[verdachte] ,
Hoger beroep
Onderzoek van de zaak
Het vonnis waarvan beroep
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-002874-25
Uitspraakdatum: 2 oktober 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Utrecht, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 26 juni 2025 met parketnummer 16-229315-24 in de strafzaak tegen
geboren op [geboortedag] 1990 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .
Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland.
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 18 september 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. R.G. van der Laan, advocaat te Leiden, en de benadeelde partij [benadeelde] en haar advocaat, mr. T.C. Cooman, hebben aangevoerd.
De rechtbank heeft bij vonnis van 26 juni 2025, waartegen het hoger beroep is gericht, verdachte ter zake van:
- met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd;
veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van veertig maanden.
Verder heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] integraal toegewezen tot een bedrag van € 5.498,57, bestaande uit € 5.000,- aan immateriële schade en € 498,57 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank op overwegend goede gronden en op juiste wijze heeft beslist en zal het vonnis bevestigen, met aanvulling van gronden waarop dit berust en met uitzondering van de strafoplegging. Ten aanzien van dit onderdeel van het vonnis komt het hof tot een andere beslissing dan de rechtbank. In zoverre zal het vonnis dan ook worden vernietigd.
Voor wat betreft de overige onderdelen van het vonnis – daaronder begrepen de beslissing omtrent de vordering van de benadeelde partij die in hoger beroep niet meer is betwist – brengt hetgeen in hoger beroep aan de orde is geweest, het hof niet tot andere overwegingen of beslissingen dan de rechtbank, zodat het vonnis voor het overige zal worden bevestigd.
Wel zal het hof de beslissing van de rechtbank over de wettelijke rente op één punt verbeteren daar waar sprake is van een kennelijke verschrijving door de rechtbank.
Aanvulling van gronden
In het geval tegen dit arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, zal door het hof – in aanvulling op de door rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring – de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting in hoger beroep in een aanvulling op dit arrest worden opgenomen. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Verbetering van de beslissing over de wettelijke rente
De rechtbank heeft in haar vonnis de wettelijke rente toegewezen vanaf 7 maart 2025 over een bedrag van € 225,55. Hier is (zo blijkt ook uit de optelling van de daarbij genoemde bedragen) sprake van een kennelijke verschrijving en is bedoeld de wettelijke rente vanaf die datum toe te wijzen over een bedrag van € 255,55.
Dat betekent dat in het vonnis het bedrag van € 225,55 telkens wordt verbeterd in € 255,55.
Oplegging van straf
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechtbank is opgelegd.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht verdachte een aanzienlijk kortere, onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf op te leggen dan de rechtbank heeft gedaan en dit te combineren met een taakstraf van substantiële omvang en eventueel een voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden. Daarbij heeft de raadsman onder meer gewezen op de gewijzigde proceshouding van verdachte, zijn vrijwillige behandeling bij [instelling] en de bepleite nuancering ten aanzien van de duur en de omvang van het seksuele contact met aangeefster.
Oordeel van het hof
De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst en omstandigheden van het feit
In de zomer van 2019 is het slachtoffer in het garagebedrijf van verdachte gaan werken. Zij
was op dat moment 13 jaar oud en woonde met haar ouders in een woning naast het
garagebedrijf. Verdachte was bevriend met de familie van het slachtoffer. Kort na aanvang van haar werkzaamheden bij het bedrijf van verdachte, is ook het misbruik door verdachte begonnen.
Dit ging eerst om ongepaste complimentjes en aanrakingen over de kleding van het slachtoffer, maar het misbruik ging steeds een stap verder en leidde (onder meer) tot (de voor aangeefster eerste) vaginale penetratie. Verdachte heeft zich gedurende een periode van ongeveer één jaar stelselmatig schuldig gemaakt aan ernstig seksueel misbruik, waaronder het meerdere malen seksueel binnendringen van het lichaam van het slachtoffer en het meerdere malen in haar mond brengen van zijn penis. De omstandigheden waaronder dit misbruik plaatsvond, maken het handelen van verdachte des te kwalijker. Verdachte was niet alleen veel ouder dan zijn minderjarige slachtoffer, hij was ook nog een familievriend en haar werkgever. Door zijn vriendschappelijke band met haar familie was verdachte er bovendien van op de hoogte dat het slachtoffer het in die periode thuis moeilijk had. Verdachte heeft niet alleen misbruik gemaakt van haar zeer jonge leeftijd, maar ook van deze omstandigheden die het slachtoffer extra kwetsbaar maakten.
Verdachte heeft met zijn handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het jonge slachtoffer en op geen enkele wijze rekening gehouden met haar belangen. Verdachte heeft met zijn handelen een normale seksuele ontwikkeling, waar ieder mens recht op heeft, doorkruist. Het is een feit van algemene bekendheid dat seksueel misbruik de ontwikkeling van kinderen kan verstoren en dat dit kan zorgen voor grote en langdurige psychische schade bij het slachtoffer. Dat het misbruik ook in dit geval een grote impact op het slachtoffer heeft gehad, blijkt uit de verklaringen die het slachtoffer op de zitting bij zowel de rechtbank als bij het hof heeft voorgedragen en uit het feit dat zij voor dit misbruik traumatherapie heeft gehad.
Anders dan bij de rechtbank, heeft verdachte ter terechtzitting in hoger beroep een volledig bekennende verklaring afgelegd en aangegeven verantwoordelijkheid te willen nemen voor hetgeen hij het slachtoffer heeft aangedaan. Daarnaast heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep berouw betoond. Hij heeft zichtbaar moeite met het verwerken van zijn handelen en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer. De verdachte heeft daarbij ook spijt betuigd richting het slachtoffer en haar familie. Deze omstandigheid weegt het hof in strafverminderende zin mee.
Persoonlijke omstandigheden van verdachte
Het hof heeft kennisgenomen van het uittreksel van de justitiële documentatie van verdachte van 19 augustus 2026. Daaruit blijkt dat verdachte de afgelopen jaren niet is veroordeeld voor een strafbaar feit. Deze omstandigheid weegt het hof niet in strafverzwarende of in strafverminderende zin mee.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte aangegeven dat hij een eigen (garage)bedrijf heeft op een andere locatie, getrouwd is en twee jonge dochters heeft. Verder heeft hij verklaard op eigen initiatief contact te hebben gezocht met [instelling] – een centrum voor ambulante forensische geestelijke gezondheidszorg – voor behandelingen, gesprekken met een psychiater en de benodigde medicatie. Het feit dat verdachte dit uit eigen beweging heeft gedaan, getuigt van inzicht in zijn eigen handelen en in de schade die dit bij het slachtoffer heeft veroorzaakt. Dit zal het hof strafverminderend meewegen.
Conclusie
Naar het oordeel van het hof kan gelet op het bovenstaande, en in het bijzonder vanwege de ernst van het feit en de impact die dit heeft gehad op het kwetsbare slachtoffer, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van substantiële duur met zich meebrengt.
Alles afwegende acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Wetsartikelen
De straf is gebaseerd op de artikelen 36f, 57 en 245 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 (zesendertig) maanden.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het bovenstaande.
Aldus gewezen door
mr. A. van Maanen, voorzitter,
mr. J.A.M.J. Janssen – Timmermans, en mr. N.E. Kwak, raadsheren,
in aanwezigheid van mr. G.J.H. van Vliet, griffer,
en op 2 oktober 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.