Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 12 mei 2025 met parketnummer 05-003171-22 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1984 in [geboorteplaats] ,
wonende in [adres] .
Hoger beroep
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 11 september 2026 en 9 oktober 2026 (sluiting onderzoek) en het onderzoek op de terechtzittingen bij de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. A.H.T. de Haas, en de echtgenote van [slachtoffer] hebben aangevoerd.
Het vonnis
De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van de primair ten laste gelegde overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) en bewezen verklaard het subsidiair tenlastegelegde dat is gekwalificeerd als ‘aan zijn schuld te wijten zijn dat een ander zwaar lichamelijk letsel bekomt’. Aan de verdachte is een geheel voorwaardelijke taakstraf van honderdtwintig uren met een proeftijd van één jaar opgelegd.
Het hof vernietigt het vonnis uit proceseconomische overwegingen omdat het op gedeeltelijk andere gronden tot een bewezenverklaring komt. Het hof doet daarom opnieuw recht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
primairhij op of omstreeks 13 februari 2021 in de gemeente [gemeente 1] en/of de gemeente [gemeente 2] , althans in de provincie Flevoland en/of Gelderland, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder dan wel gebruiker van een ijszeiler,
daarmede zich voort bewegende over het ijs waarmee het [naam 1] toen (grotendeels) was bedekt,
zich zeer, aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gedragen, hierin bestaande dat verdachte,
- terwijl hij wist dat de door hem bestuurde/gebruikte ijszeiler slechts in beperkte mate afgeremd kon worden en/of steeds moeilijker afgeremd kon worden bij hogere snelheden en/of niet was voorzien van een rem en/of
- terwijl hij wist dat de ijszeiler slechts in beperkte mate van richting veranderd kon worden en/of
- terwijl zijn zicht op eventuele andere aanwezigen op het ijs aan zijn linkerzijde (geheel) werd belemmerd en/of
- terwijl hij wist dat (eventuele) zich op het ijs bevindende personen mogelijk door de zon verblind konden worden wanneer deze personen zich voor en/of links van hem bevonden en/of
- terwijl ter plaatse een of meerdere (zich op schaatsen voortbewegende) personen aanwezig waren, - met een hogere snelheid zich heeft voortbewogen dan die voor veilige recreatie en/of veilig verkeer ter plaatse geboden was en/of zijn snelheid niet of onvoldoende heeft aangepast aan de situatie ter plaatse en/of
- niet of in onvoldoende mate naar eventuele overige aanwezigen heeft gekeken en/of is blijven kijken en/ofzich niet of in onvoldoende mate heeft vergewist of links van hem anderen zich bevonden en/of
- de snelheid van de ijszeiler niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was de ijszeiler tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij het ijs kon overzien en/of waarover deze vrij was en/of
- is gebotst tegen, althans in aanraking gekomen, met een zich op het ijs bevindende (zich op schaatsen voortbewegende) persoon,
en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden,
waardoor een ander (te weten [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
subsidiairhij op of omstreeks 13 februari 2021 in de gemeente [gemeente 1] en/of de gemeente [gemeente 2] , althans in de provincie Flevoland en/of Gelderland, in elk geval in Nederland,
zich grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam en/of nalatig heeft gedragen, hierin bestaande dat verdachte als gebruiker dan wel bestuurder van een ijszeiler,
- terwijl hij wist dat de door hem bestuurde/gebruikte ijszeiler slechts in beperkte mate afgeremd kon worden en/of steeds moeilijker afgeremd kon worden bij hogere snelheden en/of niet was voorzien van een rem en/of
- terwijl hij wist dat de ijszeiler slechts in beperkte mate van richting veranderd kon worden en/of
- terwijl zijn zicht op eventuele andere aanwezigen op het ijs aan zijn linkerzijde (geheel) werd belemmerd en/of
- terwijl hij wist dat (eventuele) zich op het ijs bevindende personen mogelijk door de zon verblind konden worden wanneer deze personen zich voor en/of links van hem bevonden en/of
- terwijl ter plaatse een of meerdere (zich op schaatsen voortbewegende) personen aanwezig waren,
- met een hogere snelheid zich heeft voortbewogen dan die voor veilige recreatie en/of veilig verkeer ter plaatse geboden was en/of zijn snelheid niet of onvoldoende heeft aangepast aan de situatie ter plaatse en/of
- niet of in onvoldoende mate naar eventuele overige aanwezigen heeft gekeken en/of is blijven kijken en/of zich niet of in onvoldoende mate heeft vergewist of links van hem anderen zich bevonden en/of
- de snelheid van de ijszeiler niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was de ijszeiler tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij het ijs kon overzien en/of waarover deze vrij was en/of
- is gebotst tegen, althans in aanraking gekomen, met een zich op het ijs bevindende (zich op schaatsen voortbewegende) persoon,
waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen, althans zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de ambts- of beroepsbezigheden van deze was ontstaan;
meer subsidiairhij op of omstreeks 13 februari 2021 in de gemeente [gemeente 1] en/of de gemeente [gemeente 2] , althans in de provincie Flevoland en/of Gelderland, in elk geval in Nederland,
als bestuurder dan wel gebruiker van een ijszeiler, daarmede zich voort bewegende over het ijs waarmee het [naam 1] toen (grotendeels) was bedekt,
- terwijl hij wist dat de door hem bestuurde/gebruikte ijszeiler slechts in beperkte mate afgeremd kon worden en/of steeds moeilijker afgeremd kon worden bij hogere snelheden en/of niet was voorzien van een rem en/of
- terwijl hij wist dat de ijszeiler slechts in beperkte mate van richting veranderd kon worden en/of
- terwijl zijn zicht op eventuele andere aanwezigen op het ijs aan zijn linkerzijde (geheel) werd belemmerd en/of
- terwijl hij wist dat (eventuele) zich op het ijs bevindende personen mogelijk door de zon verblind konden worden wanneer deze personen zich voor en/of links van hem bevonden en/of
- terwijl ter plaatse een of meerdere (zich op schaatsen voortbewegende) personen aanwezig waren,
- met een hogere snelheid zich heeft voortbewogen dan die voor veilige recreatie en/of veilig verkeer ter plaatse geboden was en/of zijn snelheid niet of onvoldoende heeft aangepast aan de situatie ter plaatse en/of
- niet of in onvoldoende mate naar eventuele overige aanwezigen heeft gekeken en/of is blijven kijken en/of zich niet of in onvoldoende mate heeft vergewist of links van hem anderen zich bevonden en/of
- de snelheid van de ijszeiler niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was de ijszeiler tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij het ijs kon overzien en/of waarover deze vrij was en/of
- is gebotst tegen, althans in aanraking gekomen, met een zich op het ijs bevindende (zich op schaatsen voortbewegende) persoon,
door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde feit bewezen moet worden verklaard. De verdachte als bestuurder van de ijszeiler en de schaatser kunnen worden gezien als verkeersdeelnemers en het ongeval als een verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW 1994. Het gedrag van de verdachte is aan te merken als verwijtbaar aanmerkelijk onvoorzichtig. De verdachte heeft schuld aan het ongeval, gelet op de volgende feiten en omstandigheden: de verdachte is een ervaren ijszeiler en schaatsers hebben in principe zoals hij ook zelf heeft verklaard voorrang, er waren veel schaatsers op het ijs, de ijszeiler had een hoge snelheid, de verdachte heeft niet of onvoldoende gekeken om zowel het slachtoffer als het groepje schaatsers kort daarachter te zien en door de laaghangende zon in de rug van de verdachte is de door hem bestuurde ijszeiler slecht te zien geweest voor schaatsers die hem van links kruisten of tegemoetkwamen.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft betoogd dat de WVW 1994 niet van toepassing is en dat de verdachte van het primair tenlastegelegde moet worden vrijgesproken. Verder heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de verdachte geen strafrechtelijke schuld heeft aan het ongeval. De verdachte heeft bewust gekozen voor deze specifieke locatie om te ijszeilen, omdat het daar rustiger was. Tijdens het ijszeilen heeft de verdachte meer dan voldoende oog gehad voor andere personen op het ijs door om zich heen te kijken. Ten onrechte heeft de rechtbank voor de verdachte een voortdurende verplichting aangenomen door te overwegen dat de verdachte na het insturen van een nieuwe baan (rak) zich nog meer ervan bewust had moeten zijn dat op elk moment schaatsers zich voor of naast hem konden bevinden.
Oordeel van het hof
Het hof komt tot een vrijspraak van het primair tenlastegelegde en tot een bewezenverklaring van het subsidiair tenlastegelegde, op grond van de hierna weergegeven bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen.
Vrijspraak primair tenlastegelegde
Het primair tenlastegelegde is toegesneden op artikel 6 WVW 1994. Daarom moet worden aangenomen dat het in de tenlastelegging voorkomende begrip ‘verkeersongeval’ is gebruikt in de betekenis die dat begrip heeft in artikel 6 WVW 1994. Het begrip ‘verkeersongeval’ is in de WVW 1994 niet gedefinieerd. Mede gelet op het onderwerp en daarmee de reikwijdte van de WVW 1994 moet het naar het oordeel van het hof bij een ‘verkeersongeval’ gaan om een gebeurtenis op een voor het openbaar verkeer openstaande weg die verband houdt met het verkeer ten gevolge waarvan schade is ontstaan en/of ten gevolge waarvan een of meer weggebruikers gewond zijn geraakt of zijn overleden. De gedragingen van degene tot wie de norm van artikel 6 WVW 1994 is gericht, hoeven niet op een weg in de zin van de WVW 1994 te hebben plaatsgevonden. Dat neemt niet weg dat het in de meeste gevallen waarin sprake is van een verkeersongeval gaat om het gedrag van een deelnemer aan het verkeer: een weggebruiker in de zin van artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, zoals een bestuurder van een motorvoertuig, een bromfietser of een fietser. Maar het kan ook gaan om gedrag dat niet heeft plaatsgevonden op de weg zelf maar wel zijn uitwerking heeft op de weg (en een verkeersongeval op de weg heeft veroorzaakt).
Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de WVW 1994 moet in die wet en in de daarop berustende bepalingen onder ‘wegen’ worden verstaan alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen. Wegen in de zin van de WVW 1994 zijn niet beperkt tot de openbare wegen als bedoeld in de Wegenwet maar kunnen bijvoorbeeld ook bestaan uit een particulier terrein, als het terrein voor het openbaar verkeer openstaat. Daarvoor zijn dan de feitelijke omstandigheden van belang, zoals of door de rechthebbende(n) wordt geduld dat het algemene verkeer van het terrein gebruikmaakt (vgl. HR 16 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9494).
Naar het oordeel van het hof is niet uitgesloten dat (een gedeelte van) de ijsvlakte van een bevroren binnenwater, zoals een rivier, een kanaal of een meer, (tijdelijk) kan worden aangemerkt als een weg in de zin van de WVW 1994. Daarvoor is dan wel vereist dat de ijsvlakte feitelijk openstaat voor het openbaar verkeer, dus voor weggebruikers zoals de bestuurder van een motorvoertuig, een bromfietser of een fietser, en dat de ijsvlakte voor het verkeer is ingericht of feitelijk daarvoor functioneert.
Op 13 februari 2021 was daarvan naar het oordeel van het hof op de ijsvlakte van het [naam 1] ter plaatse van het ten laste gelegde ongeval, geen sprake. Volgens de processtukken en het verhandelde op de zitting werd van de ijsvlakte aldaar gebruikgemaakt door schaatsers en een enkele ijszeiler. De ijsvlakte, ongeveer in het midden van het [naam 1] ter hoogte van [plaats 1] , was niet min of meer afgegrensd en zo voor het verkeer van bestuurders van motorvoertuigen, (brom)fietsers, voetgangers en andere weggebruikers ingericht en werd ook niet door dergelijke weggebruikers (feitelijk) als een ruimte om je te verplaatsen, gebruikt. Daarbij komt dat als een gedeelte van een natuurijsvlakte als een weg in de zin van de WVW 1994 kan worden gezien, de bestuurder van een ijszeiler en een schaatser, die niet onder de definitie van ‘weggebruikers’ in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 vallen, niet zonder meer als weggebruikers kunnen worden aangemerkt en dus evenmin als (deelnemers aan het) verkeer in de zin van de WVW 1994 en de daarop berustende bepalingen.
De ijsvlakte van het [naam 1] ter plaatse en ten tijde van het ten laste gelegde ongeval kan daarom niet worden gezien als een voor het openbaar verkeer openstaande weg in de zin van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de WVW 1994 en het ongeval waarop de tenlastelegging betrekking heeft – een botsing tussen de door de verdachte bestuurde ijszeiler en een schaatser – niet als een ‘verkeersongeval’ als bedoeld in artikel 6 WVW 1994.
Dit betekent dat het primair tenlastegelegde niet kan worden bewezen en dat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.
Gebezigde bewijsmiddelen subsidiair tenlastegelegde
1.
Het proces-verbaal van aangifte namens [slachtoffer] van 3 maart 2021, p. 4-5:
Omdat mijn man hersenletsel heeft door het ongeval en zich niets meer van dit ongeval kan herinneren doe ik namens hem aangifte.
Op zaterdag 13 februari 2021 waren [slachtoffer] en ik omstreeks 15.45 uur aan het schaatsen op het [naam 1] . Ik zag dat mijn man met onze zoon en zijn vrienden richting [plaats 1] schaatste. Dit was in zuidoostelijke richting.
Ik zag ineens dat er van de rechterkant, uit zuidwestelijke richting, met zeer hoge snelheid een ijszeiler aan kwam glijden. Vanaf een afstand leek het erop dat deze ijszeiler [slachtoffer] zou gaan passeren.
Ik zag helaas dat hij [slachtoffer] niet passeerde maar hem schepte. Ik zag dat de ijzers van het bootje [slachtoffer] op zijn schaatsen en onderbenen raakte. Ik zag dat [slachtoffer] door de lucht zwiepte. Ik zag dat [slachtoffer] met een flinke smak op zijn rechterzijde op het ijs terechtkwam.
Ik zag dat de ijszeiler ging zitten bij [slachtoffer] die nog bewusteloos was. Ik hoorde de ijszeiler zeggen: “Ik heb hem totaal over het hoofd gezien”.
2.
Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] bij de politie van 9 maart 2021, p. 8:
Er kwam een groepje schaatsers aan, met die man voorop en een stuk voor de rest van de groep uit. Ze schaatsten vanaf de [plaats 2] naar de kust van de [plaats 3] . De ijszeiler hadden we al eerder gezien, die had daar een mooi glad stuk ijs en zeilde er rondjes. Hij ging echt ongelofelijk hard. Ik kan niet goed inschatten hoe hard de zeiler ging.
Ik zag dat de zeiler en de schaatser op elkaar afkoersten en ik denk dat de schaatser de zeiler door de laaghangende zon niet heeft gezien. Ik zag dat ze elkaar niet meer konden ontwijken en met elkaar in botsing kwamen. Ik zag dat de zeiler uit zijn ijszeiler werd geslingerd. Die gleed nog een eind over het ijs. Ik zag dat de ijszeiler met zijn linkerflank, vanuit de zeiler gezien, de schaatser raakte. Ik denk dat de ijszeiler wellicht een dode hoek heeft gehad in zijn zicht, in verband met het zeil.
3.
Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] bij de rechter-commissaris van 23 april 2024, p. 2 (van dat proces-verbaal):
Wat heeft u gezien van het ongeluk met een zogeheten ijszeiler op het [naam 1] op zaterdag 13 februari 2021?
Er was een schaatser aan de overkant en deze schaatser kwam in onze richting geschaatst. Hij schaatste voorop en achter hem schaatste nog een aantal mensen. Wij hebben de schaatser en de ijszeiler naar elkaar zien toekomen. De ijszeiler ging lekker hard. De schaatser stak het [naam 2] dwars over.
Wij [het hof begrijpt: de getuige en haar partner] denken dat de ijszeiler de schaatser niet heeft gezien en wij denken ook dat de schaatser de ijszeiler niet heeft gezien. Wij denken dat de schaatser het niet heeft kunnen zien in verband met de laagstaande zon. Wij denken dat de zeiler het niet heeft kunnen zien in verband met zijn dichtgetrokken zeil. Je weet als zeiler hoe je de wind goed in je zeil krijgt. Hij had zijn zeil zo staan dat de schaatser zich achter het zeil bevond. Dit is een wat technisch verhaal, maar de schaatser zat in de dode hoek van de ijszeiler.
Wat kunt u verklaren over de stand van de zon die dag, kort voor het ongeluk?
De zon reflecteerde op het ijs en daarom denk ik dat de schaatser niet veel zag. De
schaatser schaatste richting het oosten. De zon was aan het draaien richting het
westen. De ijszeiler zat voor de schaatser in dezelfde richting als waar de zon stond. De zon stond laag en spiegelde op het ijs. Er is een reflectie van de zon zichtbaar op de foto. De zon was verblindend en het was ook op natuurijs.
U heeft eerder vandaag verklaard dat u ook andere ijszeilers heeft gezien, kunt u wat
zeggen over de snelheid van deze ijszeilers?
De andere ijszeilers waren op een andere plek en dus niet bij het ongeluk. Zij waren
in groepjes. Daarvan was ook duidelijk te zien dat dit de plek van de ijszeilers was
en dat je daar niet moest schaatsen. De plekken waren daar dus duidelijk gescheiden.
4.
Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] van 10 maart 2021, p. 12:
Mijn vader zei op een gegeven moment: “Wij gaan weer” en hij schaatste weg. Hij schaatste in de richting van [plaats 1] , vanuit de richting van de polder.
Wij schaatsen een beetje achter hem aan en zagen de ijszeiler al van rechts aankomen. Wij dachten toen al: die gaat wel heel erg hard. Hij kwam vanuit de richting van [plaats 4] en ging in de richting van [gemeente 2] . Wij dachten nog: als hij maar niet in botsing komt met [slachtoffer] , maar dit gebeurde toch.
Ik schat dat de ijszeiler op het moment van de botsing ongeveer 80 km/h ging. Wij zagen de ijszeiler al wel aankomen, maar mijn vader niet. Ik denk dat het door de zon kwam. Als wij in de richting van [plaats 5] keken, keken we tegen een laaghangende zon in, die ook nog eens enorm weerkaatste op het ijs waardoor je werd verblind.
5.
Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] van 31 maart 2021, p. 14-15:
Ik weet nog dat de zon erg laag stond, als je in de richting van [plaats 4] / [plaats 5] keek had je flink last van de zon.
De ijszeiler had in mijn beleving wind mee. Hij ging wel erg hard. Ik vind het lastig om in te schatten hoe hard. Hij ging in ieder geval veel harder dan de schaatsers. En gezien de impact was het ook duidelijk dat de ijszeiler hard ging.
6.
Het proces-verbaal van verhoor verdachte van 21 april 2021, p. 48-49:
V: Je was op zaterdag 13 februari 2021 betrokken bij een ongeval op het ijs. Wat kan je daarover verklaren?
A: Ik ben aan het zeilen midden op het meer en die man komt van links. Hij heeft mij niet gehoord of gezien. Hij kon mij niet gezien hebben, want hij keek tegen de laaghangende zon in. Ik zeilde richting [gemeente 2] en had de zon in de rug.
V: Hoe was het zicht?
A: De man heb ik niet kunnen zien, maar het algemene zicht was goed.
V: Hoe is het zicht vanuit de ijszeilboot?
A: Je ligt in een schuitje en ik ging richting [gemeente 2] . Het was oostenwind, dus ik had het zeil links van me. Daardoor zie ik aan de linkerkant niets. Dat hoort bij het ijszeilen.
V: Hoe hard ging jij op het moment van het ongeval?
A: Ik heb er geen snelheidsmeter op zitten, maar als ik een schatting moet maken denk ik 45-50 km/h. Ik kwam net van de rietkraag af, bij [plaats 1] . Ik had net de ijszeiler door het besneeuwde gedeelte geduwd en het bochtje richting [gemeente 2] gemaakt.
V: Hoe rem je met zo’n ijszeilboot?
A: Niet, je kan de schoot (dat is het touw waarmee je het zeil aantrekt) laten vieren en dan moet je met de voet aan de grond de vaart eruit halen.
V: Hoe goed kan je dan remmen?
A: Niet, geen rem.
V: Wanneer zag je de schaatser?
A: Niet, pas toen ik hem geraakt had en ik zelf het besef had wat er gebeurd was, zag ik hem op het ijs liggen.
7.
Het proces-verbaal ter terechtzitting van 28 april 2025, p. 3-4:
Ik ga heenenweer door te sturen en overstag te gaan. Ik schat dat ik 40/50 km/h ging ten tijde van het ongeval. U vraagt mij of het klopt dat er schaatsers waren die overstaken naar de Gelderland-kant en of zij mijn baan kruisten. Ja, dat is een aantal keren gebeurd, niet talloze keren. Als je ’m ziet, dan wijk je uiteraard uit. In een noodtoestand is het mogelijk om meteen te draaien, je laat de schoot los en kunt wegsturen. Je hebt genoeg grip om meteen te sturen. Je hebt meer grip dan op het water. Het is alleen niet mogelijk om te remmen. Ik had de giek op mijn schouder en mijn hoofd tegen het zeil aan. De ruit in het zeil is om doorheen te kijken. Dan zie je de andere kant van het zeil. Dan zie ik de hele lijzijde, maar je hebt altijd een dode hoek omdat de rest van het zeil dicht is. Het deel meer in de richting van de mast kun je daardoor niet zien. Ik kijk wel eens onder de giek door. U vraagt mij hoe vaak. Talloze keren tijdens een rak en als je overstag gaat ook. Als ik opnieuw een baan in zet, dan kijk ik of die vrij is. Dan kijk ik ook naar overstekende schaatsers. U vraagt mij of ik [slachtoffer] heb gezien. Ik had het pas door toen de botsing er was. Ik heb het groepje met wie hij was ook niet gezien. Dan was het ongeval niet gebeurd. U vraagt mij hoe lang de baan was tot het ongeluk. Ik was halverwege. Het was wel 500 meter tot je naar een andere baan gaat. U vraagt mij of het ongeveer 250 meter was. Zo ongeveer. Als ik gedraaid ben, kijk ik of de baan vrij is. Ik kijk door het zeil naar de andere kant en onder de giek door om te kijken of het punt vrij is. Je kunt om de mast heen kijken. U vraagt mij of je dan voldoende ziet. Ja, maar je blijft een dode hoek houden, dat heb je altijd met zeilen. Ik kijk tot de horizon. Aan die kant heb ik niets gezien.
U vraagt mij of ik ook wel eens in een clubje zeil en wat we dan afspreken. Dat gaat automatisch. Je kijkt hoe de wind staat en bepaalt een stip op de horizon. Dan worden de zeilregels toegepast, Met schaatsers valt niet wat af te spreken, ik heb hen nagenoeg niet gesproken. Schaatsers gaan in principe voor.
De voorzitter vraagt hoe zwaar de ijszeiler is. Ik heb ’m nooit gewogen. Ik gok 100 kg.
Ik ben ook aan het zoeken van: wat hadden we kunnen doen om het te voorkomen? Een deel afzetten had gekund. Dat gebeurt bij officiële wedstrijden, maar nu waren we recreatief bezig.
8.
De verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting bij het gerechtshof ArnhemLeeuwarden van 11 september 2026:
Je hebt een kijkglas van plastic in het zeil. Als je wind vangt, kan je het zeil flink aantrekken. Dan kijk je alleen door de ruit. Op foto’s is te zien dat de zon het zicht door de ruit wat belemmert.
De zon viel vol op het ruitje. Daardoor heb ik mogelijk niet kunnen zien wat er te zien was.
Een zeiler kijkt altijd naar de stand van de wind. Je gaat continue zoeken hoe het zeil het beste de wind kan pakken. Je kan over een afstand van tien of vijftien meter heenenweer gaan waarin je zoekt naar wind. Als je zoekt naar wind, is er geen snelheid. Je blijft dan niet op één lijn. Het is mogelijk dat het zicht dan anders wordt. Je kan de ene keer beter door het venster kijken dan de andere keer.
9.
Een schriftelijk bescheid, te weten een brief van de MKA-chirurg van 18 mei 2021, p. 35:
Betreft [slachtoffer]
A. Onderkaakfractuur door hoogenergetisch letsel van rechtsachter. Er was sprake van bloedverlies via de mond en een ernstige kaakbreuk met bedreiging van de luchtweg.
C. Psychische stoornissen: Ja, door de hersenschudding.
E. Operatie van de meervoudige fractuur van de mandibula [onderkaak] met forse dislocatie heeft plaatsgevonden op 13 februari 2021 op de spoedoperatietafel. De fractuur werd gezet met vier platen met in totaal zestien schroeven extra- en intraoraal. Op de lange termijn is er een kans dat door het letsel gebitselementen verloren gaan. Ook is er een kans dat de kaak niet meer de gehele functie zal terugkrijgen. Er staat een her-operatie gepland voor het verwijderen van de twee kiezen en twee platen met acht schroeven.
F. De geschatte duur van de genezing is zes tot twaalf maanden. Wat de gevolgen op de langere termijn zijn, is nog onzeker.
10.
Een schriftelijke slachtofferverklaring van 28 april 2025, p. 1 (van die verklaring):
De impact van deze botsing is enorm geweest. [slachtoffer] liep onder andere de volgende
verwondingen op:
• Een gebroken en deels verbrijzelde kaak, meerdere operaties, blijvend verlies van drie kiezen;
• Niet-aangeboren hersenletsel: overgevoeligheid voor licht, geluid en prikkels;
• Dubbelzien;
• Gescheurde nekspieren, beschadigde nekwervels, chronische pijn;
• Beschadigde schouder: ACluxatie type Tossy 3, gescheurde meniscus, blijvende motorische beperkingen;
• Paniekaanvallen, motorische uitval en extreme vermoeidheid.
Bewijsoverwegingen subsidiair tenlastegelegde
Volgens vaste rechtspraak wordt onder ‘schuld’ als delictsbestanddeel een grove of aanmerkelijke schuld verstaan die bestaat in verwijtbare aanmerkelijke onvoorzichtigheid. Of daarvan sprake is wordt bepaald door de manier waarop die schuld in de tenlastelegging nader is geconcretiseerd en is verder afhankelijk van het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Het komt er daarbij op aan of de verdachte tekortschoot in vergelijking met een gemiddelde andere persoon in vergelijkbare omstandigheden en met een vergelijkbare hoedanigheid. (HR 15 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1398.)
Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat de verdachte met zijn ijszeiler tegen [slachtoffer] is gebotst. [slachtoffer] stak als schaatser het [naam 1] over in de richting van [plaats 1] en kruiste daarbij de baan van de verdachte die een ijszeiler bestuurde. De verdachte zeilde op dat moment in noordoostelijke richting.
Uit de verklaring van de verdachte komt naar voren dat de door hem bestuurde ijszeiler naar schatting ongeveer honderd kg weegt en dat er geen rem op een ijszeiler zit. Het remmen gebeurt door de schoot te laten vieren, in de richting van de wind te sturen en met de voet op het ijs de snelheid eruit te halen. Vanuit zijn ijszeiler had de verdachte beperkt zicht, omdat afgezien van een ruit het zeil niet doorzichtig is en er sprake is van een dode hoek. Ten tijde van het ongeval belemmerde de zon, die de verdachte op dat moment in de rug had, het zicht door de ruit in het zeil doordat het zonlicht in de ruit schitterde.
De verdachte heeft verklaard dat recreatief ijszeilen niet is gereguleerd, in die zin dat er geen vaste regels zijn maar dat schaatsers in principe voorgaan. Tijdens ijszeilwedstrijden worden wel eens pionnen op het ijs geplaatst. De verdachte zeilde naar eigen zeggen ten tijde van het ongeval ongeveer veertig tot vijftig km/h en was zich ervan bewust dat schaatsers het [naam 1] overstaken, ook op de plek waar hij ijszeilde. Dit gebeurde die dag vaker.
Uit de bewijsmiddelen komt naar voren dat de snelheid van de door de verdachte bestuurde ijszeiler op het moment van de botsing op meer dan vijftig km/h wordt geschat, dat het op het moment van het ongeval – om ongeveer 16.00 uur – onbewolkt was en dat het licht van de laaghangende zon door het ijs werd weerkaatst. De schaatsers waaronder het slachtoffer die het [naam 1] overstaken richting [plaats 1] keken tegen de zon in als zij in zuidwestelijke richting naar rechts keken.
Op 13 februari 2021 werd door meerdere ijszeilers op het [naam 1] ter hoogte van [gemeente 2] gezeild. De ruimte die zij gebruikten werd niet door de schaatsers gebruikt.
Op basis van de verklaring van de verdachte en de andere bewijsmiddelen stelt het hof vast dat er grote snelheidsverschillen kunnen ontstaan tussen een ijszeiler en een schaatser, waarbij een ijszeiler maar beperkt mogelijkheden heeft om te remmen. Een schaatser is ten opzichte van een ijszeiler, mede gelet op het gewicht en de snelheid van de ijszeiler, kwetsbaar. Daarbij komt dat het zicht van de bestuurder van een ijszeiler beperkt is. Dit alles noopt naar het oordeel van het hof tot grote oplettendheid en waakzaamheid aan de kant van de bestuurder van een ijszeiler.
Ten tijde en ter plaatse van het ongeval was sprake van onbewolkt weer, een laagstaande zon en zonlicht dat op het ijs werd weerkaatst, waardoor zowel het zicht in noordwestelijke richting van de verdachte als bestuurder van de ijszeiler, door de schittering van het zonlicht in de ruit van het zeil, als het zicht in zuidwestelijke richting van de overstekende schaatsers werd belemmerd. Deze omstandigheid had naar het oordeel van het hof bij de verdachte tot extra oplettendheid en waakzaamheid moeten leiden.
De verdachte is niet gaan ijszeilen op de plek ter hoogte van [gemeente 2] waar andere ijszeilers bezig waren en waar het voor alle aanwezigen op het ijs duidelijk was welk deel van de ijsvlakte door de ijszeilers en welk deel door de schaatsers werd gebruikt. De verdachte heeft de ruimte op het ijs waar hij ijszeilde niet afgezet met bijvoorbeeld pionnen waardoor schaatsers konden zien dat hij daar aan het ijszeilen was. De verdachte heeft in aanloop naar het ongeval slechts beperkt zicht gehad op wat er aan de linkerkant voor hem op het ijs gebeurde. Daardoor heeft hij [slachtoffer] niet gezien. Op het moment dat de verdachte merkte dat zijn zicht nog verder werd belemmerd door de laagstaande zon, de weerkaatsing van het zonlicht op het ijs en de schittering van de zon in de ruit van het zeil – het enige deel van het zeil waardoor hij zicht had naar links – had de verdachte, alle andere omstandigheden en kenmerken van het ijszeilen in aanmerking genomen, zijn snelheid moeten aanpassen (om onder de giek door naar links te kunnen kijken) en als dat niet mogelijk was, de conclusie moeten trekken dat het zicht voor hem te beperkt was geworden om nog te ijszeilen.
Het hof is van oordeel dat de verdachte zich door in de gegeven omstandigheden op de hiervoor beschreven manier te ijszeilen, waardoor de botsing met het slachtoffer is ontstaan, aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en/of nalatig heeft gedragen. De verdachte is naar het oordeel van het hof tekortgeschoten ten opzichte van een gemiddelde andere persoon in vergelijkbare omstandigheden en met een vergelijkbare hoedanigheid. Dit betekent dat de verdachte schuld in de zin van artikel 308 van het Wetboek van Strafrecht heeft aan het ongeval en daarmee aan het ontstaan van het letsel bij het slachtoffer.
Voor zover de verdediging heeft betoogd dat [slachtoffer] (mede)schuld heeft gehad aan de botsing en de botsing daarom niet aan de schuld van de verdachte is te wijten, wordt dat verweer verworpen. Het gaat erom of het ongeval is te wijten aan aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en/of nalatig handelen van de verdachte. Het eventuele onvoorzichtige handelen van een ander die bij het ongeval is betrokken verandert niet zonder meer de beoordeling van het handelen van de verdachte. De suggestie dat [slachtoffer] ten tijde van het ongeval extra snel of zo snel mogelijk heeft geschaatst, vindt slechts beperkt steun in het dossier. Maar zelfs als zou het slachtoffer direct voorafgaand aan het ongeval hebben gesprint dan vormt dit gestelde gegeven, in aanmerking genomen dat het niet ongebruikelijk is dat schaatsers op mooi natuurijs snelheden tot boven 30 km/h bereiken, nog geen omstandigheid die maakt dat het handelen van de verdachte niet als aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en/of nalatig kan worden aangemerkt. De verdachte had ook met schaatsers met een dergelijke snelheid rekening moeten houden.
[slachtoffer] heeft door het ongeval een meervoudige kaakbreuk opgelopen, in verband waarmee hij verscheidene operaties heeft moeten ondergaan. Daarnaast heeft [slachtoffer] blijvend nietaangeboren hersenletsel aan de botsing overgehouden. Tussen partijen staat niet ter discussie en ook het hof is van oordeel dat het letsel van het slachtoffer als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt.
Bewezenverklaring
Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op of omstreeks 13 februari 2021 in de gemeente [gemeente 1] en/of de gemeente [gemeente 2] , althans in de provincie Flevoland en/of Gelderland, in elk geval in Nederland,
zich grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam en/of nalatig heeft gedragen, hierin bestaande dat verdachte als gebruiker dan wel bestuurder van een ijszeiler,
- terwijl hij wist dat de door hem bestuurde/gebruikte ijszeiler slechts in beperkte mate afgeremd kon worden en/of steeds moeilijker afgeremd kon worden bij hogere snelheden en/of niet was voorzien van een rem en/of
- terwijl hij wist dat de ijszeiler slechts in beperkte mate van richting veranderd kon worden en/of
- terwijl zijn zicht op eventuele andere aanwezigen op het ijs aan zijn linkerzijde (geheel) werd belemmerd en/of
- terwijl hij wist dat (eventuele) zich op het ijs bevindende personen mogelijk door de zon verblind konden worden wanneer deze personen zich voor en/of links van hem bevonden en/of
- terwijl ter plaatse een of meerdere (zich op schaatsen voortbewegende) personen aanwezig waren,
- met een hogere snelheid zich heeft voortbewogen dan die voor veilige recreatie en/of veilig verkeer ter plaatse geboden was en/of zijn snelheid niet of onvoldoende heeft aangepast aan de situatie ter plaatse en/of
- niet of in onvoldoende mate naar eventuele overige aanwezigen heeft gekeken en/of is blijven kijken en/of zich niet of in onvoldoende mate heeft vergewist of links van hem anderen zich bevonden en/of
- de snelheid van de ijszeiler niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was de ijszeiler tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij het ijs kon overzien en/of waarover deze vrij was en/of
- is gebotst tegen, althans in aanraking gekomen, met een zich op het ijs bevindende (zich op schaatsen voortbewegende) persoon,
waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen, althans zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de ambts- of beroepsbezigheden van deze was ontstaan.
Het hof spreekt de verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het subsidiair bewezenverklaarde levert op:
aan zijn schuld te wijten zijn dat een ander zwaar lichamelijk letsel bekomt.
Strafbaarheid van de verdachte
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal heeft aangevoerd dat de verdachte zeker niet alles eraan heeft gedaan om een ongeluk te voorkomen.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft gesteld dat sprake is van afwezigheid van alle schuld, omdat de verdachte er alles aan heeft gedaan om zo voorzichtig mogelijk gebruik te maken van zijn ijszeiler ten behoeve van de veiligheid van andere aanwezigen en voor zichzelf.
Oordeel van het hof
Het hof heeft hiervoor overwogen waarom de verdachte zich aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en/of nalatig heeft gedragen en daarom schuld in de zin van artikel 308 van het Wetboek van Strafrecht heeft aan het ten laste gelegde ongeval. Dit oordeel betekent dat van afwezigheid van alle schuld geen sprake is. De onderbouwing van het oordeel geeft daarvoor de redenen. De verdachte is strafbaar omdat ook overigens geen omstandigheid aannemelijk is geworden die maakt dat de verdachte niet strafbaar is.
Oplegging van straf
De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf van honderdtwintig uren met een proeftijd van één jaar.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf van honderdtwintig uren waarvan veertig uren voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Een geheel voorwaardelijke taakstraf is vanuit een oogpunt van normbevestiging niet passend.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat mocht het hof tot een bewezenverklaring komen met een rechterlijk pardon zou moeten worden volstaan. Met het opleggen van een straf wordt geen enkel strafdoel gediend.
Oordeel van het hof
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft op 13 februari 2021 een botsing veroorzaakt tussen de door hem bestuurde ijszeiler en [slachtoffer] als schaatser. Het ongeluk was niet gebeurd als de verdachte in de richting waarin hij zeilde beter naar links had gekeken. De verdachte heeft [slachtoffer] niet gezien waardoor hij tegen hem is gebotst. Ook al heeft de verdachte de gevolgen van zijn handelen niet gewild, feit is dat door zijn toedoen een ander zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.
Wat begon als een leuke dag schaatsen, is voor het slachtoffer dramatisch geëindigd. [slachtoffer] ondervindt nog dagelijks de fysieke en mentale gevolgen van de botsing. Door het ongeval heeft hij niet-aangeboren hersenletsel opgelopen wat zijn leven blijvend beïnvloedt. Zo kon hij vanwege zijn beperkingen niet bij de zitting in hoger beroep aanwezig zijn. De stress en emoties van een zitting zijn voor hem een te zware belasting. Voor het slachtoffer en zijn familie is er tragisch genoeg een leven voor en na de klap.
Tijdens de zitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard wat de botsing met hem heeft gedaan. Voor het hof is duidelijk geworden dat het ongeval hem niet onberoerd heeft gelaten. Hij heeft lange tijd psychisch last gehad van het ongeluk. Inmiddels is hij gestopt met ijszeilen. Zolang er geen duidelijke aanvullende regels zijn, kan hij het niet meer opbrengen om met de ijszeiler het ijs op te gaan.
De strafoplegging is vooral bedoeld om tot uitdrukking te brengen hoe belangrijk het is dat de bestuurder van een ijszeiler voldoende zorgvuldig en oplettend is. IJszeilen kan vanwege het ontbreken van een rem en het bereiken van snelheden van meer dan vijftig km/h risicovol zijn, zeker in een land als Nederland waar als de omstandigheden voor ijszeilen gunstig zijn ook veel andere recreanten en met name schaatsers van het ijs gebruikmaken. Een botsing tussen een ijszeiler en een schaatser of een voetganger kan grote gevolgen hebben, zoals ook blijkt uit het zwaar lichamelijk letsel dat het slachtoffer in deze zaak heeft opgelopen.
Het hof houdt ook rekening met de gevolgen van de botsing voor de verdachte. Hij zal moeten leven met het besef dat hij schuldig is aan het veroorzaken van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer] . Daarnaast heeft de verdachte geen relevant strafblad en lijkt hij zijn leven goed op orde te hebben.
Het hof acht alles afwegende een geheel voorwaardelijke taakstraf van honderdtwintig uren met een proeftijd van één jaar passend en geboden. Met de hoogte van de taakstraf beoogt het hof recht te doen aan de ernst van het feit. Door de taakstraf geheel voorwaardelijk op te leggen, wordt tegemoetgekomen aan de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Omdat het hof een geheel voorwaardelijke straf oplegt, volstaat het met de constatering dat in eerste aanleg de redelijke termijn is overschreden.
Wetsartikelen
De straf is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 308 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.
Bepaalt dat de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 1 (één) jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Aldus gewezen door
mr. N.C. van Lookeren Campagne, voorzitter,
mr. N.I.S. Boers en mr. D. Stikkelbroeck, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. T. Lammerdink, griffier,
en op 9 oktober 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.