht. Hij heeft een behandeling ondergaan bij [instelling] en hij heeft de opleiding tot makelaar afgerond, nadat hij zich vanwege onderhavige strafzaak genoodzaakt zag zijn opleiding in [plaats] te staken. Hij is nu fulltime werkzaam als makelaar. De verdachte heeft zich tijdens het toezicht coöperatief opgesteld, heeft de bijzondere voorwaarden serieus genomen en hij lijkt afstand te hebben genomen van de leefstijl die hij tijdens zijn studententijd had. Tegelijkertijd blijft aandacht nodig voor het vergroten van zijn probleeminzicht en het nemen van verantwoordelijkheid voor zijn handelen en het verder ontwikkelen van inzicht in relationele en seksuele grenzen. De reclassering adviseert oplegging van een deels voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden: meldplicht, ambulante behandeling en beheersing van middelengebruik. De reclassering adviseert geen gevangenisstraf op te leggen nu de verdachte zich goed aan de voorwaarden heeft gehouden en zich naar verwachting ook in de toekomst aan gestelde kaders zal conformeren. Detentie zorgt ervoor dat de verdachte de opgebouwde basis direct weer kwijtraakt.

Ter zitting in hoger beroep heeft de verdachte over zijn persoonlijke omstandigheden verklaard dat hij inderdaad afstand genomen heeft van zijn studentenleven en -contacten uit [plaats] . Hij is door de zitting in eerste aanleg zijn eerste baan als makelaar kwijt geraakt. Hij heeft nu een nieuwe baan als makelaar en woont zelfstandig in [plaats] . Hij zou verdere ambulante behandeling bij [instelling] met beide handen aangrijpen, om verder aan zichzelf te werken. Het is voor hem duidelijk dat zijn beleving en de beleving van de slachtoffers anders is en dat hij de twee slachtoffers pijn heeft gedaan. De verdachte staat ervoor open om erachter te komen waar dit verschil in zit en hoe hij dit in de toekomst beter kan aanpakken. Daarbij benoemt verdachte dat hij zich sinds deze zaak al veel behoudender opstelt in (seksueel) contact en zich nadrukkelijk rekenschap geeft van de wensen van de ander.

Weging van het voorgaande

Beide bewezenverklaarde verkrachtingen zijn ernstige feiten. Verdachte is op niet mis te verstane wijze over de grenzen van de slachtoffers heen gegaan en hij heeft hen daarbij leed aangedaan.

Dat verkrachtingen ernstige feiten zijn, blijkt ook uit de oriëntatiepunten voor straftoemeting (LOVS), waarin het uitgangspunt bij een verkrachting met een beperkte mate van dwang een gevangenisstraf van 24 maanden is.

Tegelijkertijd heeft het hof in de bewijsoverwegingen vastgesteld dat niet vanaf het eerste contactmoment tussen de verdachte en de slachtoffers sprake was van dwang, maar aanvankelijk van een situatie met wederzijdse instemming tot seksueel contact dan wel het daartoe proberen te verleiden. Die situatie is in beide gevallen omgeslagen in het onvoldoende onderkennen van de grenzen van de ander en het vervolgens tegen de wil van de slachtoffers binnendringen in het lichaam. Die omstandigheden maken dat de beide verkrachtingen zich onderscheiden van het prototype verkrachtingszaak, waarin een dader opzettelijk een nietsvermoedend slachtoffer overrompelt zonder dat daarvoor sprake was van enig consensueel (seksueel) contact tussen beiden. Het hof neemt daarom de hiervoor beschreven oriëntatiepunten daarom niet als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.

Het hof betrekt bij de strafoplegging ook de jeugdige leeftijd van de verdachte ten tijde van de feiten. Verder stelt het hof vast dat de verdenkingen (en de latere strafzaak) aanzienlijke gevolgen hebben gehad voor het privéleven van de verdachte. Zo is er veel aandacht geweest voor deze zaak in het verenigingsleven in [plaats] en de media. De verdachte heeft zijn studie en sociaal netwerk daar moeten achterlaten. In september 2023 is de voorlopige hechtenis van verdachte na iets meer dan 7 maanden geschorst, waarna hij zich jarenlang aan de bijzondere voorwaarden van die schorsing heeft gehouden. Vanaf het moment van invrijheidstelling heeft verdachte zijn leven op een nieuwe plek weer moeten opbouwen. Daaropvolgend is hij – vanwege de aandacht voor de behandeling van de zaak bij de rechtbank – zijn baan kwijt geraakt, waarna hij weer opnieuw heeft moeten beginnen. Deze omstandigheden doen op geen enkele manier af aan de ernst van de feiten en zijn aan de eerdere verkeerde keuzes van de verdachte te wijten. Desalniettemin acht het hof ook deze omstandigheden relevant met het oog op de bepaling van de straf. Daarnaast kent het hof gewicht toe aan het rapport van de reclassering, waarin een gevangenisstraf niet wordt geadviseerd. De reclassering wijst op de (positieve) houding van de verdachte en de aanwezige beschermende factoren, die verloren zullen gaan bij detentie.

Het hof benadrukt dat de strafoplegging verschillende strafdoelen kan dienen, waarbij in iedere individuele strafzaak de nadruk op één of meer strafdoelen kan worden gelegd. In deze strafzaak ziet het hof aanleiding om bij de strafoplegging naast vergelding ook nadrukkelijk oog te houden voor de strafdoelen resocialisatie en speciale preventie. Het hof acht het in dit geval niet geraden om een straf op te leggen die erin resulteert dat de verdachte opnieuw gedetineerd raakt, terwijl hij eerder langere tijd in voorarrest doorbracht en nadien al meer dan drie jaar (onder voorwaarden) in vrijheid heeft doorgebracht. Het hof wil – mede gelet op het advies van de reclassering – ook voorkomen dat verdachte voor een tweede keer in relatief korte tijd al zijn beschermende factoren zoals werk, woning, inkomen en een steunend sociaal netwerk verliest.

Met inachtneming van het voorgaande acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 23 maanden voorwaardelijk passend en geboden. Het hof zal aan de

voorwaardelijke strafoplegging de door de reclassering geadviseerde bijzondere voor-waarden verbinden, te weten: een meldplicht, ambulante behandeling en controle op de beheersing van middelengebruik. Naar het oordeel van het hof wordt de ernst van de bewezenverklaarde feiten met deze strafoplegging voldoende tot uitdrukking gebracht terwijl tegelijkertijd aandacht uitgaat naar de hiervoor omschreven specifieke omstandigheden van het geval.

Het hof stelt vast dat er in hoger beroep sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) met ruim 6 maanden. Het hof zal volstaan met de enkele constatering van de overschrijding van de redelijke termijn. Daarmee is naar het oordeel van het hof, mede gelet op de hiervoor overwogen en op te leggen straf, in deze zaak de inbreuk op artikel 6 van EVRM voldoende gecompenseerd.

Het hof ziet geen aanleiding om - zoals door de advocaat van de slachtoffers is verzocht - een contactverbod op te leggen ten aanzien van beide slachtoffers, omdat niet is gebleken dat de verdachte sinds zijn vrijlating contact met één van hen heeft gezocht.

Conclusie

Alles afwegende zal het hof opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 23 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en de in het dictum omschreven bijzondere voorwaarden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

De benadeelde partij [benadeelde partij 1] heeft in eerste aanleg een vordering ingediend tot schadevergoeding van een bedrag van € 12.923,44, bestaande uit € 423,44 aan materiële schade (eigen risico) en € 12.500,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank heeft de vordering gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 8.423,44, bestaande uit de gehele materiële schade en € 8.000,- aan immateriële schade en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft de vordering in hoger beroep voor het oorspronkelijke bedrag gehandhaafd.

De advocaat van de benadeelde partij heeft ter zitting in hoger beroep naar voren gebracht dat de benadeelde partij nog altijd kampt met PTSS en heeft gewezen op hoofdstuk 14 van de Rotterdamse Schaal. Zij heeft gewezen op de seksuele handelingen die zijn verricht en heeft betoogd dat sprake is van de categorie 'ernstig'.

De raadsman van verdachte heeft het hof gelet op de bepleite vrijspraak primair verzocht om de vordering niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen. Subsidiair heeft de raadsman geen verweer gevoerd ten aanzien van de gevorderde materiële schade en met betrekking tot de immateriële schade betoogd dat het toe te wijzen bedrag moet geworden gematigd tot maximaal € 5.000,-. In dat verband heeft hij gewezen op paragraaf 15.1 onder c van de Rotterdamse Schaal, waarin een verkrachting in de categorie 'tamelijk ernstig' is opgenomen. Hij heeft gewezen op enige predispositie aan de zijde van de benadeelde partijen zegt dat om die reden voorzichtigheid is geboden waar het gaat om de vaststelling van geestelijk letsel.

Oordeel hof

Materiele schade

De raadsman heeft de gevorderde materiele schade niet (inhoudelijk) betwist. Dit deel van de vordering komt het hof niet onrechtmatig of ongegrond voor. Het hof wijst de gevorderde materiële schade dan ook toe.

Op grond van artikel 6:106 aanhef en onder b van het BW kan een benadeelde partij onder meer aanspraak maken op vergoeding van immateriële schade als de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen en/of op andere wijze in haar persoon is aangetast. Het hof stelt vast dat dat het geval is. In dat verband heeft het hof acht geslagen op de aard en ernst van de seksuele handelingen en omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de brief van 28 augustus 2026, opgesteld door de traumatherapeut van de benadeelde partij, [naam] . Zij schrijft dat de benadeelde partij te maken heeft met ernstige angsten, nachtmerries en een vrijwel constant gevoel van onveiligheid en dat deze kenmerken passen bij een posttraumatische stressstoornis, waarvoor de benadeelde partij intensieve en soms dagelijkse therapie heeft gevolgd en vermoedelijk nog jarenlang zou moeten volgen. Op basis van de beschikbare stukken kan worden vastgesteld dat er sprake is van PTSS en kan een aantasting in de persoon 'op andere wijze' worden aangenomen.

Immateriële schade

Bij het bepalen van de omvang van de immateriële schade heeft het hof mede gelet op de Rotterdamse Schaal, waarin voor een verkrachting in de categorie 'tamelijk ernstig' een bandbreedte van € 2.500,- tot € 7.500,- wordt gehanteerd. het hof heeft verder gekeken naar de omstandigheden waaronder de verkrachting heeft plaatsgevonden, de gevolgen die het voor [benadeelde partij 1] heeft gehad en bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen worden opgelegd.

Het hof is, alles afwegende, van oordeel dat aan immateriële schade een bedrag van

€ 8.000,- thans toewijsbaar is, zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Het hof zal het overige deel van de vordering tot immateriële schade niet-ontvankelijk verklaren, omdat nader onderzoek naar de toewijsbaarheid daarvan een onevenredige belasting van het strafproces zou opleveren.

Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 september 2022, tot aan de dag der gehele voldoening. Het hof zal de verdachte, die als de overwegend in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, veroordelen in de kosten en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil.

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het onder 2 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het [benadeelde partij 1] is toegebracht tot een bedrag van € 8.423,44,-. De verdachte is daarvoor tegenover het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk. Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen tot een bedrag van € 8.423,44,-, te vermeerderen met de wettelijke rente op de wijze zoals hiervoor is vermeld, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 67 dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

De benadeelde partij [benadeelde partij 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingediend tot schadevergoeding van een bedrag van € 21.631,14, bestaande uit € 11.631,14 aan materiële schade en € 10.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De materiële schade valt uiteen in

€ 31,14 aan kosten voor het opvragen van medische informatie en € 11.600,- aan studievertraging.

De rechtbank heeft de vordering gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 6.031,14, bestaande uit de gehele materiële schade en € 6.000,- aan immateriële schade en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft de vordering in hoger beroep voor het oorspronkelijke bedrag gehandhaafd.

De advocaat van de benadeelde partij heeft ter zitting in hoger beroep verzocht om de vordering niet-ontvankelijk te verklaren ten aanzien van de schadepost 'studievertraging', omdat de benadeelde partij haar studieachterstand toch heeft weten in te halen. De advocaat heeft erop gewezen dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde handelen psychische schade heeft opgelopen, hierdoor aanvankelijk studievertraging heeft opgelopen en er veel voor heeft moeten laten om dit in te halen. Daarnaast moet zij tijdens sollicitaties een verklaring geven voor het gat op haar cv. Volgens de advocaat zou dit een rol moeten spelen bij het bepalen van de hoogte van de immateriële schade.

De raadsman heeft het hof gelet op de bepleite vrijspraak primair verzocht om de vordering niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen. Subsidiair heeft hij verzocht de vordering ten aanzien van de studievertraging niet-ontvankelijk te verklaren, omdat onvoldoende blijkt dat dit uitsluitend komt door het bewezenverklaarde en nader onderzoek een onevenredige belasting van de strafzaak zou opleveren. De raadsman heeft geen opmerkingen gemaakt over de kosten voor het opvragen van medische informatie. Met betrekking tot de immateriële schade heeft hij betoogd dat een bedrag in de orde van grootte van € 3.000,- tot € 4.000,- passend is. In dat verband heeft hij gewezen op paragraaf 15.1 onder c van de Rotterdamse Schaal, waarin een verkrachting in de categorie 'tamelijk ernstig' is opgenomen en uitspraken van het gerechtshof [plaats] en de rechtbank Zeeland-West-Brabant.

Oordeel hof

Materiele schade

Het hof zal de gevorderde materiele schadevergoeding die ziet op opgelopen studie-vertraging afwijzen. Ter terechtzitting is gebleken dat van studievertraging geen sprake is, zodat evenmin sprake is van daardoor geleden schade.

Voor de kosten voor het opvragen van medische informatie geldt dat de raadsman de vordering niet (inhoudelijk) heeft betwist en dat het hof de vordering op dit punt niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt. Het hof wijst de gevorderde materiële schade daarom toe tot het bedrag van € 31,14.

Immateriële schade

Op grond van artikel 6:106 aanhef en onder b van het BW kan een benadeelde partij onder meer aanspraak maken op vergoeding van immateriële schade als de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen en/of op andere wijze in haar persoon is aangetast. Het hof stelt vast dat dat het geval is. In dat verband heeft het hof acht geslagen op de aard en ernst van de seksuele handelingen en omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de gevolgen hiervan voor de benadeelde partij. In haar slachtofferverklaring in eerste aanleg heeft zij aangegeven dat zij door de verkrachting angstig is, paniek ervaart, last heeft van herbelevingen, concentratieproblemen en zich vaak somber en down voelt. Uit de slachtofferverklaring in hoger beroep blijkt dat het inmiddels gelukkig beter gaat met de benadeelde partij, maar dat neemt niet weg dat het feit voor haar ernstige gevolgen heeft en heeft gehad. Het hof is van oordeel dat de aard en ernst van de normschending en de hiervoor beschreven gevolgen daarvan voor [benadeelde partij 2] in de huidige zaak meebrengen dat een aantasting in de persoon 'op andere wijze' kan worden aangenomen.

Bij het bepalen van de omvang van de immateriële schade heeft het hof mede gelet op de Rotterdamse Schaal, waarin voor een verkrachting in de categorie 'tamelijk ernstig' een bandbreedte van € 2.500,- tot € 7.500,- wordt gehanteerd. Het hof heeft verder gekeken naar de omstandigheden waaronder de verkrachting heeft plaatsgevonden en bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen worden opgelegd.

Het hof is, alles afwegende, van oordeel dat aan immateriële schade een bedrag van

€ 6.000,- thans toewijsbaar is, zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Het hof zal het overige deel van de vordering tot immateriële schade niet-ontvankelijk verklaren, omdat nader onderzoek naar de toewijsbaarheid daarvan een onevenredige belasting van het strafproces zou opleveren.

Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 januari 2022, tot aan de dag der gehele voldoening. Het hof zal de verdachte, die als de overwegend in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, veroordelen in de kosten en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil.

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het onder 3 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het [benadeelde partij 2] is toegebracht tot een bedrag van € 6.031,14,-. De verdachte is daarvoor tegenover het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk. Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen tot een bedrag van € 6.031,14,-, te vermeerderen met de wettelijke rente op de wijze zoals hiervoor is vermeld, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 55 dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

Wetsartikelen

De straf en maatregel zijn gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 240b en 242 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart zowel het door de officier van justitie als het namens de verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 4 tenlastegelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 primair en 3 primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 23 (drieëntwintig) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel gedurende de proeftijd de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd:

- Veroordeelde meldt zich bij [instelling] op het adres [adres] . Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.

- Veroordeelde laat zich behandelen door [instelling] of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling.

- Veroordeelde werkt gedurende de proeftijd mee aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en/of verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs), en/of lijst II (softdrugs) en/of en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.

Van rechtswege gelden hierbij als voorwaarden dat de verdachte:

- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

- meewerkt aan het hierna te noemen reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dat noodzakelijk vindt;

Geeft opdracht dat de reclassering toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan begeleidt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 8.423,44 (achtduizend vierhonderddrieëntwintig euro en vierenveertig cent) bestaande uit € 423,44 (vierhonderddrieëntwintig euro en vierenveertig cent) materiële schade en € 8.000,00 (achtduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging te maken kosten, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 8.423,44 (achtduizend vierhonderddrieëntwintig euro en vierenveertig cent) bestaande uit € 423,44 (vierhonderddrieëntwintig euro en vierenveertig cent) materiële schade en

€ 8.000,00 (achtduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 67 (zevenenzestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 16 september 2022.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] ter zake van het onder 3 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 6.031,14 (zesduizend eenendertig euro en veertien cent) bestaande uit € 31,14 (eenendertig euro en veertien cent) materiële schade en € 6.000,00 (zesduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst af de gevorderde schade die ziet op opgelopen studievertraging.

Verklaart de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging te maken kosten, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 2] , ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 6.031,14 (zesduizend eenendertig euro en veertien cent) bestaande uit € 31,14 (eenendertig euro en veertien cent) materiële schade en € 6.000,00 (zesduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 55 (vijfenvijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 22 januari 2022.

Dit arrest is gewezen door mr. J.L.F. Groenhuijsen, mr. R.H. Koning en

mr. D. Stikkelbroeck, in aanwezigheid van de griffier mr. T.G. Remmink en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 1 oktober 2026.

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 1 oktober 2026.

Tegenwoordig:

mr. J.L.F. Groenhuijsen voorzitter,

mr. C.C.M. Poland, advocaat-generaal,

mr. N.D. Mavus-ten Elshof, griffier.

De voorzitter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De voorzitter spreekt het arrest uit.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand