GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
De beslissing van de kantonrechter
zittingsplaats Leeuwarden
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 12 september 2025, betreffende
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is M.J.M. Bergers, kantoorhoudende te Maastricht.
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De beoordeling
De gedraging 1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 160,- voor: “als bestuurder of passagier geen gebruik maken van een autogordel”. Deze gedraging zou zijn verricht op 14 augustus 2023 om 11.29 uur op de Dorpsstraat in Nieuwerkerk aan den IJssel met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de betrokkene de gedraging ontkent.
3. Een enkele ontkenning van de gedraging leidt niet tot twijfel aan de juistheid van de gegevens in het dossier. Het hof stelt dan ook vast dat de gedraging is verricht. Het hof zal vervolgens beoordelen of er andere redenen zijn om de sanctie achterwege te laten of het bedrag van de sanctie te matigen.
De overschrijding van de redelijke termijn van berechting 4. De gemachtigde voert aan dat de kantonrechter het bedrag van de sanctie ten onrechte niet heeft gematigd met 25 procent. De uitspraak heeft langer dan twee jaar op zich laten wachten. Hij verwijst naar het arrest van het hof van 28 juli 2023.
De beslissing van de kantonrechter
5. De kantonrechter heeft geconstateerd dat de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in eerste aanleg is overschreden. In afwijking van het voornoemde arrest is echter volstaan met deze constatering. De kantonrechter heeft hiertoe – kort samengevat – overwogen dat inmiddels “de strafrechtelijke lijn” ook buiten het strafrecht, in ieder geval in het belastingrecht, geldt, waarbij wordt volstaan met de vaststelling van de overschrijding van de termijn als het in geding zijnde financieel belang onder de € 1000,- is en de overschrijding van de termijn minder dan twaalf maanden is. De lijn in het arrest van het hof is daarmee minder goed verenigbaar geworden. Dit geldt temeer omdat in Mulderzaken ook sprake is van het in de rechtspraak van de Hoge Raad aangestipte fenomeen van procedures die eerst en vooral worden gevoerd met het oog op verkrijging van de proceskostenvergoeding die is verbonden aan materiële compensatie van de overschrijding van de redelijke termijn.
Het standpunt van de advocaat-generaal
6. De advocaat-generaal heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat recente ontwikkelingen in het bestuursrecht aanleiding zouden moeten geven om de lijn van het hof te heroverwegen. Ter onderbouwing zijn verschillende uitspraken aangehaald. In het strafrecht geldt het uitgangspunt dat een boete onder de € 1000,- niet wordt verminderd als de redelijke termijn van berechting met niet meer dan twaalf maanden is overschreden. In het belastingrecht gold dit ook al enige tijd bij bestuurlijke fiscale boetes, maar inmiddels heeft de Hoge Raad ook bij fiscale beschikkingen aansluiting gezocht bij het strafrecht en wordt bij een financieel belang van minder dan € 1000,- volstaan met de constatering dat de termijn is overschreden als die minder dan twaalf maanden is. De advocaat-generaal verwijst verder naar rechtspraak waarin de Hoge Raad overweegt dat in sterk toenemende mate belastingprocedures over een belang van meer dan de (eerder) vastgestelde grens van € 15,- werden gevoerd in de hoop en verwachting een vergoeding van immateriële schade en daaraan gekoppelde proceskostenvergoeding te krijgen bij overschrijding van de redelijke termijn. De Centrale Raad van Beroep heeft inmiddels aansluiting gezocht bij deze rechtspraak van de Hoge Raad. Ook bij de Centrale Raad van Beroep worden in toenemende mate procedures gevoerd over een relatief gering financieel belang in de hoop en verwachting een vergoeding van immateriële schade en daaraan gekoppelde proceskostenvergoeding te krijgen bij overschrijding van de redelijke termijn.
7. Volgens de advocaat-generaal moet bij voornoemde lijn in het strafrecht en bestuursrecht worden aangesloten omdat ook in Wahv-procedures in toenemende mate wordt geprocedeerd met het oog op het verkrijgen van een proceskostenvergoeding. Soms is de enige grond die wordt aangevoerd de overschrijding van de redelijke termijn. De huidige lijn van het hof is gebaseerd op de overweging dat verondersteld mag worden dat rechtszoekenden gevoelens van onbehagen, irritatie en frustratie ondervinden bij de overschrijding van de redelijke termijn. Daar valt tegenin te brengen dat deze gevoelens ook in andere procedures ervaren kunnen worden. De advocaat-generaal stelt dat het hof ambtshalve bekend zal zijn dat door no cure, no pay-bedrijven soms wordt doorgeprocedeerd zonder dat de betrokkene dat weet en dan spelen die gevoelens in het geheel niet. Zowel in strafzaken als bij bestuurlijke boetes en beschikkingen is nu het uitgangspunt dat geen vermindering van het bedrag van de sanctie plaatsvindt als de boete minder dan € 1000,- is. De rechtseenheid is er niet mee gediend als bij sancties op grond van de Wahv het sanctiebedrag, dat altijd lager is dan € 1000,-, wel verminderd wordt. Het eigenstandige karakter van de Wahv is geen rechtvaardiging voor het handhaven van de huidige lijn. Eén van de doelstellingen van de Wahv, het terugdringen van de werklast van onder meer het openbaar ministerie en de rechtspraak, is niet gediend met deze jurisprudentie. Deze lijn heeft immers een aanzuigende werking. Hoe meer beroepen ingesteld worden, hoe meer het openbaar ministerie en de rechtspraak belast worden, waardoor de kans op berechting binnen de redelijke termijn afneemt als de capaciteit van het openbaar ministerie en de rechtspraak niet evenredig toenemen. Daarbij wordt opgemerkt dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) zich niet verzet tegen het volstaan met de enkele vaststelling van schending van de redelijke termijn wanneer deze termijn is overschreden.
Het standpunt van de gemachtigde
8. De gemachtigde heeft op het verweerschrift gereageerd en onder meer gesteld dat hij dagelijks vragen ontvangt waarom de procedure zo lang duurt. Hij heeft correspondentie bijgevoegd waarmee de betrokkene op de hoogte wordt gehouden over de procedure. Hij verwijst verder naar het rapport van het WODC over de evaluatie van de Wahv en wil benadrukken dat het WODC bedoelt dat oneigenlijk gebruik wordt gemaakt van de bevoegdheid boetebedragen vast te stellen, wat het vertrouwen in de overheid en het draagvlak voor handhaving van verkeersrecht kan aantasten. De gemachtigde merkt verder op dat het niet alle rechtsbijstandsverleners te doen is om proceskostenvergoeding. Die proceskostenvergoeding is bovendien al versoberd.
Het oordeel van het hof 9. Niet ter discussie staat dat de redelijke termijn van berechting van twee jaar in eerste aanleg met iets minder dan een maand is overschreden. De vraag die voorligt is welke consequentie daaraan moet worden verbonden.
10. In het arrest van 28 juli 2023, waartegen een vordering tot cassatie in het belang der wet is ingesteld, heeft het hof in overweging 15 overwogen dat “in zaken als deze mag worden verondersteld dat rechtzoekenden gevoelens van onbehagen, irritatie en frustratie ondervinden bij de overschrijding van de redelijke termijn van berechting. Van de rechtzoekende wordt bijvoorbeeld (wel) verlangd dat hij zekerheid stelt voor de betaling van de sanctie en zich houdt aan de voor hem geldende termijnen, bedoeld om de voortgang van de procedure te garanderen. Indien hij dat niet doet, worden daaraan (grote) gevolgen verbonden. Een compensatie die slechts bestaat uit de enkele vaststelling dat de redelijke termijn van berechting is overschreden, doet naar het oordeel van het hof inmiddels in het algemeen aan deze gevoelens onvoldoende recht.” Deze argumenten gelden nog steeds. Het hof ziet geen aanleiding om de lijn waarbij het sanctiebedrag wordt gematigd bij overschrijding van de redelijke termijn van berechting los te laten en overweegt daartoe als volgt.
11. Bij de beoordeling welke termijn van berechting redelijk is, zijn verschillende factoren van belang. Daarbij gaat het onder meer om de ingewikkeldheid van de zaak, de proceshouding van de partijen en de voortvarendheid van de bestuurlijke en rechterlijke autoriteiten. Daarnaast is de vraag, ingeval er van zodanige overschrijding sprake is, welke compensatie gerechtvaardigd is in verband met de bij rechtszoekenden levende gevoelens van onbehagen, irritatie en frustratie. In het licht van deze factoren maakt het hof bij sancties op grond van de Wahv een andere afweging dan de afweging in de jurisprudentie in andere soorten procedures waar door de kantonrechter en de advocaat-generaal naar is verwezen.
12. Het hof stelt voorop dat voor elk van deze procedures geldt dat in beginsel een termijn van berechting van ten hoogste twee jaar als redelijk wordt beschouwd. Ten opzichte van de andere procedures zijn procedures met betrekking tot sancties op grond van de Wahv echter in overgrote mate relatief eenvoudig. Daarom moeten die snel(ler) kunnen worden afgedaan. Als dat niet gebeurt, kunnen er eerder gevoelens van onbehagen, irritatie en frustratie verondersteld worden, ook al is het financieel belang minder dan € 1000,- en de redelijke termijn met minder dan twaalf maanden overschreden. Rechtszoekenden zullen simpelweg niet kunnen begrijpen waarom het zo lang moet duren totdat de officier van justitie en de rechter een beslissing nemen over hun bezwaren tegen de opgelegde sanctie. Daar komt bij dat de door de regelgever regelmatig vastgestelde verhogingen van de sanctiebedragen de gevoelens van onbehagen, irritatie en frustratie kunnen versterken. Bovendien is in elke Wahv-procedure het financieel belang minder dan € 1000,-. In strafrechtelijke procedures is de bandbreedte van boetebedragen veel groter (zie artikel 23 van het Wetboek van Strafrecht). Ook de boetebedragen waar andere bestuursrechters over beslissen kennen een andere bandbreedte dan de boetes van de Wahv. In dat licht moet de grens van € 1000,- anders worden beoordeeld. Het hof wijst er verder nog op dat in Wahv-zaken geen sprake is van verjaring, zodat er ook niet op een andere manier een consequentie is als de procedure niet voortvarend verloopt. De enkele vaststelling dat de redelijke termijn van berechting is overschreden, is daarmee een onvoldoende compensatie voor de gevoelens van onbehagen, irritatie en frustratie.
13. Deze beoordeling van de redelijke termijn en de gevolgen van de overschrijding daarvan wijkt weliswaar af van de beoordeling daarvan in andere (boete)zaken, maar de rechtspraak van de Hoge Raad laat ruimte aan de feitenrechter voor het bepalen van de compensatie bij vaststelling van de overschrijding van de redelijke termijn van berechting. In Wahv-zaken hanteerde de Hoge Raad een financiële compensatie (van 60%).
14. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de kantonrechter ten onrechte het bedrag van de sanctie niet met 25 procent heeft gematigd. Het hof zal dat daarom alsnog doen.
De proceskostenvergoeding 15. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. De matiging van het sanctiebedrag vindt uitsluitend zijn grondslag in de overschrijding van de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg. De proceskosten gemaakt in de fase van het administratief beroep komen niet voor vergoeding in aanmerking (vergelijk overweging 26 van voormeld arrest van het hof van 28 juli 2023).
16. De gemachtigde voert aan dat een instapvergoeding van € 12,99 niet een symbolisch bedrag is dat gelijk te stellen is aan het optreden op basis van no cure, no pay.
17. Voor zover de gemachtigde met het voorgaande stelt dat het bepaalde in artikel 13a, tweede lid, van de Wahv buiten toepassing moet worden gelaten, overweegt het hof dat deze grond geen doel treft. Daarbij verwijst het hof kortheidshalve naar de arresten van 3 november 2025, 7 mei 2026 en 18 augustus 2026.
18. Aan het indienen van een beroepschrift bij de kantonrechter, een hoger beroepschrift en een nadere toelichting daarop dienen in totaal 2,5 punten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het (hoger) beroep € 934,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Omdat de beslissing van de officier van justitie en de beslissing van de kantonrechter na 31 december 2023 zijn bekendgemaakt, wordt het bedrag van de in de procedure bij de kantonrechter en in hoger beroep gemaakte kosten op grond van artikel 13a, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wahv vermenigvuldigd met factor 0,25. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 291,88 (= 2,5 x € 934,- x 0,5 x 0,25).
De beslissing
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond;
wijzigt de inleidende beschikking in zoverre dat het sanctiebedrag wordt gewijzigd in € 120,-;
bepaalt dat als de betrokkene op grond van artikel 11 van de Wahv teveel zekerheid heeft gesteld, het meerdere door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 291,88.
Dit arrest is gewezen door mrs. Beswerda, Van Schuijlenburg en Willems-Keekstra, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.