[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1982 in Groningen,
op dit moment verblijvende in [Justitieel complex] te [plaats] .
Hoger beroep
Betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland.
Onderzoek van de zaak
Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 14 augustus 2026 en wat er op de zitting bij de rechtbank besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat betrokkene en zijn raadsvrouw, mr. S.A. Heukers, hebben aangevoerd.
De beslissing
Het hof verenigt zich niet met de beslissing. Daarom vernietigt het hof de beslissing en zal het opnieuw recht doen.
Vordering
Het openbaar ministerie heeft schriftelijk gevorderd dat het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vastgesteld op € 513.482,66 . Daarnaast heeft het openbaar ministerie gevorderd dat aan betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van datzelfde bedrag.
In hoger beroep heeft het openbaar ministerie gevorderd dat het bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op € 483.482,66 en dat betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van datzelfde bedrag. De advocaat-generaal heeft zich aangesloten bij de berekening in het Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 7 januari 2025 en heeft een bedrag van € 30.000,- aan drank en sigaretten ten behoeve van [slachtoffer] in mindering gebracht op het berekende wederrechtelijk verkregen voordeel van € 513.482,66.
De raadsvrouw heeft bepleit dat het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vastgesteld op een bedrag van € 58.225,85. In haar pleitnota heeft zij een alternatieve berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel gepresenteerd. Daarbij sluit zij aan bij de door de rechtbank bewezenverklaarde periode van de seksuele uitbuiting ten opzichte van [slachtoffer] in de strafzaak. Verder gaat de raadsvrouw uit van een lagere opbrengst door [slachtoffer] uit haar prostitutiewerkzaamheden en komen er volgens haar meer kosten voor aftrek in aanmerking dan de kosten die de rechtbank op het wederrechtelijk verkregen voordeel in mindering heeft gebracht, zoals de kosten die zijn gemaakt voor uit eten gaan en voor de huisdieren van [slachtoffer] .
Vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Betrokkene is bij arrest van dit hof van 10 september 2026 veroordeeld voor mensenhandel – bestaande uit seksuele uitbuiting – ten opzichte van [slachtoffer] , gepleegd in de periode van 14 oktober 2012 tot en met 13 maart 2024. Het hof heeft daarbij een gevangenisstraf van 4 jaar (met aftrek van voorarrest) opgelegd.
Het hof leidt uit de inhoud van wettige bewijsmiddelen af dat betrokkene geld heeft verdiend met de bewezen verklaarde mensenhandel in de strafzaak ten opzichte van het slachtoffer [slachtoffer] . Zoals gezegd, heeft het hof in de strafzaak bewezen verklaard dat verdachte [slachtoffer] in de periode van 14 oktober 2012 tot en met 13 maart 2024 seksueel heeft uitgebuit. Bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal het hof daarom – in afwijking van het Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 7 januari 2025 (hierna: het Rapport) – van deze (iets) kortere periode uit gaan. Verder zal het hof voor een groot deel aansluiting zoeken bij de berekening in voornoemd rapport, maar op onderdelen ook de berekening van de raadsvrouw volgen zoals zij deze in haar pleitnota heeft weergegeven.
Het hof berekent het wederrechtelijk verkregen voordeel op de volgende manier.
Bij de berekening van de opbrengst uit de prostitutiewerkzaamheden door [slachtoffer] zal het hof zich voor wat betreft de periodes 3 en 5 aansluiten bij de berekening in het Rapport, te weten een opbrengst van € 2.000,- per week. Ten aanzien van de periodes 2 en 4 – te weten de periodes waarin er een lockdown van kracht was vanwege de uitbraak van het coronavirus – sluit het hof zich aan bij de berekening van de raadsvrouw op pagina 12 van haar pleitnota. Het hof acht het voldoende aannemelijk geworden dat [slachtoffer] in deze periodes minder klanten heeft gehad. Voor wat betreft periode 1 hanteert het hof een iets andere berekening dan in het Rapport en de pleitnota. Het hof acht aannemelijk geworden dat [slachtoffer] in deze (begin)periode minder verdiende dan in de periodes 3 en 5 en gaat uit van een opbrengst van € 1.500,- per week. [slachtoffer] heeft zelf verklaard dat zij in de beginperiode 50 euro voor een half uur vroeg en 100 euro voor een uur en dat zij pas later 150 euro per uur aan klanten is gaan vragen. In totaal omvat periode 1 niet 373 weken zoals in het Rapport staat, maar 352 weken omdat – zoals gezegd – de bewezenverklaarde periode in de strafzaak korter is dan de in het Rapport genoemde periode.
Het hof berekent de opbrengst – gelet op het voorgaande – als volgt:
Periode 1: € 528.000,-
Periode 2: € 7.840,-
Periode 3: € 32.000,-
Periode 4: € 14.880,-
Periode 5: € 270.000,- +
Totale opbrengst: € 852.720,-
Het hof merkt hierbij nog op dat niet aannemelijk is geworden dat [slachtoffer] in de gehele periode minder heeft verdiend dan het bedrag van € 2.000,- per week waarmee in het Rapport rekening is gehouden in de periodes waarin geen lockdown van kracht was. De schatting betreft dus het bedrag dat [slachtoffer] in elk geval heeft verdiend in die periode. Het hof wijst in het bijzonder op het proces-verbaal van bevindingen op dossierpagina 235, waarin wordt gerelateerd dat een collega-prostituee van [slachtoffer] heeft verklaard dat [slachtoffer] minimaal 10 klanten per dag ontving en minstens 500 euro per dag zou verdienen. Ook uit overige bewijsmiddelen – zoals camerabeelden – volgt dat [slachtoffer] dagelijks veel klanten ontving.
Anders dan in het Rapport staat vermeld, ziet het hof geen aanleiding om het genoemde bedrag van € 29.204,40 aan profijtvoordeel (vanwege de besparing van autokosten) bij de opbrengst op te tellen. De kosten voor de auto’s zijn betaald van de bankrekening van [slachtoffer] kort nadat er contante stortingen zijn gedaan en het hof zal – zoals hierna zal blijken – de post “contante stortingen min opnames” niet in aftrek brengen op het voordeel.
Op de totale opbrengst van € 852.720,- dienen verschillende (kosten)posten in mindering te worden gebracht om het wederrechtelijk verkregen voordeel te kunnen berekenen. Het gaat dan om kosten die zijn gemaakt zodat [slachtoffer] haar prostitutiewerk kon doen en om kosten die ten bate van [slachtoffer] zelf zijn gemaakt, zoals de kosten voor haar huisdieren.
Bij de berekening van de kosten neemt het hof de ontvangen bedragen van [naam] en [naam] (een bedrag van in totaal € 6.200,-) over uit het Rapport. Ten aanzien van de woonlasten gaat het hof uit van het volgende: de bewezenverklaarde periode beslaat een periode van 137 maanden. Op basis van het Rapport stelt het hof de woonlasten op € 1.000,- per maand en op € 900,- per maand gedurende de tijd dat betrokkene in die periode gedetineerd zat. De totale duur van de detentie in die periode bedroeg 16 maanden. Het totaal van de woonlasten bedraagt dan (121 x 1.000 + 16 x 900 =) € 135.400,-. De helft daarvan is € 67.700,-.
De kosten voor eerste levensbehoeften zijn in het Rapport berekend op € 26.248,59. Volgens de verdediging moet hier een bedrag van € 26.910,- bij op worden geteld omdat uit het dossier blijkt dat betrokkene en [slachtoffer] vaak uit eten gingen of eten hebben afgehaald. Naar het oordeel van het hof is voldoende aannemelijk geworden dat betrokkene en [slachtoffer] in de periode van 14 oktober 2012 tot en met 13 maart 2024 geregeld uit eten gingen of eten hebben afgehaald. Het hof zal het bedrag dat voor eerste levensbehoeften moet worden afgetrokken daarom op een hoger bedrag vaststellen dan in het Rapport. Het hof zal dit bedrag schatten op € 38.000,- mede gelet op wat de raadsvrouw in haar pleitnota over de kosten voor eerste levensbehoeften heeft vermeld.
Het hof is verder – met de raadsvrouw – van oordeel dat een hoger bedrag aan kosten voor alcohol, drugs en roken voor aftrek in aanmerking komt dan het bedrag van € 30.000,- dat door de rechtbank is genoemd in de ontnemingsbeslissing. Het hof schat deze kostenpost op € 40.000,-.
Het hof acht voldoende aannemelijk geworden dat er in de genoemde periode ook kosten zijn gemaakt voor de huisdieren van [slachtoffer] . Deze kosten komen ook voor aftrek in aanmerking. Net als de raadsvrouw, berekent het hof deze kosten op € 8.700,-.
De kosten voor de huur van de peeskamer berekent het hof – ook met de raadsvrouw – op
€ 303.350,-.
Tot slot zal het hof de kosten voor condooms, glijmiddel, vervoer en de boekhouder berekenen op 5% van de opbrengst. Omdat het hof van een totale opbrengst van € 852.720,- is uitgegaan, worden voornoemde kosten berekend op een bedrag van € 42.636,-.
Gelet op al het voorgaande gaat het hof van de volgende aftrekposten uit die in mindering moeten worden gebracht op de opbrengst:
Woonkosten: € 67.700,-
Ontvangen bedragen: € 6.200,-
Eerste levensbehoeften: € 38.000,-
Alcohol, drugs en roken: € 40.000,-
Huisdieren: € 8.700,-
Huur peeskamer: € 303.350,-
Condooms etc.: € 42.636,- +
Totaal: € 506.586,-
Het hof zal de in het Rapport genoemde aftrekpost “contante stortingen min opnames” niet meenemen in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel omdat uit het dossier volgt dat de bankrekening van [slachtoffer] in de genoemde periode grotendeels door betrokkene werd beheerd. Betrokkene beschikte ook over haar bankpas. Het hof acht aannemelijk dat het in het Rapport genoemde bedrag van € 87.683,15 voor een groot deel ten bate van betrokkene is gekomen.
Het wederrechtelijk verkregen voordeel kan nu als volgt worden berekend:
€ 852.720,- (totale opbrengst) minus € 506.586,- (het totaal aan aftrekposten) = € 346.134,-.
Omdat het hof ervan uit gaat dat er – afgezien van de hiervoor genoemde aftrekposten – ook andere gebruikelijke huishoudelijke kosten (waaronder die voor de verhuizingen) zijn gemaakt, zal het hof nog een bedrag in mindering brengen op het bedrag van
€ 346.134,-. Na aftrek van deze overige huishoudelijke kosten komt het hof schattenderwijs tot een wederrechtelijk verkregen voordeel van € 330.000,-.
Verplichting tot betaling aan de Staat
Het hof zal de verplichting tot betaling aan de Staat ook vaststellen op dit bedrag van
€ 330.000,-.
Wetsartikelen
De maatregel is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Dit voorschrift is toegepast zoals het gold op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 330.000,00 (driehonderddertigduizend euro).
Legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 330.000,00 (driehonderddertigduizend euro).
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen.
Deze uitspraak is gewezen door mr. J.D. den Hartog, mr. M.C. Fuhler en mr. M.L. Plas,
in aanwezigheid van de griffier mr. R. Jansen en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 10 september 2026 (zittingsplaats Arnhem).
Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 10 september 2026 (zittingsplaats Arnhem).
Tegenwoordig:
mr. J.D. den Hartog, voorzitter,
mr. J. Zeilstra, advocaat-generaal,
mr. B. van Leeuwen, griffier.
De voorzitter doet de zaak uitroepen.
De betrokkene is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.
De voorzitter sluit het onderzoek en spreekt het arrest uit.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.