ECLI:NL:GHARL:2026:6511

ECLI:NL:GHARL:2026:6511

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 09-10-2026
Datum publicatie 12-10-2026
Zaaknummer 21-002262-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Het hof veroordeelt verdachte voor het overtreden van artikel 6 van de Wegenverkeerwet door aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam rijgedrag met een zwaarbeladen aanhanger. Ten gevolge van het ongeval is een fietser overleden. Het hof legt aan verdachte een taakstraf voor de duur van 240 uren op. Daarnaast wordt een geheel voorwaardelijk ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen opgelegd voor de duur van 12 maanden. Het hof heeft ook een beslissing genomen over de vorderingen van de benadeelde partijen en de vordering tot tenuitvoerlegging wordt toegewezen.

Uitspraak

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 2004 in [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 25 september 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.

Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. J.P.A. van Schaik, en mr. S.C. van Bunnik, de advocaat van de benadeelde partij, hebben aangevoerd.

Het vonnis

De rechtbank heeft verdachte voor het overtreden van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood, veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 18 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. Daarnaast heeft de rechtbank een beslissing genomen over de vorderingen van de benadeelde partijen. Ten slotte is de vordering tot tenuitvoerlegging toegewezen.

Het hof legt aan verdachte een andere straf op. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

primairhij, op of omstreeks 24 oktober 2023, te [plaats] , althans in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto met aanhangwagen), daarmede rijdende over de weg, de [straatnaam] , zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,

- terwijl het remsysteem van de aanhangwagen ernstige gebreken vertoonde, althans niet naar behoren werkte en/of

- met een (overbeladen) aanhangwagen te rijden en/of (daarmee) het maximale trekgewicht van de bedrijfsauto met ruim 1100 kilogram te overschrijden en/of

- (vervolgens) een voetgangersoversteekplaats te naderen met een indicatieve gemiddelde snelheid van minimaal 54 kilometer per uur en maximaal 66 kilometer per uur, althans met een hogere snelheid dan de toegestane maximumsnelheid van 50 kilometer per uur en/of voor een veilig verkeer ter plaatse verantwoord was, terwijl die voetgangersoversteekplaats was aangegeven door middel van een bord conform model L2 van de Bijlage 1 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 omkaderd met een fluorescerend geel kader met knipperlichten en/of

- terwijl op dat moment een fietsster ( [slachtoffer] ) - met ingeschakelde verlichting op haar fiets - doende was voornoemde voetgangersoversteekplaats over te steken, althans die zich (daartoe) op die voetgangersoversteekplaats bevond en/of

- (vervolgens) niet, althans niet tijdig en/of voldoende af te remmen en/of niet, althans niet tijdig en/of voldoende uit te wijken voor voornoemde [slachtoffer] , waardoor hij, verdachte, tegen die [slachtoffer] is gebotst en/of is aangereden waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) werd gedood;

subsidiairhij, op of omstreeks 24 oktober 2023, te [plaats] , althans in Nederland, als bestuurder van een voertuig (bedrijfsauto met aanhangwagen), daarmee rijdende op de weg, de [straatnaam] ,

- terwijl het remsysteem van de aanhangwagen ernstige gebreken vertoonde, althans niet naar behoren werkte en/of

- met een (overbeladen) aanhangwagen heeft gereden en/of (daarmee) het maximale trekgewicht van de bedrijfsauto met ruim 1100 kilogram heeft overgeschreden en/of - (vervolgens) een voetgangersoversteekplaats is genaderd met een indicatieve gemiddelde snelheid van minimaal 54 kilometer per uur en maximaal 66 kilometer per uur, althans met een hogere snelheid dan de toegestane maximumsnelheid van 50 kilometer per uur en/of voor een veilig verkeer ter plaatse verantwoord was, terwijl die voetgangersoversteekplaats was aangegeven door middel van een bord conform model L2 van de Bijlage 1 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 omkaderd met een fluorescerend geel kader met knipperlichten en/of - terwijl op dat moment een fietsster ( [slachtoffer] ) - met ingeschakelde verlichting op haar fiets

- doende was voornoemde voetgangersoversteekplaats over te steken, althans die zich (daartoe) op die voetgangersoversteekplaats bevond en/of

- (vervolgens) niet, althans niet tijdig en/of voldoende heeft afgeremd en/of niet, althans niet tijdig en/of voldoende is uitgeweken voor voornoemde [slachtoffer] , waardoor hij, verdachte, tegen die [slachtoffer] is gebotst en/of is aangereden, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverweging

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen. Zij heeft hiertoe – kort gezegd – aangevoerd dat verdachte met een gebrekkige en onzorgvuldig beladen aanhanger en een overschrijding van de maximale snelheid op een nat wegdek op een voetgangersoversteekplaats is afgereden. Verdachte heeft niet voldoende geanticipeerd op deze voetgangersoversteekplaats. Hij reed te hard en heeft zijn snelheid niet aangepast aan de situatie. Toen hij het slachtoffer – fietsend – zag oversteken, heeft hij geen noodremming uitgevoerd. Daarmee heeft verdachte aanmerkelijke onvoorzichtigheid gehandeld en is er sprake van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van zowel het primair als het subsidiair tenlastegelegde. Verdachte was niet op de hoogte van de gebreken aan de aanhangwagen en omdat hij in een leer-werktraject werkzaam was, behoefde hij er niet aan te twijfelen dat de aanhanger gebreken vertoonde. Hij heeft dat ook niet gemerkt, terwijl hij eerder met de combinatie had gereden. Daarnaast kan niet worden vastgesteld dat verdachte te hard heeft gereden. Verdachte ontkent niet dat extra oplettendheid geboden is bij het naderen van een voetgangersoversteekplaats, maar verdachte heeft een noodremming uitgevoerd en hij heeft uitgeweken toen het slachtoffer voor verdachte zichtbaar was. Daardoor is er onvoldoende sprake van strafrechtelijke schuld aan de zijde van verdachte.

Oordeel van het hof

Juridisch kader

In het algemeen geldt dat onder ‘schuld’ als delictsbestanddeel een grove of aanmerkelijke schuld wordt verstaan. Of daarvan sprake is, wordt bepaald door de manier waarop die schuld in de tenlastelegging nader is geconcretiseerd en is verder afhankelijk van het geheel van de gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. ‘Schuld’ als delictsbestanddeel bestaat in verwijtbare aanmerkelijke onvoorzichtigheid. Het komt er daarbij op aan of verdachte tekortschoot in vergelijking met een gemiddelde andere persoon in vergelijkbare omstandigheden en met een vergelijkbare hoedanigheid.

Bij de beoordeling van schuld aan een verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 komt het aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Niet al uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met een of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in de hier bedoelde zin.

In de rechtspraak van de Hoge Raad over schuld in de zin van artikel 6 van de

Wegenverkeerswet 1994 is tot uitdrukking gebracht dat uit de enkele omstandigheid dat de verdachte een andere verkeersdeelnemer aan wie hij voorrang had moeten verlenen, niet heeft gezien hoewel deze voor hem wel waarneembaar moet zijn geweest en de verdachte daarop zijn rijgedrag moet hebben kunnen afstemmen, nog niet kan volgen dat de verdachte zich ‘aanmerkelijk onoplettend en onvoorzichtig’ heeft gedragen.

De achtergrond van deze rechtspraak is dat van iedere verkeersdeelnemer mag worden verwacht dat hij zijn gedrag afstemt op (onder meer) andere, voor hem waarneembare of te verwachten verkeersdeelnemers aan wie hij voorrang moet verlenen of met wie hij anderszins in zijn rijgedrag rekening moet houden.

Uit deze rechtspraak kan echter niet als algemene regel worden afgeleid dat schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 in geen geval kan worden bewezenverklaard als de gedraging van de verdachte die heeft geleid tot het ongeval, haar aanleiding vindt in uitsluitend een enkel moment van onoplettendheid. De omstandigheden van het geval – waartoe ook de aard van de verkeerssituatie kan worden gerekend – kunnen immers zodanige aandacht vergen dat ook een kort moment van onoplettendheid als zeer onvoorzichtig kan worden aangemerkt.

(HR 15 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1398, rechtsoverweging 2.6.1 en 2.6.3.)

De feiten

Op 24 oktober 2023 heeft om 07.01 uur ’s ochtends een ongeval plaatsgevonden aan de [straatnaam] in [plaats] . De maximale toegestane snelheid op deze weg is 50 kilometer per uur. Het slachtoffer [slachtoffer] kwam met de fiets uit het steegje ter hoogte van de voetgangersoversteekplaats. Uit een zichtbaarheidsonderzoek bleek dat de fiets bij nadering van de voetgangersoversteekplaats vrijwel geheel wegviel achter een ongeveer 1,1 meter hoge heg. Het slachtoffer reed met ingeschakelde verlichting. De ingeschakelde verlichting op de fiets was minimaal 0,3 meter lager dan de heg waardoor deze ook wegviel achter de heg. Op de hoek van de steeg en het trottoir van de [straatnaam] stond een lantaarnpaal, gezien vanuit de rijrichting van de bedrijfsauto voorafgaand aan de steeg. De bestuurster van de fiets passeerde de lantaarnpaal aan de rechterzijde, hierdoor werd de linkerzijde van de bestuurster van de fiets verlicht. Hierdoor is mogelijk dat de fietsster al zichtbaar geweest op het moment dat zij zich nog voor dan wel achter de kliko bevond. De lichtbron van de lantaarnpaal bevond zich boven het vrijliggende fietspad, op een afstand van ongeveer 1,4 meter voorbij de uiterste rand van de steeg en ongeveer 0,6 meter links naast de uiterste linkerzijde van de steeg. Uit de camerabeelden bleek dat de rug van de bestuurster al ruim twee seconden was verlicht voordat de bestuurder van de bedrijfsauto zijn remming inzette. Op dat moment, ruim 2 seconden voor het inzetten van de remming, was de bestuurster van de fiets de afvalcontainer al gepasseerd, en is het aannemelijk dat de op de banden van de fiets aanwezige zijreflectie zichtbaar moet zijn geweest voor de bestuurder van de bedrijfsauto. Boven de voetgangersoversteekplaats bevond zich een portaal. Aan dit portaal was midden boven de rijbaan een lichtbron aangebracht welke de voetgangersoversteekplaats volledig en fel verlichtte. Gezien de positie van de lichtbron en het lichtbeeld is het zeer aannemelijk dat de bestuurster van de fiets al nabij de hoek van de steeg en het trottoir van de [straatnaam] werd verlicht en op dat moment al zichtbaar moet zijn geweest voor de bestuurder van de bedrijfsauto.

Het slachtoffer wilde op haar fiets via de voetgangersoversteekplaats de [straatnaam] oversteken. Verdachte kwam in zijn bedrijfsauto vanaf links aanrijden en is in botsing gekomen met het slachtoffer. De fiets botste tegen de rechterzijde van de bedrijfsauto en de fiets werd met het slachtoffer enkele tientallen meters meegenomen, vrijwel zeker door de achter de bedrijfsauto gekoppelde schamelaanhangwagen. Zij kwamen tot stilstand op het linksgelegen fietspad voorbij de voetgangersoversteekplaats. Het slachtoffer overleed ter plaatse aan de gevolgen van de aanrijding.

Uit validatie van de camerabeelden van het ongeval bleek dat de fietsster met zeer lage snelheid (omstreeks 7 km/u) vanuit de steeg de voetgangersoversteekplaats was opgereden. Middels de beeldvalidatie werd vastgesteld dat de snelheid van de bedrijfsauto bij nadering van de voetgangersoversteekplaats toenam tot het moment dat de remming werd ingezet, zijnde een gemiddelde indicatieve snelheid van ongeveer 60 km/u over de laatste ongeveer 21 meter voorafgaand aan het rempunt. Rekening houdend met de methodiek voor snelheidsberekening die voorschrijft dat een voertuig bij elke geselecteerde frame op drie posities dient te worden teruggeplaatst (duidelijk ervoor, zo nauwkeurig mogelijk op de gekozen positie, en duidelijk er voorbij), resulteert dit in een indicatieve gemiddelde snelheid van minimaal 54 km/u en maximaal 66 km/u over de laatste ongeveer 21 meter voorafgaand aan het rempunt.

Verdachte heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat hij op korte afstand woont van de plaats van het ongeval en vaker langs deze plek reed. Hij wist dat naast de voetgangersoversteekplaats een steeg zat.

Op de zitting bij de rechtbank heeft verdachte verklaard het voor het ongeval vroeg was en donker en dat het miezerde. Er was geen verkeer op de weg toen hij de voetgangersoversteekplaats naderde. Verdachte verklaarde dat het een lastige voetgangersoversteekplaats is, omdat het zicht wordt belemmerd. Er is pas heel laat zicht aan de rechterkant, omdat daar parkeervakken voor auto’s staan. Verdachte heeft ook verklaard dat hij er die ochtend niet bewust aan heeft gedacht om bij het naderen van de voetgangersoversteekplaats wat snelheid te minderen. Hij verklaarde wel dat “je gewoon rekening houdt met de aanhangwagen”. Daarbij heeft verdachte benadrukt dat het vroeg op de ochtend was en de weg helemaal leeg was, en heeft hij toegelicht: “Als er een aanhangwagen achter een bedrijfsauto hangt, rem je eerder dan zonder aanhangwagen. Je houdt er rekening mee, omdat er gewicht achter de bedrijfsauto hangt. Dat betekent dat je eerder moet remmen, omdat het samenstel zwaarder is. Er kan iets misgaan als je abrupt remt”.

Noodremming

De raadsman heeft aangevoerd dat sprake is van onvoldoende schuld bij verdachte. Daartoe is er onder meer op gewezen dat de verdachte een noodremming heeft gemaakt, en uit de camerabeelden volgt dat op enige afstand van de voetgangersoversteekplaats de remlichten van de bedrijfsauto licht uit begonnen te stralen en dat daar een remming werd ingezet die ononderbroken is uitgevoerd.

Het hof stelt vast dat remproeven zijn gedaan onder omstandigheden waaronder de aanrijding heeft plaatsgevonden, namelijk met een overbeladen aanhanger waarvan de reminrichting nauwelijks functioneerde. Tijdens de twee remproeven zijn gemiddelde remvertragingen van 3,74 en 3,60 m/s² bepaald. Bij een snelheid van 66 kilometer per uur, zou het samenstel ongeveer 45,4 meter remweg nodig hebben gehad om tot stilstand te komen. Tijdens het ongeval kwam het samenstel tot stilstand op het linksgelegen vrijliggende fietspad, ongeveer 51,9 meter voorbij het rempunt (zie het proces-verbaal van de forensische opsporing verkeer, forensisch onderzoek plaats incident van 8 mei 2024, pagina 105).

Deze langere remweg kan erop duiden dat óf de snelheid van de bedrijfsauto bij het inzetten van de remming aanmerkelijk hoger is geweest dan 66 kilometer per uur óf dat niet gedurende de hele remming (volledig) is geremd. Het hof stelt echter ook vast dat niet alle omstandigheden rond de remming zijn opgehelderd. Er zijn camerabeelden beschikbaar, maar niet van het vermoedelijke botspunt tot aan de eindpositie. Het hof kan bij die stand van zaken met onvoldoende zekerheid vaststellen of wel of niet een volledige noodremming is ingezet en is volgehouden. Daarbij speelt ook mee dat het hof wel wil aannemen dat verdachte, toen hij het slachtoffer eenmaal had opgemerkt, zijn uiterste best heeft gedaan om de aanrijding te voorkomen door te remmen en uit te wijken.

Het (schuld)verwijt dat verdachte kan worden gemaakt ligt naar het oordeel van het hof eerder in de tijd, en betreft de gedragingen van verdachte voorafgaand aan het remmen.

Te hard rijden en onvoldoende aanpassen snelheid

De afdeling forensische opsporing verkeer van de politie (hierna: FO-v) heeft onderzoek gedaan naar de snelheid die verdachte met de bedrijfsauto heeft gereden voorafgaand aan het ongeval. De snelheid is vastgesteld door de methode van beeldvalidatie, waarbij de bedrijfsauto met behulp van de camera en laptop van een omwonende is teruggeplaatst op vijf posities die zichtbaar zijn op de ongevalsbeelden die met diezelfde camera zijn gemaakt. Met behulp van landmeetapparatuur zijn de afstanden tussen de posities bepaald en is een indicatieve gemiddelde snelheid berekend.

De FO-v heeft berekend dat de indicatieve gemiddelde snelheid van de bedrijfsauto bij het naderen van de voetgangersoversteekplaats tussen de 54 en 66 kilometer per uur moet hebben gelegen. De verdachte reed deze snelheid over de laatste ongeveer 21 meter voorafgaand aan het rempunt.

Het hof leidt daaruit af dat verdachte harder reed dan de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 50 kilometer per uur.

De raadsman heeft betwist dat verdachte te hard, tussen de 54 en 66 kilometer per uur, heeft gereden. De raadsman heeft er daartoe op gewezen dat het botspunt slechts bij benadering kon worden vastgesteld aan de hand van ongevalsbeelden die volgens de raadsman “zeer vaag en onduidelijk zijn” en niet aan de hand van fysieke sporen op het wegdek. Zoals hiervoor is weergegeven is de snelheid bepaald met de methode van beeldvalidatie en, anders dan de raadsman stelt, niet (mede)berekend aan de hand van een bij benadering vastgesteld botspunt. Gelet daarop en op de omstandigheid dat de onderzoekers in hun rapport spreken van het terugplaatsen van de voertuigen op “duidelijk zichtbare posities in geselecteerde beelden” kan naar het oordeel van het hof worden vastgesteld dat de gereden snelheid op een voldoende betrouwbare manier kon worden berekend om deze berekening (mede) voor een bewezenverklaring te kunnen gebruiken.

Extra voorzichtigheid

Het hof overweegt dat in de verkeerssituatie waar het ongeval heeft plaatsgevonden extra voorzichtigheid van verdachte mocht worden verwacht. Op de [straatnaam] bevindt zich namelijk een voetgangersoversteekplaats. Juist bij voetgangersoversteekplaatsen geldt dat automobilisten extra oplettend moeten zijn voor kwetsbare verkeersdeelnemers die willen oversteken. Daar komt bij dat dit een onoverzichtelijke voetgangersoversteekplaats was, omdat er vanaf de weg geen goed zicht was op naderende voetgangers of fietsers. Aan de rechterkant van de oversteekplaats ligt namelijk een steeg, die wordt afgescheiden door een heg van ruim een meter hoog. Ook belemmerden geparkeerde auto’s het zicht. Verdachte kende deze situatie en wist dat extra oplettendheid geboden was. Naar het oordeel van het hof mocht van verdachte dan ook worden verwacht dat hij zijn rijgedrag, waaronder zijn snelheid, hierop afstemde, zodat hij verkeersdeelnemers die willen oversteken op tijd kon waarnemen. Dat verdachte zijn rijgedrag moest aanpassen aan de situatie, gold hier te meer, nu op de ochtend van het ongeval het nog donker was en het miezerde.

Verdachte stelt zelf dat hij het slachtoffer pas op het laatste moment ineens zag en toen heel hard heeft geremd. Uit onderzoek is echter gebleken dat het slachtoffer in ieder geval al ruim twee seconden voordat de remlichten van de bedrijfsauto aangingen verlicht werd door de straatlantaarn en zich niet meer (deels) achter de heg, waardoor haar rug en vermoedelijk ook de reflectie aan de zijkanten van banden van de fiets zichtbaar zijn geweest. Daaruit volgt dat verdachte – ook als rekening wordt gehouden met reactietijd – het slachtoffer eerder had kunnen zien. Daarbij betrekt het hof dat het slachtoffer weliswaar als fietser de voetgangersoversteekplaats is opgereden en strikt genomen dus geen voorrang had, maar dat zij wel de voetgangersoversteekplaats op is gefietst met een lage snelheid van 7 kilometer per uur, een snelheid die nauwelijks hoger lag dan die van een voetganger.

Gelet op het de hiervoor beschreven omstandigheden is het hof van oordeel dat verdachte zich onvoldoende ervan heeft vergewist of er iemand bij de voetgangersoversteekplaats wilde oversteken en daartoe onvoldoende op tijd zijn snelheid heeft geminderd. Verdachte heeft het slachtoffer op een te laat tijdstip gezien, terwijl hij haar eerder had kunnen zien en ook had moeten zien.

Aanhanger met zeer zware belading

Bij dit alles betrekt het hof dat verdachte met een zeer zwaar beladen aanhanger reed, en dat die omstandigheid van invloed was op de remweg en tot gevaarlijke situaties zou kunnen leiden bij abrupt remmen. Verdachte heeft weliswaar gesteld dat hij altijd met het gewicht rekening hield, maar hij is op de ochtend van 24 oktober 2023 de voetgangersoversteekplaats genaderd zonder snelheid te minderen, althans met een snelheid die nog steeds boven de maximaal toegestane snelheid lag en onder de gegeven omstandigheden te hoog was.

Deelvrijspraak ten aanzien van de overbeladen en het remsysteem

Hoewel uit het dossier volgt dat de aanhanger van de bedrijfsauto zodanig was beladen dat sprake was van een overbeladen aanhangwagen en het trekgewicht van de bedrijfsauto werd overschreden, is het de vraag of verdachte van de niet-naleving van de beladingsregels een (schuld)verwijt kan worden gemaakt. Verdachte was namelijk ten tijde van het ongeval werkzaam in een leer-werktraject. De aanhangwagen was van zijn werkgever en verdachte was in de veronderstelling dat de aanhangwagen in orde was. Verdachte wist dat hij zwaar beladen was, maar hij wist niet dat de aanhangwagen overbeladen was of dat hij daarmee het maximale trekgewicht van de bedrijfsauto met ruim 1100 kilogram heeft overschreden. Ten aanzien van deze onderdelen kan verdachte geen strafrechtelijk relevant verwijt worden gemaakt, zodat het hof hem daarvan partieel zal vrijspreken.

Hetzelfde geldt ten aanzien van de uit het dossier volgende omstandigheid dat sprake was ernstige gebreken aan het remsysteem van de aanhangwagen.

Conclusie Verdachte wist dat hij in een lastige onoverzichtelijke verkeerssituatie reed met een zeer zwaar beladen aanhanger en dat dit van hem vergde dat hij zijn rijgedrag zou aanpassen. Verdachte stelt daarover weliswaar dat hij bij het naderen van een voetgangersoversteekplaats doorgaans zijn snelheid aanpast en dat hij bij het rijden met een aanhanger daarmee rekening houdt omdat abrupt remmen tot onveilige situaties leidt, dat verdachte dit die ochtend heeft gedaan blijkt echter niet. In tegendeel, verdachte zag het slachtoffer op een zeer laat moment, waar zij wel eerder voor hem zichtbaar was. Dit duidt erop dat verdachte zich die ochtend onvoldoende ervan heeft vergewist of iemand – op voetgangerssnelheid – de voetgangersoversteekplaats wilde oversteken. Daar komt bij dat verdachte reed met een snelheid die boven de toegestane maximumsnelheid lag en dat verdachte ook bij het naderen van voetgangersoversteekplaats zijn snelheid niet tot een veilige snelheid heeft vertraagd. Door deze combinatie heeft verdachte zichzelf in een situatie gebracht waarin hij genoodzaakt was een abrupte remming in te zetten en niet meer in staat was op een veilige manier tot stilstand te komen of het slachtoffer te ontwijken. Verdachte is op die manier zodanig tekortgeschoten in de aandacht die van hem mocht worden gevergd, dat zijn rijgedrag als aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam moet worden aangemerkt.

Daarmee heeft verdachte zich zodanig gedragen dat het tenlastegelegde verkeersongeval aan zijn schuld is te wijten in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. Het hof komt daarom tot een bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

primairhij, op of omstreeks 24 oktober 2023, te [plaats] , althans in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto met aanhangwagen), daarmede rijdende over de weg, de [straatnaam] , zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend,

- terwijl het remsysteem van de aanhangwagen ernstige gebreken vertoonde, althans niet naar behoren werkte en/of

- met een (overbeladen) aanhangwagen te rijden en/of (daarmee) het maximale trekgewicht van de bedrijfsauto met ruim 1100 kilogram te overschrijden en/of

- (vervolgens) een voetgangersoversteekplaats te naderen met een indicatieve gemiddelde snelheid van minimaal 54 kilometer per uur en maximaal 66 kilometer per uur, althans met een hogere snelheid dan de toegestane maximumsnelheid van 50 kilometer per uur en/of voor een veilig verkeer ter plaatse verantwoord was, terwijl die voetgangersoversteekplaats was aangegeven door middel van een bord conform model L2 van de Bijlage 1 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 omkaderd met een fluorescerend geel kader met knipperlichten en/of

- terwijl op dat moment een fietsster ( [slachtoffer] ) - met ingeschakelde verlichting op haar fiets - doende was voornoemde voetgangersoversteekplaats over te steken, althans die zich (daartoe) op die voetgangersoversteekplaats bevond en/of

- (vervolgens) niet, althans niet tijdig en/of voldoende af te remmen en/of niet, althans niet tijdig en/of voldoende uit te wijken voor voornoemde [slachtoffer] , waardoor hij, verdachte, tegen die [slachtoffer] is gebotst en/of is aangereden waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) werd gedood.

Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.

Het primair bewezenverklaarde levert op:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf en maatregel

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 240 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 dagen hechtenis. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan verdachte wordt opgelegd een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen van 18 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk op te leggen met een proeftijd van 3 jaren.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht dat – indien het hof toekomt aan een strafoplegging – aan verdachte geen onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen op te leggen.

Oordeel van het hof

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een ongeval onder de omstandigheden zoals hierboven zijn uiteengezet. Door het ongeval is het slachtoffer overleden. Met het handelen van verdachte is onherstelbaar leed toegebracht aan de nabestaanden van het slachtoffer. De vader, moeder en de oudste broer van het slachtoffer hebben dit onder woorden gebracht in hun slachtofferverklaringen. Het hof realiseert zich dat voor de nabestaanden geen enkele straf recht zal doen aan het gemis dat zij, en andere nabestaanden, hun leven lang nog zullen voelen.

Het hof heeft als vertrekpunt van denken over een op te leggen straf gekeken naar de oriëntatiepunten voor straftoemeting voor zaken waarin sprake is van schuld aan het veroorzaken van een verkeersongeval met ernstige gevolgen. Daarin is als uitgangspunt vermeld voor het met aanmerkelijke schuld veroorzaken van een verkeersongeval met de dood als gevolg, een taakstraf van 240 uren en een rijontzegging van één jaar.

Verder heeft het hof rekening gehouden met het uittreksel justitiële documentatie van 28 augustus 2026, waaruit volgt dat verdachte eerder verkeersovertredingen heeft begaan. Dit weegt het hof strafverzwarend mee.

Het hof ziet echter ook dat verdachte erg heeft te lijden onder wat er is gebeurd en wat hiervan de desastreuze gevolgen voor een mensenleven zijn geweest. Tijdens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep heeft het hof de indruk gekregen dat ook de verdachte worstelt met emoties. Verdachte heeft na het ongeval via zijn vader geprobeerd toenadering te zoeken tot de nabestaanden, maar dat is niet gelukt. Verdachte zal de gevolgen van het verkeersongeval zijn verdere leven met zich mee moeten dragen

Vanwege de ernst van de feiten en de gevolgen ervan is het hof van oordeel dat de

oplegging van de maximale taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 uren hechtenis een passende straf is.

Ter bescherming van de verkeersveiligheid en om de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking te brengen, zal het hof daarnaast een geheel voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid om voertuigen te besturen van twaalf maanden, met een proeftijd van drie jaren opleggen. Het hof ziet aanleiding om die rijontzegging in voorwaardelijke zin op te leggen onder meer vanwege de gevolgen die een onvoorwaardelijke rijontzegging voor de baan van verdachte zullen hebben. Gelet op de relatief jonge leeftijd van verdachte acht het hof het van belang dat hij werk als zelfstandige in de bestratingsbranche kan blijven doen. Het hof heeft bovendien de indruk gekregen dat de verdachte doordrongen is van de verantwoordelijkheid die hij als verkeersgebruiker heeft. De oplegging van een voorwaardelijke ontzegging dient er toe dat verdachte zich over een langere periode bewust hiervan bewust blijft.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 44.568,62 ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag voor een deel toegewezen tot een bedrag van € 34.568,62.

Materieel

De advocaat van de benadeelde partij heeft aangevoerd dat de kosten van de psycholoog deels zijn vergoed, de reiskosten naar de psycholoog, de uitvaart en de laptop reeds zijn vergoed door de verzekeraar.

De gevorderde materiële kosten bestaan nu uit:

- kosten psycholoog: € 947,25;

- kosten vliegtickets: € 525,64.

Immaterieel

De advocaat van de benadeelde partij heeft aangevoerd dat de affectieschade voor [benadeelde 1] is vastgesteld en erkend op € 17.500,00. Dat betekent dat de vordering ten aanzien van de affectieschade wordt verlaagd tot een bedrag van € 2.500,00, nu die schade nog resteert.

De gevorderde immateriële kosten bestaan nu uit:

- affectieschade: € 2.500,00

- shockschade: € 20.000,00.

In hoger beroep wordt door de benadeelde partij een totaalbedrag van € 23.972,89 gevorderd.

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen, met dien verstande dat de gevorderde affectieschade is verlaagd, met toekenning van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering, enerzijds vanwege de bepleite vrijspraak en anderzijds omdat de vordering te complex is voor behandeling in het strafproces vanwege de civielrechtelijke eis van de aansprakelijkheid.

Daarnaast blijkt uit een brief van de verzekeraar dat de aansprakelijkheid voor wat betreft de shockschade is erkend. Ook is er een voorschot gedaan onder algemene titel en zijn er kosten van de psycholoog vergoed. Het is nu niet volledig duidelijk wat er nu kan worden vergoed bij de verzekeraar en wat er nog bij het hof kan worden gevorderd. De vordering dient vanwege deze onduidelijkheid te worden afgewezen, omdat deze vordering te onredelijke belastend is voor het rechtsgeding.

Ten aanzien van de gevorderde affectieschade heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de in de eerste instantie gevorderde € 20.000,00 past bij het Besluit vergoeding affectieschade. De raadsman heeft ten aanzien van de resterende € 2.500,00 ook geen verweer gevoerd.

Oordeel van het hof

Materiële schade

Kosten psycholoog

Het hof is van oordeel dat de vordering ten aanzien van de kosten van de psycholoog onvoldoende is gespecificeerd. Dit brengt met zich mee dat het hof niet kan vaststellen welke kosten reeds zijn vergoed en welke nog voor vergoeding in aanmerking komen. Aanhouding van de zaak om de benadeelde partij in de gelegenheid te stellen zijn vordering nader te specificeren, onderbouwen en concretiseren levert een zodanige onevenredige belasting van het strafgeding op, dat deze vordering zich niet leent voor behandeling in het strafgeding. Gelet op het bepaalde in artikel 361, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, dient de benadeelde partij in zijn vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard, met bepaling dat de benadeelde partij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Kosten vliegtickets

Het hof is van oordeel dat niet voldoende duidelijk is geworden of de kosten voor de vliegtickets door de verzekeraar al zijn vergoed, nu uit de brief van de verzekeraar volgt dat ook een verschot onder algemene titel aan de benadeelde partij is gedaan.

Aanhouding van de zaak om de benadeelde partij in de gelegenheid te stellen haar vordering nader te specificeren, onderbouwen en concretiseren levert een zodanige onevenredige belasting van het strafgeding op, dat deze vordering zich niet leent voor behandeling in het strafgeding. Gelet op het bepaalde in artikel 361, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, dient de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard, met bepaling dat de benadeelde partij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Immateriële schade

Shockschade

Het hof overweegt dat uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen dat de aansprakelijkheid voor de shockschade is erkend. Deze informatie roept vragen op bij het hof. Het is onvoldoende onderbouwd gesteld of en hoe de shockschade in mindering zal worden gebracht bij de vordering bij de verzekeraar.

Aanhouding van de procedure om hen in de gelegenheid te stellen hun vordering op dit punt nader te onderbouwen, levert naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting op van het strafproces. De benadeelde partijen zullen daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering tot vergoeding van schokschade, onder verwijzing naar de burgerlijke rechter.

Affectieschade

Het hof overweegt dat [benadeelde 1] – ouder van het overleden slachtoffer – op grond van artikel 6:108, vierde lid, BW valt binnen de kring van gerechtigden die

aanspraak kunnen maken op affectieschade. Naar het oordeel van het hof is komen vast te staan dat [benadeelde 1] als gevolg van het bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden in de vorm van affectieschade. De verlaagde vordering met betrekking tot de affectieschade is niet betwist en naar het oordeel van het hof voldoende onderbouwd en aannemelijk. Het hof zal de vordering van € 2.500,00 ten aanzien van de affectieschade dan ook toewijzen.

Verdachte is tot vergoeding van de toegewezen schade, een totaalbedrag van € 2.500,00, gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke vanaf 24 oktober 2023 tot aan de dag van algehele voldoening.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 44.568,62 ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag voor een deel toegewezen tot een bedrag van € 34.568,62.

Materieel

De advocaat van de benadeelde partij heeft aangevoerd dat de kosten van de psycholoog zijn vergoed en de reiskosten naar de psycholoog reeds zijn vergoed.

De gevorderde materiële kosten bestaan nu uit:

- kosten vliegtickets: € 113,02.

Immaterieel

De advocaat van de benadeelde partij heeft aangevoerd dat de affectieschade voor [benadeelde 2] is vastgesteld en erkend op € 17.500,00. Dat betekent dat de vordering ten aanzien van de affectieschade wordt verlaagd tot een bedrag van € 2.500,00, nu die schade nog resteert.

De gevorderde immateriële kosten bestaan nu uit:

- affectieschade: € 2.500,00;

- shockschade: € 20.000,00.

In hoger beroep wordt door de benadeelde partij een totaalbedrag van € 22.613,02 gevorderd.

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen, met dien verstande dat de gevorderde affectieschade is verlaagd, met toekenning van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering, enerzijds vanwege de bepleite vrijspraak en anderzijds omdat de vordering te complex is voor behandeling in het strafproces vanwege de civielrechtelijke eis van de aansprakelijkheid.

Daarnaast blijkt uit een brief van de verzekeraar dat de aansprakelijkheid voor wat betreft de shockschade is erkend. Ook is er een voorschot gedaan onder algemene titel en zijn er kosten van de psycholoog vergoed. Het is nu niet volledig duidelijk wat er nu kan worden vergoed bij de verzekeraar en wat er nog bij het hof kan worden gevorderd. De vordering dient vanwege deze onduidelijkheid te worden afgewezen, omdat deze vordering te onredelijke belastend is voor het rechtsgeding.

Ten aanzien van de gevorderde affectieschade heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de in de eerste instantie gevorderde € 20.000,00 past bij het Besluit vergoeding affectieschade. De raadsman heeft ten aanzien van de resterende € 2.500,00 ook geen verweer gevoerd.

Oordeel van het hof

Materiële schade

Kosten vliegtickets

Het hof is van oordeel dat niet voldoende duidelijk is geworden of de kosten voor de vliegtickets door de verzekeraar al zijn vergoed, nu uit de brief van de verzekeraar volgt dat ook een verschot onder algemene titel aan de benadeelde partij is gedaan.

Aanhouding van de zaak om de benadeelde partij in de gelegenheid te stellen haar vordering nader te specificeren, onderbouwen en concretiseren levert een zodanige onevenredige belasting van het strafgeding op, dat deze vordering zich niet leent voor behandeling in het strafgeding. Gelet op het bepaalde in artikel 361, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, dient de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard, met bepaling dat de benadeelde partij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Immateriële schade

Shockschade

Het hof overweegt dat uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen dat de aansprakelijkheid voor de shockschade is erkend. Deze informatie roept vragen op bij het hof. Het is onvoldoende onderbouwd gesteld of en hoe de shockschade in mindering zal worden gebracht bij de vordering bij de verzekeraar.

Aanhouding van de procedure om hen in de gelegenheid te stellen hun vordering op dit punt nader te onderbouwen, levert naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting op van het strafproces. De benadeelde partijen zullen daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering tot vergoeding van schokschade, onder verwijzing naar de burgerlijke rechter.

Affectieschade

Het hof overweegt dat [benadeelde 1] – ouder van het overleden slachtoffer – op grond van artikel 6:108, vierde lid, BW valt binnen de kring van gerechtigden die

aanspraak kunnen maken op affectieschade. Naar het oordeel van het hof is komen vast te staan dat [benadeelde 1] als gevolg van het bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden in de vorm van affectieschade. De verlaagde vordering met betrekking tot de affectieschade is niet betwist en naar het oordeel van het hof voldoende onderbouwd en aannemelijk. Het hof zal de vordering van € 2.500,00 ten aanzien van de affectieschade dan ook toewijzen.

Verdachte is tot vergoeding van de toegewezen schade, een totaalbedrag van € 2.500,00, gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke vanaf 24 oktober 2023 tot aan de dag van algehele voldoening.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partijen [benadeelde 3] en [benadeelde 4]

[benadeelde 3] en [benadeelde 4] , de broers van het slachtoffer, vorderen allebei een bedrag van

€ 35.000,00 aan immateriële schade. Dit bedrag is opgebouwd uit € 17.500,00 aan

affectieschade en € 17.500,00 aan shockschade.

De rechtbank heeft dit bedrag bij [benadeelde 3] en [benadeelde 4] voor een deel toegewezen tot een bedrag van € 7.500,00. De benadeelde partijen hebben in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering, enerzijds vanwege de bepleite vrijspraak en anderzijds omdat de vordering te complex is voor behandeling in het strafproces vanwege de civielrechtelijke eis van de aansprakelijkheid. Daarnaast blijkt uit een brief van de verzekeraar dat de aansprakelijkheid voor wat betreft de shockschade is erkend. Het is nu niet volledig duidelijk wat er nu kan worden vergoed bij de verzekeraar en wat er nog bij het hof kan worden gevorderd. De vordering dient vanwege deze onduidelijkheid te worden afgewezen, omdat deze vordering te onredelijke belastend is voor het rechtsgeding.

De raadsman acht het ook niet voldoende onderbouwd dat de twee broers van het slachtoffer shockschade hebben geleden. Er is namelijk niet genoeg gemotiveerd waaruit blijkt dat de broers psychisch letsel hebben opgelopen en ook hadden de ouders de kinderen moeten weerhouden van het zien van het lichaam van het slachtoffer, om hen te beschermen. De gevorderde affectieschade moet worden afgewezen, omdat daarvoor geen wettelijke grondslag bestaat.

Oordeel van het hof

Affectieschade

Op grond van de Wet Affectieschade kunnen nabestaanden vergoeding van schade vorderen die bestaat uit het verdriet door het overlijden van een naaste, als gevolg van een strafbaar feit. In artikel 6:108 lid 4 BW en artikel 1 van het Besluit Vergoeding Affectieschade is gespecificeerd wie hiervoor in aanmerking komen. Ook staat daarin welke vaste, maximale bedragen per categorie toewijsbaar zijn. Indien een vordering niet onder een van de categorieën uit de wet valt, kan een beroep gedaan worden op de hardheidsclausule (categorie g van artikel 6:108 lid 4 BW) als een persoon meent toch als naaste in de zin van deze wet te moeten worden aangemerkt. In dat geval zal die benadeelde partij moeten aantonen dat sprake was van een hechte, affectieve relatie met de persoon die is overleden.

[benadeelde 3] en [benadeelde 4] , broers van het slachtoffer, vallen niet onder een van de in artikel 6:108 lid 4 onder a tot en met f BW genoemde categorieën. Het uitgangspunt in de wet is namelijk dat broers en zussen geen aanspraak kunnen maken op vergoeding van affectieschade. Alleen in heel bijzondere gevallen, waarin sprake is van een hechte affectieve relatie, is op basis van redelijkheid en billijkheid ook ruimte voor vergoeding van affectieschade aan een broer of zus (de hierboven genoemde hardheidsclausule). In de toelichting op de wet waarin de mogelijkheid voor het toekennen van vergoeding van affectieschade is geregeld, wordt het voorbeeld genoemd van een broer en zus die langdurig met elkaar samenleven en voor elkaar zorgen.

Zonder af te willen doen aan de waardevolle en hechte band die de benadeelde partijen met hun zus hadden is het hof met de rechtbank van oordeel dat de omstandigheden die door de benadeelde partijen zijn aangevoerd, niet onder de uitzonderingssituatie vallen.

Vanwege de strikte toepassing van de hardheidsclausule in de rechtspraak is onvoldoende onderbouwd dat sprake was van een hechte affectieve relatie die een in het algemeen gebruikelijk hechte relatie van broers en zussen overstijgt.

De advocaat van de benadeelde partijen heeft er in de onderbouwing van de vorderingen

verder op gewezen dat een motie is aangenomen voor een wetsvoorstel waarin wordt

geregeld dat broers en zussen ook tot de beperkte kring van gerechtigden horen. Het hof ziet daarin echter geen reden voor toewijzing van de vorderingen. Het gaat de rechtsvormende taak van de rechter te buiten om in afwijking van het wettelijke stelsel, vooruitlopend op een eventueel door de wetgever door te voeren wijziging, vergoedingen voor affectieschade aan broers toe te kennen.

Daarom zal het hof de vorderingen van de benadeelde partijen voor dit deel afwijzen.

Shockschade

Het hof overweegt dat uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen dat de verzekeraar de aansprakelijkheid voor de shockschade heeft erkend. Deze informatie roept vragen op bij het hof. Het is onvoldoende onderbouwd gesteld of en hoe toewijzing van de vordering van de shockschade in het kader van deze procedure in mindering zal worden gebracht op de vordering bij de verzekeraar.

Aanhouding van de procedure om hen in de gelegenheid te stellen hun vordering op dit punt nader te onderbouwen, levert naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting op van het strafproces. De benadeelde partijen zullen daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering tot vergoeding van schokschade, onder verwijzing naar de burgerlijke rechter.

Vordering tot tenuitvoerlegging

In de zaak met parketnummer 96-228151-21 is verdachte op 13 januari 2023 door rechtbank veroordeeld. Aan verdachte is toen een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen opgelegd van 42 dagen, waarvan 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Het openbaar ministerie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van deze voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen. Deze vordering is in hoger beroep ook aan de orde.

Verdachte heeft een nieuw strafbaar feit gepleegd voor het einde van de proeftijd. Daarom beveelt het hof de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf.

Wetsartikelen

De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.

Ontzegt de verdachte ter zake van het primair bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Bepaalt dat de bijkomende straf van ontzegging niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) aan immateriële schade af.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 25 (vijfentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 24 oktober 2023.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4]

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) aan immateriële schade af.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 25 (vijfentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 24 oktober 2023.

Vordering tot tenuitvoerlegging

Beveelt de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank Amersfoort van 13 januari 2023, parketnummer 96-228151-21, voorwaardelijk opgelegde straf, te weten van:

ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 30 (dertig) dagen.

Dit arrest is gewezen door mr. T. Bertens, mr. J. Steenbrink en mr. I.C.E. Draisma, in aanwezigheid van de griffier mr. G.A. Dunnink en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 9 oktober 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand