[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1963 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 18 september 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de politierechter.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. O.A. van Oorschot, hebben aangevoerd.
Het vonnis
Bij het hierboven genoemde vonnis, waartegen het hoger beroep is gericht, heeft de politierechter:
Het hof legt aan verdachte een andere straf op. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.
Tenlastelegging
Op de zitting bij het hof is de tenlastelegging gewijzigd. Aan verdachte is na deze wijziging ten laste gelegd dat:
primairhij op of omstreeks 15 mei 2024 te [plaats] , gemeente [gemeente] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen [benadeelde] heeft mishandeld door die [benadeelde] met kracht tegen het lichaam te duwen en/of meermalen tegen het lichaam te slaan.subsidiairhij op of omstreeks 15 mei 2024 te [plaats] , gemeente [gemeente] , een ander, te weten [benadeelde] , door geweld of enige andere feitelijkheid en/ofdoor bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die ander en/ofeen of meer derden, wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen en/of te dulden, door die [benadeelde] met kracht tegen het lichaam te duwen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsoverweging primair ten laste gelegde mishandeling
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder primair ten laste gelegde mishandeling wettig en overtuigend bewezen kan worden, in de vorm van het met kracht duwen tegen het lichaam van aangever. Verdachte moet partieel worden vrijgesproken van het medeplegen en slaan.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van mishandeling. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat het duwen van verdachte geen hevige onlust veroorzakende gewaarwording of enige vorm van ongenoegen bij aangever heeft teweeggebracht. Uit het dossier blijkt niet dat aangever onlust heeft ervaren.
Oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat het door verdachte en de raadsman gevoerde verweer, strekkende tot vrijspraak van mishandeling wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze hieronder zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.
Feiten en omstandigheden
Uit de aangifte blijkt dat aangever op 15 mei 2024 aan het werk was als docent op [de middelbare school] in [plaats] . Hij hoorde op enig moment dat verdachte aan het schelden was. Aangever is er naartoe gegaan en heeft verdachte gevraagd het pand te verlaten. Verdachte bleef echter bulderen en schelden. Nadat hij tegen verdachte nogmaals zei dat hij het pand moest verlaten, liep verdachte in de richting van de uitgang. Aangever is daarbij achter verdachte aan gelopen. Verdachte liep echter de uitgang voorbij. Aangever zei verdachte waar de uitgang bevond en wees hem in die richting. Vervolgens zag hij dat verdachte recht op hem af kwamlopen. Toen verdachte bij hem kwam, duwde verdachte hem met twee handen tegen zijn borst. Aangever werd naar achteren geduwd.
Verdachte heeft op de zitting van het hof verklaard aangever te hebben geduwd op 15 mei 2024. Uit de beschrijving van de camerabeelden van de school, die op de zitting van het hof zijn afgespeeld, blijkt dat verdachte aangever een krachtige duw heeft gegeven. Dit volgt ook uit de ter zitting van het hof bekeken beelden waarop te zien is dat aangever na de duw van verdachte achteruit beweegt.
Onder ‘mishandeling’ in de zin van artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht moet worden verstaan het opzettelijk aan een ander toebrengen van lichamelijk letsel of pijn, het opzettelijk benadelen van de gezondheid alsmede - onder omstandigheden - het bij een ander teweegbrengen van een min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam, een en ander zonder dat daarvoor een rechtvaardigingsgrond bestaat.
Het hof is van oordeel dat de door verdachte aan aangever gegeven krachtige duw tegen de borst is te zien als een handeling die een hevige onlust veroorzakende gewaarwording in de hiervoor bedoelde zin heeft veroorzaakt. Dat aangever, zoals de verdediging heeft betoogd, dat over die duw niet expliciet heeft verklaard, maakt dat niet anders. Hierbij is van belang dat de door verdachte uitgedeelde duw moet worden beoordeeld in de context van de hele gebeurtenis waarin verdachte hoog in zijn emotie verkerend een hoop kabaal maakte in het schoolgebouw waarin aangever als docent hem tot bedaren trachtte te brengen en hem naar de uitgang wilde dirigeren. Wellicht liep verdachte in zijn boosheid de uitgang voorbij maar in plaats van in de op dat moment door aangever aangegeven richting te vertrekken, is op de beelden te zien dat verdachte op aangever instapt en hem een duw geeft. Verdachte had op dat moment de ruimte om aangever te mijden en zelf naar de uitgang te lopen. Onder deze omstandigheden is de duw als daad van agressie te zien en is zonder meer aan te nemen dat dat een hevige onlust opwekkende gewaarwording voor aangever heeft opgeleverd.
Daarna heeft zich weliswaar een verder gaande schermutseling tussen verdachte en aangever afgespeeld maar die is voor de beoordeling van dit moment van deze duw niet relevant. Die duw was immers al gegeven.
Partiële vrijspraak medeplegen en slaan
Het hof heeft uit het strafdossier en het onderzoek op de zitting niet de overtuiging gekregen dat verdachte aangever heeft geslagen en dat hij het tenlastegelegde tezamen en in vereniging met een ander heeft gepleegd. Het hof zal verdachte daarom van deze onderdelen van de tenlastelegging vrijspreken.
Bewijsmiddelen
1. Het proces-verbaal van de zitting van het hof van 18 september 2026, inhoudende verklaring van verdachte:
Ik heb aangever geduwd op 15 mei 2024.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 21 mei 2024, opgenomen op pagina 8 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2024133397 d.d. 25 augustus 2024, inhoudende als verklaring van [benadeelde] :
Ik ben docent op [de middelbare school] gevestigd aan de [locatie] te
[plaats] . Op woensdag 15 mei 2024 was ik aan het werk. Ik zag en hoorde dat hij (het hof: verdachte) bleef bulderen en schelden. Ik zei nog een keer dat hij het pand moest verlaten. [verdachte] liep in de richting van de uitgang maar liep deze voorbij. Ik zei toen tegen hem "daar is de uitgang” en wees hierbij naar de uitgang. Ik zag dat hij zich omdraaide en zich tot mij richtte. Ik zag dat hij op mij af kwam. Ik zag dat hij recht op mij af kwam. Toen hij bij mij was duwde hij met twee handen tegen mijn borst en duwde mij naar achteren.
3. Een opname van beeld, als bedoeld in artikel 567 van het Wetboek van Strafvordering, te weten camerabeelden van [de middelbare school] , met als bestandsnaam ‘VID-20240515-WA0026’, inhoudende:
Het betreft een opname van beeld van 15 mei 2024. Te zien is dat verdachte aan komt lopen in de school. De deur van de toiletten gaat open. Verdachte loopt naar het toilet en gaat daar naar binnen. Vervolgens komen aangever en zijn collega [collega] aangelopen en komt verdachte uit het toilet. Verdachte zegt iets tegen [collega] . Er wordt over en weer gepraat. Verdachte doet zijn handen omhoog en wijst met zijn vinger naar [collega] . Er is een discussie gaande. Daarna loopt verdachte weg in de richting van de uitgang en loopt aangever achter hem aan. Kort daarna stopt verdachte en draait hij zich om richting aangever en [collega] en doet beide armen omhoog. Vervolgens stapt verdachte op [collega] af en komt aangever ertussen. Aangever maakt een gebaar naar de uitgang en zegt dat verdachte naar buiten moet. Daarna loopt verdachte voorop richting de uitgang, gevolgd door aangever en [collega] . Aangever wijst met zijn rechterarm richting de uitgang van de school aan de rechterkant. Verdachte loopt rechtdoor de uitgang voorbij en aangever wijst nog eens opzij, waarna verdachte zich omdraait. Verdachte zet een stap in de richting van aangever, komt zijn kant op en geeft aangever een duw waardoor aangever achteruit beweegt. Aangever staat op het moment dat verdachte naar hem toestapt en op het moment van de duw niet tussen verdachte en de uitgang. De weg naar de uitgang was vrij voor aangever.
Bewezenverklaring
Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
primairhij op 15 mei 2024 te [plaats] , gemeente [gemeente] [benadeelde] heeft mishandeld door die [benadeelde] met kracht tegen het lichaam te duwen.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het primair bewezenverklaarde levert op:
mishandeling.
Strafbaarheid van verdachte
Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.
Oplegging van straf
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een taakstraf van 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft aangegeven dat een veroordeling negatieve gevolgen voor verdachte zal hebben op zakelijk vlak. Verdachte verhuurt panden aan de overheid, waarvoor hij een Verklaring omtrent het Gedrag (VOG) moet overleggen.
Oordeel van het hof
Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van een docent op een middelbare school, in bijzijn van personeel en leerlingen. Aangever probeerde de rust en orde op de school te bewaren tegen verdachte die als boze ouder de school was binnengedrongen. Hoewel het voorstelbaar is dat verdachte geëmotioneerd en gefrustreerd was omdat zijn dochter werd gepest, rechtvaardigt dat zijn gedrag niet. Door te handelen zoals hij heeft gedaan heeft verdachte het gezag dat aangever als docent binnen de school toekomt ondermijnd en heeft hij geen respect getoond voor de lichamelijke integriteit van aangever.
Persoon van verdachte
Uit het strafblad van verdachte van 19 augustus 2026 blijkt dat hij niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor enig strafbaar feit.
Het hof houdt bij de strafoplegging tevens rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals door de raadsman en verdachte naar voren gebracht op de zitting van het hof. Verdachte is gestopt met werken om te kunnen zorgen voor zijn zieke vrouw. Verder is gebleken dat verdachte inkomsten genereert door de verhuur van panden.
Op te leggen straf
Gelet op de aard en ernst van het feit kan naar het oordeel van het hof in beginsel niet worden volstaan met een lichtere strafmodaliteit dan een taakstraf. Echter, gelet op het blanco strafblad van verdachte en rekening houdend met verdachtes persoonlijke omstandigheden, ziet het hof aanleiding om die in voorwaardelijke zin op te leggen. Alles afwegende, acht het hof passend en geboden, de oplegging van een voorwaardelijke taakstraf van 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis, met een proeftijd van één jaar.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 400,00 ingediend, bestaande uit immateriële schade. De politierechter heeft dit bedrag gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 250,00. De benadeelde partij heeft in hoger beroep niet aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof kan daarom alleen een beslissing nemen over de gevorderde schadevergoeding voor het deel dat door de politierechter is toegewezen.
Art. 6:106 BW geeft een limitatieve opsomming van gevallen waarin deze bepaling recht geeft op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen, voor zover in deze zaak relevant te weten in geval van:
aantasting in de persoon: 1) door het oplopen van lichamelijk letsel, 2) door schade in zijn eer of goede naam of 3) op andere wijze.
Van de onder 3) bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.
Blijkens de onderbouwing van de vordering heeft de benadeelde partij met name 'het oplopen van lichamelijk letsel' ten grondslag gelegd aan de vordering. Daarbij is aangevoerd dat de benadeelde partij door de mishandeling een wondje op zijn voorhoofd had en twee striemen in zijn hals. Daarnaast zijn de psychische gevolgen uiteengezet. Verdachte had slaapproblemen en is de eerste week constant bezig geweest met de mishandeling, door het doen van aangifte en herbelevingen.
Het hof is van oordeel dat onvoldoende is komen vast te staan dat het lichamelijke letsel is veroorzaakt door het bewezenverklaarde handelen van verdachte, te weten de duw, en niet is ontstaan door de worsteling die daarna heeft plaatsgevonden en/of doordat hij later met een telefoon op zijn hoofd is geslagen.
Het hof stelt verder vast dat gesteld noch gebleken is dat objectief onderbouwd geestelijk letsel als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW is opgelopen en dat de situatie niet de ernst had die vereist wordt voor het aannemen van een aantasting in de persoon op andere wijze zoals geformuleerd in artikel 6:106 lid 1, onder b, BW.
Uit het voorgaande volgt dat een wettelijke grondslag voor de vordering tot schadevergoeding ontbreekt. De vordering zal daarom worden afgewezen.
Wetsartikelen
De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f en 300 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Vernietigt de eerder uitgevaardigde strafbeschikking d.d. 18 november 2024 onder CJIB nummer 8132 5420 0568 4121.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 30 (dertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis.
Bepaalt dat de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 1 (één) jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] tot schadevergoeding af.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.
Dit arrest is gewezen door mr. M.B. de Wit, mr. G.A. Versteeg en mr. K.K. Lindenberg, in aanwezigheid van de griffier mr. G.A.G. van Essen en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 2 oktober 2026.