Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 20 januari 2022 met parketnummer 08-996055-20 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1963 in [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats] .
Hoger beroep
De officier van justitie heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel voor zover het ziet op de vrijspraak voor feit 1 en feit 2.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 9 september 2026 en het onderzoek op de terechtzittingen bij de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman,
mr. P.P.J. van der Meij, hebben aangevoerd.
Het vonnis
Verdachte is door de rechtbank vrijgesproken van wat aan hem onder 1 en 2 ten laste is gelegd. De officier van justitie heeft daartegen (beperkt) hoger beroep ingesteld.
Het hof vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen om redenen van doelmatigheid en doet daarom opnieuw recht.
Omvang hoger beroep
De rechtbank heeft verdachte voor het onder 3 ten laste gelegde veroordeeld. Het hof merkt ten overvloede op dat het openbaar ministerie het hoger beroep partieel heeft ingetrokken ten aanzien van feit 3. Dit betekent dat feit 3 niet langer in hoger beroep aan de orde is en dat de beslissing van de rechtbank ten aanzien van dit feit in stand blijft, waaronder de ter zake daarvan opgelegde straf.
Het onder 1 en 2 ten laste gelegde is in hoger beroep nog wel aan de orde, nu de officier van justitie hoger beroep heeft ingesteld tegen de gegeven vrijspraak onder 1 en 2.
Tenlastelegging
Op de zitting bij de rechtbank Overijssel is de tenlastelegging gewijzigd. Aan verdachte is na deze wijziging en voor zover in hoger beroep nog aan de orde ten laste gelegd dat:
1. primairhij op één of meer tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode vanaf 1 maart 2020 tot en met 24 april 2020, te [plaats] en/of [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met [bedrijf] en/of (een) ander(en), een of meermalen telkens een waar/waren, te weten 5.000 (DOC-005-01, inkoopfactuur d.d. 17 maart 2020 ) en/of 10.000 (DOC-005-02, inkoopfactuur d.d. 07 april 2020 ) mond maskers FFP2 en/of mond maskers FFP2 conform EN149:2001+A1:2009, heeft/hebben verkocht en/of te koop heeft/hebben aangeboden en/of heeft/hebben afgeleverd, wetende dat die waar/waren voor het leven en/of de gezondheid schadelijk is/zijn, onder meer doordat deze mondmaskers niet voldeden aan het beschermingsniveau dat door de gestelde FFP2-classificering van deze mondmaskers verwacht mocht worden, en/of deze mondmaskers de zorgmedewerker(s) en/of andere gebruikers de overtuiging gaven en/of zouden geven dat zij afdoende beschermd waren tegen de gevaren van COVID-19, en/of zij daardoor hun gedrag zodanig aanpasten dat zij zich in de directe nabijheid van met COVID-19 besmette personen durfden en/of wensten te begeven waardoor die zorgmedewerker(s) en/of die andere gebruiker(s) een risico liepen besmet te raken met COVID-19, terwijl hij en/of [bedrijf] en/of zijn mededader(s) (telkens) dat schadelijk karakter hebben/heeft verzwegen.
1. subsidiairhij op één of meer tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode vanaf 1 maart 2020 tot en met 24 april 2020, te [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met [bedrijf] en/of (een) ander(en), ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf, om aan zorgmedewerker(s) opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel, middels besmetting met COVID-19, toe te brengen, 15.500 mondmaskers heeft/hebben verkocht en/of heeft/hebben afgeleverd aan [bedrijf] en/of [bedrijf] , terwijl hij en/of [bedrijf] en/of zijn mededader(s) wist(en) dat deze mondmaskers zouden worden gebruikt door (een) zorgmedewerker(s) en/of vermeldde dat het mond maskers FFP2 en/of mond maskers FFP2 conform EN149:2001+A1:2009 betroffen, en die zorgmedewerker(s) deze mondmaskers ter bescherming tegen COVID-19 gebruikten en/of zouden gaan gebruiken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
2. primairhij op één of meer tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode vanaf 1 maart 2020 tot en met 24 april 2020, te [plaats] en/of [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met [bedrijf] en/of (een) ander(en), een of meermalen (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, een of meer perso(o)n(en) heeft bewogen en/of heeft doen bewegen tot de afgifte van (een) geldbedrag(en), in elk geval van enig goed, immers heeft hij en/of zijn mededader(s) met vorenomschreven oogmerk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid [persoon] en/of [bedrijf] en/of [persoon] en/of [bedrijf] , voorgewend en/of doen voorwenden dat het mond maskers FFP2 en/of mond maskers FFP2 conform EN149:2001+A1:2009 betroffen en/of die (FFP2) mondkapjes over de juiste certificering beschikten, waardoor die [persoon] en/of [bedrijf] en/of [persoon] en/of [bedrijf] , werd(en) bewogen tot de afgifte van in totaal (ongeveer) 33.275,-- euro, althans een of meer geldbedrag(en).
2. subsidiairhij op één of meer tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode vanaf 26 maart 2020 tot en met 16 april 2020, te [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met [bedrijf] en/of (een) ander(en),
- een factuur d.d. 26-03-2020 gericht aan [bedrijf] (DOC-006-01), en/of
- een factuur d.d. 31-03-2020 gericht aan [bedrijf] (DOC-006-02), en/of
- een factuur d.d. 03-04-2020 gericht aan [bedrijf] (DOC-007-01), en/of
- een factuur d.d. 20-04-2020 gericht aan [bedrijf] (DOC-006-03), en/of
- een factuur d.d. 16-04-2020 gericht aan [bedrijf] (DOC-007-02), - zijnde (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen - (telkens) valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers is (telkens) valselijk op die factuur/facturen vermeld dat het gaat om mond maskers FFP2 en/of mond maskers FFP2 conform EN149:2001+A1:2009, terwijl deze maskers in werkelijkheid niet aan de norm voor dergelijke maskers voldeden, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Voorvragen
Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging, omdat (samengevat) het handelen van het openbaar ministerie in strijd is met de beginselen van een goede procesorde, meer in het bijzonder met het verbod van willekeur. De raadsman heeft ter onderbouwing aangevoerd dat ten tijde van de invoer van mondmaskers door verdachte een tijdelijke ontheffing gold van het CE-keurmerk, dat die maskers slechts steekproefsgewijs werden getest en dat er non-conforme mondmaskers FFP2 waren verspreid onder ziekenhuizen die (ook) niet aan gestelde kwaliteitseisen voldeden.
De raadsman heeft voorts gesteld dat andere ondernemers, die mondkapjes importeerden die achteraf niet bleken te voldoen, niet strafrechtelijk vervolgd zijn. Ten slotte stelt de verdediging zich op het standpunt dat als de door verdachte geleverde mondmaskers wel voorzien waren geweest van een geldig CE-keurmerk, dit nog geen enkele kwaliteitsgarantie geeft, maar schijnveiligheid biedt
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van willekeur, omdat de verdediging geen concrete voorbeelden heeft genoemd waarin andere ondernemers onder vergelijkbare omstandigheden mondmaskers hebben geïmporteerd en niet strafrechtelijk zijn vervolgd.
Oordeel van het hof
Het hof stelt voorop dat in artikel 167, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) aan het openbaar ministerie (hierna: OM) de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing van het OM om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het OM in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde.
Zo’n uitzonderlijk geval doet zich voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet terwijl geen redelijk handelend lid van het OM heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. In het geval van een zodanige, aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing is de (verdere) vervolging onverenigbaar met het verbod van willekeur, dat in de strafrechtspraak in dit verband ook wel wordt omschreven als het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging.
Het hof is van oordeel dat de verdediging geen concrete, vergelijkbare gevallen heeft aangedragen en evenmin heeft onderbouwd dat andere ondernemers die onder vergelijkbare omstandigheden mondmaskers hebben geïmporteerd, niet strafrechtelijk zijn vervolgd. Een dergelijke ongelijke behandeling is overigens ook anderszins niet aannemelijk geworden. Het hof weegt daarbij mee dat in eerste aanleg de officier van justitie nadrukkelijk en onweersproken heeft gesteld dat als zich gelijke gevallen voordoen, tot strafrechtelijke vervolging wordt overgegaan. Dat het openbaar ministerie naar aanleiding van een melding onderzoek naar verdachte heeft ingesteld, acht het hof niet onbegrijpelijk en biedt evenmin grond voor het oordeel dat sprake is van willekeur. Ook hetgeen de verdediging heeft aangevoerd over de ten tijde van de invoer geldende regelgeving met betrekking tot het CE-keurmerk en de daadwerkelijke veiligheid van de mondmaskers, maakt dit niet anders en maakt evenmin dat geen redelijk handelend lid van het openbaar ministerie tot vervolging had kunnen en mogen komen.
Gelet op het voorgaande is van aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing die meebrengt dat een (verdere) vervolging onverenigbaar is met het verbod van willekeur, het gelijkheidsbeginsel of een ander beginsel van goede strafvorderlijke procesorde, dan ook geen sprake.
Het hof verwerpt het verweer. Het OM is ontvankelijk in de vervolging.
Vrijspraak
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 primair en
2 primair wettig en overtuigend kan worden bewezen. De advocaat-generaal heeft ten aanzien van het onder 1 primair aangevoerd dat in de medische context, waarin strikte normen gelden om risico’s te beperken, schadelijkheid van een product is gegeven, wanneer dat product niet voldoet aan die norm.
Bij het redelijkerwijs te verwachten gebruik van de mondmaskers van verdachte, lopen de gebruikers van deze mondmaskers meer kans op schade aan de gezondheid, dan gebruikers van wél gecertificeerde en geschikte FFP2-mondmaskers. Gelet op de (gezondheids)risico’s waartegen de betreffende mondmaskers juist dienden te beschermen, dient gekomen te worden tot de conclusie dat de mondmaskers van verdachte schadelijk zijn voor de gezondheid.
De advocaat-generaal heeft zich ten aanzien van het onder 2 primair ten laste gelegde op het standpunt gesteld dat verdachte de afnemers heeft bewogen tot het kopen van de mondmaskers, door ten onrechte en in strijd met de waarheid aan te geven dat het om FFP2-mondmaskers ging en door valse certificaten te verstrekken.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken. Daartoe heeft de verdediging ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde aangevoerd dat mondmaskers als product an sich niet schadelijk zijn. Ten aanzien van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde ontbreekt het opzet.
Ten aanzien van het onder 2 primair ten laste gelegde heeft de raadsman aangevoerd dat het oogmerk op wederrechtelijke bevoordeling ontbreekt en dat geen oplichtingsmiddel is gehanteerd. Ten aanzien van het onder 2 subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsman aangevoerd dat de verkoopfacturen niet valselijk zijn opgemaakt, en dat het oogmerk van misleiding ontbreekt.
Oordeel van het hof
Het hof heeft uit het onderzoek op de zitting, net als de rechtbank, niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging gekregen dat verdachte het onder 1 primair, 1 subsidiair, 2 primair en 2 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan. Daarom spreekt het hof verdachte daarvan vrij.
Het hof overweegt daartoe in het bijzonder het volgende.
Feit 1 primair
Onder feit 1 primair wordt aan verdachte – kort weergegeven – verweten dat hij FFP2-mondmaksers heeft verkocht, terwijl die mondmaskers niet voldeden aan het beschermingsniveau dat door de gestelde FFP2-classificering van deze mondmaskers verwacht mocht worden.
FFP2-mondmaskers zijn persoonlijke beschermingsmiddelen die de gebruiker beschermen tegen de risico’s van schadelijke biologische agentia, zoals virussen, die zeer ernstige gevolgen kunnen hebben, zoals overlijden of onomkeerbare schade aan de gezondheid.
De [deskundige] , toxicoloog verbonden aan het RIVM, heeft gerapporteerd dat de door verdachte geleverde mondmaskers (het hof begrijpt: in vergelijking tot een Europees gecertificeerd FFP2-masker) kwalitatief ondermaats presteerden op het gebied van filterefficiency en/of aansluiting op het gelaat (de zogenaamde ‘FIT’). Het filtermateriaal van die maskers verlaagt de mate van bescherming van de drager, zo begrijpt het hof de deskundige.
Niet staat ter discussie dat de mondmaskers van verdachte op zichzelf bezien niet schadelijk waren voor het leven of de gezondheid, zij boden evenwel in vergelijking met Europees gecertificeerde FFP2-maskers minder bescherming tegen van buiten komende risico’s op gezondheidsschade.
De tenlastelegging van feit 1 primair is toegesneden op het eerste lid van artikel 174 van het Wetboek van Strafrecht (verder: Sr), dat als volgt luidt:
1. Hij die waren verkoopt, te koop aanbiedt, aflevert of uitdeelt, wetende dat zij voor het leven of de gezondheid schadelijk zijn, en dat schadelijk karakter verzwijgende, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of geldboete van de vijfde categorie.
Het hof ziet zich in deze zaak voor de vraag gesteld of, naast waren die ‘an sich’ schadelijk zijn voor het leven of de gezondheid, onder de strafbaarstelling van artikel 174 Sr ook waren dienen te worden begrepen of begrepen kunnen worden die weliswaar op zichzelf niet schadelijk zijn, maar die minder bescherming bieden tegen van buiten komende risico’s dan zij doen voorkomen te beschermen.
Het hof beantwoordt die vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.
De wetsgeschiedenis bij artikel 174 Sr houdt onder meer in ‘dat steeds moet worden
bewezen de positive wetenschap dat de waar, bij gewoon, natuurlijk gebruik schade
lijk was voor leven of gezondheid’ en ‘De waren moeten in haar wezen, gebruikt wordende overeenkomstig de bestemming, nadeel voor de gezondheid te weeg brengen, om tot toepassing van dit artikel aanleiding te geven.’
Uit deze wetsgeschiedenis volgt dat de strafbaarstelling van artikel 174 Sr ziet op waren die ‘in haar wezen’ dus op zichzelf schadelijk zijn voor het leven of de gezondheid. In latere jurisprudentie en/of literatuur is dat uitgangspunt niet verlaten. Enkel is het ‘gewoon, natuurlijk gebruik’ / het ‘gebruikt wordende overeenkomstig de bestemming’ opgerekt tot elk gebruik waarmee redelijkerwijs rekening moet worden gehouden.
Voor een ruimere uitleg zoals door het openbaar ministerie voorgestaan bieden noch de tekst van de wet, noch de wetgeschiedenis, noch jurisprudentie en literatuur houvast of aanknopingspunten.
Persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM), waartoe mondmaskers behoren, zijn onderworpen aan veiligheids- en gezondheidseisen als geformuleerd in bijzondere wet- en regelgeving, te weten de Warenwet en het Warenwetbesluit persoonlijke beschermingsmiddelen 2018, dat de regels voor PBM vastlegt op basis van Europese regelgeving (EU-verordening 2016/425), in verbinding met de Wet op de economische delicten. Voorkoming of beperking van risico’s is dan ook (mede) het oogmerk van bijzondere wet- en regelgeving. Ook daaruit leidt het hof af dat waren die minder bescherming bieden tegen risico’s dan zij doen voorkomen, niet onder de reikwijdte en strafbaarstelling van artikel 174 Sr vallen, terwijl oprekking van die bepaling in die zin daardoor evenmin noodzakelijk is.
Nu de onder feit 1 primair bedoelde mondmaskers op zichzelf bezien niet schadelijk zijn voor het leven of de gezondheid zoals bedoeld in artikel 174 Sr, dient verdachte van het onder 1 primair ten laste gelegde te worden vrijgesproken.
Feit 1 subsidiair
Met de verdediging en de advocaat-generaal is het hof – evenals de rechtbank – van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen is hetgeen aan verdachte onder feit 1 subsidiair is tenlastegelegd, zodat hij daarvan eveneens dient te worden vrijgesproken.
Feit 2 primair
Het hof stelt voorop dat voor een veroordeling ter zake van oplichting is vereist dat de verdachte bij een ander door een specifieke, voldoende ernstige vorm van bedrieglijk handelen een onjuiste voorstelling in het leven heeft willen roepen teneinde daarvan misbruik te maken.
Daartoe moet de verdachte een of meer van de in artikel 326, eerste lid Sr bedoelde oplichtingsmiddelen hebben gebruikt, door welk gebruik die ander is bewogen tot de afgifte van een goed, het verlenen van een dienst, het beschikbaar stellen van gegevens, het aangaan van een schuld of het tenietdoen van een inschuld.
Het antwoord op de vraag of in een concreet geval het slachtoffer door een oplichtingsmiddel dat door de verdachte is gebruikt, is bewogen tot een van voornoemde handelingen, is in sterke mate afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In algemene zin kunnen tot die omstandigheden behoren enerzijds de mate waarin de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid het beoogde slachtoffer aanleiding had moeten geven die onjuiste voorstelling van zaken te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen, en anderzijds de persoonlijkheid van het slachtoffer, waarbij onder meer de leeftijd van de verstandelijke vermogens van het slachtoffer een rol kunnen spelen. Bij een samenweefsel van verdichtsels behoren tot die omstandigheden onder meer de vertrouwenwekkende aard, het aantal en de indringendheid van de (geheel of gedeeltelijk) leugenachtige mededelingen in hun onderlinge samenhang.
Het hof is van oordeel dat op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting onvoldoende gebleken is dat (mede) onder invloed van de door de verdachte gedane mededeling, dat het mondmaskers FFP2 en/of mondmaskers FFP2 conform EN149:2001+A1:2009 betroffen en/of die (FFP2) mondmaskers over de juiste certificering beschikten, de in de tenlastelegging opgesomde (rechts-)personen zijn bewogen tot afgifte van geld. Van geen van hen is in het dossier een aangifte of een verklaring opgenomen waaruit deze conclusie zou kunnen volgen. Noch is dit anderszins gebleken. Daarom kan onbesproken blijven in hoeverre verdachte bewust een onjuiste voorstelling bij hen in het leven heeft willen roepen teneinde hen te bewegen tot de aankoop van de bewuste mondmaskers.
Het hof acht dan ook niet bewezen dat verdachte zich door het gebruik van een of meer oplichtingsmiddelen schuldig heeft gemaakt aan oplichting. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
Feit 2 subsidiair
Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring is vereist dat verdachte, al dan niet tezamen met één of meer anderen, een geschrift opzettelijk valselijk is opgemaakt.
Naar het oordeel van het hof bevat het dossier geen bewijs dat verdachte bij het opstellen van de facturen met gebruikmaking van de tekst: “FFP2” en “EN149:2001+A1:2009” (voorwaardelijk) opzet had op het in strijd met de waarheid te vermelden dat het mondmaskers betrof die voldoen aan de FFP2-eisen. Evenmin kan worden vastgesteld dat verdachte aldus handelend heeft beoogd zijn afnemers over de ware aard en kenmerken van de verkochte mondmaskers te misleiden. Het bewijs dat verdachte bij het opmaken van zijn facturen het (voor een veroordeling noodzakelijke) oogmerk daartoe had, kan niet uit het dossier worden geput.
Het hof acht daarom ook niet bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrifte. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
Beslag
Mondmaskers
Nu verdachte integraal wordt vrijgesproken en er zich ook overigens geen omstandigheid voordoet op grond waarvan overeenkomstig het bepaalde in artikel 36b Sr de onttrekking aan het verkeer kan worden opgelegd, dan wel op grond van artikel 33 Sr de verbeurdverklaring kan worden uitgesproken, zal het hof de teruggave van de mondmaskers aan verdachte gelasten.
Administratie
Nu verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft aangegeven de inbeslaggenomen administratie inmiddels terug te hebben gekregen, ligt daarop geen beslag meer en behoeft het hof daarover geen beslissing meer te nemen.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 1 subsidiair, 2 primair en
2 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: mondmaskers, te weten de op de beslaglijst genoemde voorwerpen onder de nummers 1 tot en met 10.
Dit arrest is gewezen door mr. S. Bek, mr. M.J. Ouweneel en mr. C.T. Tjauw-Foe, in aanwezigheid van de griffier mr. S. Berendsen en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 7 oktober 2026.