ECLI:NL:GHARL:2026:6539

ECLI:NL:GHARL:2026:6539

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 13-10-2026
Datum publicatie 13-10-2026
Zaaknummer 21-005059-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Voor het veroorzaken van een dodelijk verkeersongeval veroordeelt het hof verdachte wegens doodslag. Het hof legt verdachte een gevangenisstraf op voor de duur van 6 jaar met aftrek van voorarrest en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 10 jaar met aftrek van de tijd dat het rijbewijs ingevorderd of ingehouden is geweest

Uitspraak

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2003 in [geboorteplaats] ,

op dit moment verblijvende in de PI [locatie P.I.] .

Hoger beroep

Namens de verdachte is tegen het hiervoor vermelde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de zitting van het hof van 29 september 2026 en het onderzoek op de zitting bij de rechtbank.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voordracht aan het hof overhandigd.

Verder heeft het hof kennisgenomen van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. D. Fontein, advocaat te Koog aan de Zaan, hebben aangevoerd.

Het hof heeft ook kennisgenomen van wat door of namens de volgende nabestaanden naar voren is gebracht:

beiden bijgestaan door mr. C. Harmsen, advocaat te Almelo en

allen bijgestaan door mr. G.H.B. Andriol, advocaat te Enschede.

Het vonnis

De rechtbank veroordeelde de verdachte wegens doodslag tot een gevangenisstraf van acht jaren en ontzegde hem de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor tien jaren, telkens met aftrek. Verder wees de rechtbank de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] toe en legde ten behoeve van hen de schadevergoedingsmaatregel op.

Het hof is van oordeel dat de rechtbank op overwegend goede gronden heeft beslist maar dat het vonnis zich niet leent voor bevestiging. In het navolgende komt het hof tot een (gedeeltelijke) andere bewijsoverweging en andere beslissingen over de straf en op de vorderingen van de benadeelde partijen. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

primair hij op of omstreeks 3 maart 2025 te [plaats] , gemeente [plaats] (O) [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door met het door hem bestuurde voertuig (personenauto merk Audi) te rijden met een snelheid van (ongeveer) 186 km/uur, althans met (aanzienlijk) hogere snelheden dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 50 km/uur en/of (vervolgens) met een snelheid van (ongeveer) 131 km/uur is gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met een voor hem van rechts dicht genaderd zijnde ander voertuig (personenauto merk Kia), ten gevolge waarvan de bestuurder van die Kia, voornoemde [slachtoffer] , is overleden;

subsidiair hij op of omstreeks 3 maart 2025 te [plaats] , gemeente [plaats] (O) als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig (personenauto merk Audi), daarmede rijdende over de weg, de [straat] , roekeloos, althans zeer dan wel aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte, terwijl hij beginnend bestuurder was en/of terwijl hij de kruising met de [straat] naderde, - heeft gereden met een snelheid van (ongeveer) 186 km/uur, althans met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan de aldaar voor hem geldende maximumsnelheid van 50 km/uur, in elk geval met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was en/of - meermalen met (zeer) hoge snelheid voertuigen heeft ingehaald door in strijd met artikel 77 eerste lid en/of artikel 78 tweede lid van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 gebruik te maken van een verdrijvingsvlak en/of voor te sorteren om (links)af te slaan en vervolgens rechtdoor te rijden en/of - in strijd met artikel 19 van voornoemd reglement de snelheid van het door hem bestuurde voertuig niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg en voornoemde kruising kon overzien en waarover deze vrij was/waren en/of - met een snelheid van (ongeveer) 131 km/uur is gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met voor hem van rechts dicht genaderd zijnde ander voertuig (personenauto merk Kia), en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) werd gedood;

meer subsidiair hij op of omstreeks 3 maart 2025 te [plaats] , gemeente [plaats] (O) als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig (personenauto merk Audi), daarmede rijdende over de weg, de [straat] , terwijl hij beginnend bestuurder was en/of terwijl hij de kruising met de [straat] naderde, - heeft gereden met een snelheid van (ongeveer) 186 km/uur, althans met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan de aldaar voor hem geldende maximumsnelheid van 50 km/uur, in elk geval met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was en/of - meermalen met (zeer) hoge snelheid voertuigen heeft ingehaald door in strijd met artikel 77 eerste lid en/of artikel 78 tweede lid van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 gebruik te maken van een verdrijvingsvlak en/of voor te sorteren om (links)af te slaan en vervolgens rechtdoor te rijden en/of - in strijd met artikel 19 van voornoemd reglement de snelheid van het door hem bestuurde voertuig niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg en voornoemde kruising kon overzien en waarover deze vrij was/waren en/of - met een snelheid van (ongeveer) 131 km/uur is gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met voor hem van rechts dicht genaderd zijnde ander voertuig (personenauto merk Kia), en aldus in strijd met het in artikel 5a van de WVW94 gestelde verbod, zich opzettelijk zodanig in het verkeer heeft gedragen dat voormelde verkeersregels in ernstige mate werden geschonden, waardoor daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en) te duchten was; De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Gebruikte bewijsmiddelen

Het hof sluit zich grotendeels aan bij de bewijsmiddelen van de rechtbank en neemt deze in een bijlage bij dit arrest op.

Bewijsoverwegingen

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd het primair tenlastegelegde bewezen te verklaren. Ten aanzien van de voor het aannemen van ‘voorwaardelijk opzet’ vereiste ‘bewuste aanvaarding’ wees zij op het rijgedrag van de verdachte op 3 maart 2025, zijn rijgedrag in de periode daarvoor, de door hem verstuurde appjes en de door verdachte afgelegde verklaring tegenover [verbalisant] .

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het primair tenlastegelegde. Volgens hem had de

verdachte geen voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer omdat de verdachte de aanmerkelijke kans daarop niet bewust heeft aanvaard. De raadsman heeft gewezen op het arrest van de Hoge Raad van 15 oktober 2024, waaruit volgens hem volgt dat de feiten-rechter in dit verband niet kan volstaan met een redenering die uitsluitend op objectieve gedragingen is gebaseerd. Vervolgens heeft hij in de kern aangevoerd dat de rechtbank heeft nagelaten om te onderzoeken wat er dat moment in de verdachte omging. In dat verband heeft hij gewezen op de verklaringen van de verdachte, waaruit zou blijken dat de verdachte dacht dat het goed zou aflopen. Verder heeft de raadsman gewezen op twee contra-indicaties: het zogeheten ‘Porsche-arrest’ en het remmen/uitwijken kort voorafgaand aan de aanrijding. Ten slotte heeft hij verzocht om de jonge leeftijd en persoonlijke situatie van de verdachte mee te wegen bij de beoordeling van de bewuste aanvaarding.

Oordeel van het hof

Het hof sluit zich grotendeels aan bij de bewijsoverwegingen van de rechtbank, neemt de overgenomen onderdelen hieronder cursief over en maakt deze tot de zijne. Wanneer daarin is opgenomen ‘de rechtbank’, moet daaronder worden verstaan ‘het hof’. Deze overwegingen zijn aangevuld met de overwegingen van het hof (niet cursief).

Vaststelling van de feiten en omstandigheden

Op 3 maart 2025 om 16.31 uur kregen verbalisanten kennis van een verkeersongeval op de

kruising van de [straat] met de [straat] en de [straat] in [plaats] (OV). De

[straat] is gelegen binnen de bebouwde kom waar een maximum snelheid geldt van 50 kilometer per uur. Het is een weg gelegen op een industrieterrein met aan weerszijden

bedrijven. De [straat] bestaat uit twee rijbanen, die onderling door middel van een middenberm van elkaar zijn gescheiden. Op de plaats van het verkeersongeval heeft de [straat] een recht wegverloop. De rijweg is verdeeld in twee rijstroken, waarvan één rijstrook voor rechtdoor en rechts afslaand verkeer is en één rijstrook voor links afslaand verkeer is. De rijstroken worden onderling gescheiden door enkele onderbroken markeringen. Verdachte reed in een personenauto van het merk Audi, type S3, (met [kenteken] (Duits)) op de [straat] , op de voorsorteerstrook bestemd voor links afslaand verkeer in de richting van de [straat] . [slachtoffer] reed als bestuurder van een Kia Stonic, (met [kenteken] ) op de [straat] en stak de [straat] over in de richting van de [straat] . De bestuurder van de Audi reed met de voorzijde van zijn auto tegen de linkerzijde van de Kia van het slachtoffer aan. [slachtoffer] overleed ter plaatse aan de verwondingen die hij als gevolg van dit verkeersongeval opliep. Op het moment van het verkeersongeval reed de Kia met een snelheid van 25 kilometer per uur. Er is onderzoek gedaan naar de snelheid van de Audi voorafgaand aan en tijdens het ongeval op 3 maart 2025. Bij dit onderzoek is gebruik gemaakt van de data uit de auto en data uit de mobiele telefoon van verdachte. Verdachte reed twee seconden voor het ongeval met een snelheid van 186 kilometer per uur. Op het moment van het ongeval reed verdachte met een snelheid van 131 kilometer per uur.

De overwegingen van de rechtbank

De vraag die de rechtbank in deze zaak dient te beantwoorden is of de gedraging van

verdachte moet worden gekwalificeerd als een opzetdelict, zoals primair ten laste is gelegd,

of als een schulddelict zoals subsidiair ten laste is gelegd. De rechtbank overweegt hierover als volgt.

Voorwaardelijk opzet

Voor de vraag of er sprake is van (voorwaardelijk) opzet gaat het om de afweging of de verdachte bewust de aanmerkelijke kans op de dood van [slachtoffer] heeft aanvaard of op de koop heeft toegenomen. Deze afweging vereist dat wordt nagegaan of er door het rijgedrag van de verdachte en de omstandigheden waaronder dit plaatsvond ten tijde van het ongeval

a. a) een aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer bestond,

b) of de verdachte zich bewust was van deze aanmerkelijke kans en

c) of hij die kans willens en wetens of bewust heeft aanvaard dan wel op de koop toe heeft genomen.

Ter zake van a) de aanmerkelijke kans op de dood van de slachtoffers

Verdachte is met een forse snelheid tegen de auto van het slachtoffer aangereden. In de EDR van de Audi is geregistreerd dat verdachte 2 seconden voor de aanrijding 186 kilometer per uur reed binnen de bebouwde kom, waar de maximumsnelheid 50 kilometer per uur bedroeg. Verdachte begon op 1,5 seconde voor het ongeval te remmen. De vastgelegde snelheid op het moment van de aanrijding was 131 kilometer per uur.

De rechtbank is van oordeel dat dit handelen van verdachte extreem gevaarlijk is geweest en de aanmerkelijke kans in het leven heeft geroepen dat andere weggebruikers om het leven zouden kunnen komen.

Daarmee komt de rechtbank toe aan een beantwoording van de vraag b) of verdachte zich bewust was van deze aanmerkelijke kans en c) of hij die kans willens en wetens of bewust heeft aanvaard dan wel op de koop toe heeft genomen. In dat verband overweegt de rechtbank als volgt. Op grond van vaste jurisprudentie geldt dat voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan een aanmerkelijke kans niet alleen is vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden (b) maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen) (c). Uit de enkele omstandigheid dat die wetenschap bij de verdachte aanwezig is dan wel bij hem moet worden verondersteld, kan niet zonder meer volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg ook bewust heeft aanvaard, omdat in geval van die wetenschap ook sprake kan zijn van bewuste schuld. Of in een concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is van bewuste schuld dan wel van voorwaardelijk opzet zal, afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het — behoudens contra-indicaties — niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard (vgl. onder meer HR 25 maart 2003, ECLI:HR:2003:AE9049/NJ 2003, 552; HR 15 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1407 en HR 11 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:141).

Ter zake van b) wetenschap van verdachte van de aanmerkelijke kans op de dood van [slachtoffer]

Verdachte heeft ter terechtzitting erkend dat hij in algemene zin weet dat rijden met een zeer

hoge snelheid een ernstig potentieel dodelijk verkeersongeval kan veroorzaken. Daarnaast

heeft hij verklaard dat hij goed bekend was met de situatie ter plaatse, omdat hij daar vaker

reed om zijn vrouw van het werk op te halen. Hij was op de hoogte van de ter plaatse

geldende maximumsnelheid van 50 kilometer per uur en van het feit dat verkeer uit de

zijwegen de [straat] op zou kunnen rijden. Verdachte heeft verklaard dat hij wist dat

het op het moment van het ongeval spitsuur was. Hij heeft ook ander verkeer op de weg

gezien. Over (de rij-eigenschappen van) het voertuig waarin hij reed, heeft hij verklaard hier vaak in te hebben gereden en dat het een auto was met veel vermogen. Hij heeft in Duitsland meerdere keren opgezocht hoe hard de auto kon rijden. Hij wist wat de auto kon, het ging met zo’n gemak dat die hoge snelheid halen niet meer speciaal was.

De rechtbank concludeert hieruit dat verdachte op de hoogte was van de verkeerssituatie en

de verkeersregels ter plaatse en van de eigenschappen van het voertuig waarmee hij reed.

Over de snelheid waarmee verdachte kort voor en/of ten tijde van het ongeval reed, zijn naast de objectieve gegevens uit de telefoon en de EDR gegevens van de Audi, meerdere

getuigenverklaringen in het dossier aanwezig. Deze snelheid maakte veel indruk op

omstanders. Diverse getuigen beschrijven hoe zij zijn geschrokken van de snelheid waarmee

verdachte reed, waarbij door hen beschrijvingen worden gegeven als “onbenullig hard”, “een schicht”, “een flits”, “een voorbijkomende straaljager”, “een bizarre snelheid”, “racen” en “levensgevaarlijk”. Dat verdachte niet in de gaten had/ wist dat hij, zoals hij zelf stelt, in aanloop naar het ongeval reed met een veel te hoge snelheid, stelt de rechtbank onder verwijzing naar deze getuigenverklaringen, het hiervoor overwogene over zijn wetenschap van de voertuigeigenschappen en het feit dat hij het gaspedaal tot 1.5 seconde voor het ongeval volledig had ingetrapt, wat nauwelijks ongemerkt kan gaan, als ongeloofwaardig terzijde. De rechtbank betrekt daar ook bij dat verdachte zich ten tijde van het ongeval op de voorsorteerstrook bestemd voor links afslaand verkeer bevond. Niet om linksaf te slaan, maar om een ander voertuig op de [straat] in te halen, waarbij het hem niet kan zijn ontgaan dat hij met een (veel) hogere snelheid reed dan het overige verkeer.

De rechtbank is van oordeel dat de verdachte gezien de aard van zijn rijgedrag en de omstandigheden waaronder dit is verricht, kort voorafgaand aan het ongeval wetenschap moet hebben gehad van de aanmerkelijke kans dat het gevolg (een ongeval met dodelijke afloop) zou intreden. Dat kan hem eenvoudigweg niet zijn ontgaan, omdat hij zich in het leven — naar moet worden aangenomen — vrijwel dezelfde algemene ervaringsregels heeft eigen gemaakt als nagenoeg ieder ander. Het kan gelet op al het voorgaande niet anders zijn dan dat verdachte zich kort vóór het ongeval ervan bewust was dat hij andere verkeersdeelnemers op de weg zou kunnen treffen, verkeersdeelnemers die geen rekening konden en ook niet hoefden te houden met een automobilist, verdachte, die daar met een snelheid van 186 kilometer per uur reed. Op basis van het voorgaande staat voor de rechtbank in voldoende mate vast dat de verdachte wist van de hiervoor beschreven aanmerkelijke kans op een ongeval met dodelijke afloop.

Ter zake van c) of door verdachte deze kans ten tijde van de gedraging bewust is aanvaard

(op de koop toe is genomen)

De rechtbank zal zich bij het beantwoorden van de vraag of bij de verdachte sprake is

geweest van het bewust aanvaarden van de aanmerkelijke kans op een ongeval met dodelijke afloop, baseren op de aard en uiterlijke verschijningsvorm van de gedraging(en) van de verdachte en de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden. De rechtbank overweegt hierover als volgt.

- Ongevalsrit op 3 maart 2025

Tijdens de ongevalsrit op 3 maart 2025 heeft verdachte gedurende de hele rit vanaf zijn

woonplaats [plaats] naar bestemming [plaats] meerdere malen de maximumsnelheid fors

overschreden, zowel binnen als buiten de bebouwde kom. Hij reed en bleef rijden met een veel te hoge snelheid, ook op plekken waar kwetsbare verkeersdeelnemers zoals fietsers en voetgangers te verwachten waren, waarbij hij aldus verschillende zeer risicovolle verkeersovertredingen heeft begaan. Zo werden in 30 kilometer zones snelheden gehaald van 82,6 kilometer per uur en 128,2 kilometer per uur. Uit het dossier blijkt dat in een schoolzone snelheden werden gehaald tot 64,4 kilometer per uur en met een snelheid van 82,6 kilometer per uur werd gereden op een gedeelte van de weg [straat] waar winkels en een verzorgingshuis gesitueerd waren. Op de exorbitante snelheid die verdachte vervolgens heeft gereden op de [straat] en zijn inhaalgedrag ter plaatse over een rijstrook voor links afslaand verkeer is hiervoor al uitgebreid ingegaan.

- Dag voor het ongeval 2 maart 2025

De dag voor het ongeval op 2 maart 2025, heeft verdachte met het ongevalsvoertuig gereden van [plaats] (woonboulevard) naar [plaats] ( [plaats] ). De rit startte om 15:35:34 en stopte op de [plaats] om 16:35:36. De verstreken tijd tussen start- en eindtijd is 1 uur en 2 seconden. Tijdens deze rit werd een snelheid geregistreerd van 258,4 kilometer per uur. Deze snelheid werd gereden op de rijksweg A35 waar op dat moment de geldende maximumsnelheid 100 kilometer per uur was. Op het traject rijksweg A1 richting [plaats] / [plaats] - rijksweg A35 werd een gemiddelde snelheid gereden van 229,18 kilometer per uur over een afstand van 65,9 kilometer. Op dit traject was een maximumsnelheid van 100 kilometer per uur toegestaan.

- Maand februari 2025

Uit onderzoek van de door de telefoons van verdachte geregistreerde snelheden in de maand februari 2025 blijkt dat de telefoon(s) van verdachte 90 keer een snelheid

heeft/hebben geregistreerd van minimaal 120 kilometer per uur, allemaal binnen

de bebouwde kom van [plaats] , daar waar een maximumsnelheid van 50 of 30 kilometer

per uur is toegestaan. Daarnaast blijkt dat de telefoon(s) van verdachte 190 keer een snelheid heeft/hebben geregistreerd vanaf 100 tot 120 kilometer per uur, allemaal binnen de bebouwde kom van [plaats] , daar waar een maximumsnelheid van 50 of 30 kilometer per uur is toegestaan. Opgeteld zijn er dus 280 snelheden in de maand februari van het jaar2025 waarbij er een snelheid van minimaal 100 kilometer per uur is geregistreerd, binnen de bebouwde kom van [plaats] . Hier geldt de maximaal toegestane snelheid van 50 of 30 kilometer per uur afhankelijk van de locatie. Uit onderzoek is vastgesteld dat de telefoon(s) van verdachte zich op het moment dat deze snelheden werden behaald in het ongevalsvoertuig bevonden.

- Periode februari 2024 - februari 2025

Uit de bewijsmiddelen volgt dat er een vergelijking is gemaakt tussen een aantal met het

ongevalsvoertuig geregistreerde snelheidsovertredingen en data uit de telefoon(s) van

verdachte.

Op 23 oktober 2024 is verdachte om 21.10 uur staande gehouden en is hem een boete voor het niet op eerste vordering behoorlijk het rijbewijs ter inzage afgeven in persoon aangezegd. De rechtbank stelt op basis hiervan vast dat verdachte zelf de bestuurder was van het ongevalsvoertuig. Vervolgens is er nader onderzoek gedaan in de GPS-data van de auto van 23 oktober 2024 tussen 21.00 uur en 22.00 uur. Hieruit volgt dat zowel voor, als na de staande houding forse snelheidsovertredingen zijn geregistreerd, waaronder, om 21.02:38 uur, een overschrijding van de maximale snelheid van 137 kilometer per uur.

Er is een snelheidsovertreding gesanctioneerd op 19 februari 2025. De data uit de telefoon(s) van verdachte van die dag is nader onderzocht. Hieruit is gebleken dat de telefoon{(5) van verdachte zich op het tijdstip 10.07:41 uur op exact dezelfde locatie bevonden als het ongevalsvoertuig. Kort daarna, om 10.10:55 uur, is de rit gestopt. In een van de telefoon(s) van verdachte is dan een whatsapp gesprek te zien tussen verdachte en [naam] , de vrouw van verdachte. De rechtbank stelt op basis hiervan voor deze rit vast dat verdachte zelf de bestuurder was.

Op 24 februari 2025 ziet [getuige] dat er een Audi RS3, met Duits kenteken, en een witte Mercedes elkaar met hoge snelheden inhalen op de N35 ter hoogte van [plaats] . Op basis van de GPS tracker in het ongevalsvoertuig en op basis van de veiliggestelde data uit de telefoon van verdachte is vast te stellen dat het gaat om een rit van het ongevalsvoertuig van [plaats] naar [straat] in [plaats] , het thuisadres van verdachte. Er is die avond om 23.49 uur met de telefoon van verdachte een bedrag betaald bij de [fastfoodketen] in [plaats] . Op basis hiervan stelt de rechtbank vast dat verdachte tijdens deze rit de bestuurder van het ongevalsvoertuig is geweest. Uit de onderzochte gegevens blijkt dat er gedurende de gehele rit van [plaats] naar [plaats] regelmatig snelheden zijn bereikt van minimaal 200 kilometer per uur. De hoogst geregistreerde gereden snelheid betrof 232 kilometer per uur.

Tijdens de zitting in hoger beroep op 29 september 2026 heeft de verdachte verklaard dat hij hoogstwaarschijnlijk de bestuurder van de auto was, als hij op 24 februari 2024 ook bij de [fastfoodketen] was.

- Whatsapp-berichten en spontane verklaring verdachte direct na het ongeval

Op 8 november 2023 appt de verdachte contactpersoon ' [naam] ' dat hij een beetje gevaarlijk rijdt, tussen leven en dood. Op 17 februari 2024 heeft de verdachte een gesprek met contactpersoon 'Hartje', het hof leidt uit het gesprek af dat het de vrouw van verdachte betreft, en schrijft hij onder meer dat hij zijn gevoelens uit door als een gek te rijden, dat hij elke keer dichtbij komt met het veroorzaken van een ongeluk en dat hij niet belooft dat hij dit niet meer doet. Wanneer 'Hartje' aangeeft dat zij er niets aan heeft als haar man verongelukt of zelfs erger, reageert hij met 'wss erger', 'met de snelheden die ik rijd'. Hij sluit er mee af dat hij gewoon niet moet rijden wanneer hij bomvol emoties zit, dat hij niet iets belooft wat niet haalbaar is en dat het hem niet boeit wanneer hij irritatie heeft. Op 5 september 2024 appt contactpersoon 'Mama' de verdachte dat zij een maand een rijverbod heeft gekregen en vraagt zij aan hem wat zij nu moet doen. De verdachte reageert daarop dat hij al 6 maanden in Duitsland rijdt zonder rijbewijs, dus dat dit niet het einde van de wereld is.

Kort na het ongeval heeft de verdachte spontaan tegenover de ter plaatse gekomen [verbalisant] verklaard dat hij tegen zijn vriendin had gezegd dat hij ooit een ongeluk zou krijgen, omdat iemand anders hem over het hoofd zou zien met zijn rijgedrag.

De rechtbank concludeert op basis van het voorgaande dat verdachte op 23 oktober 2024,

19 februari 2025 en op 24 februari 2025 zelf het ongevalsvoertuig bestuurde en dat hij tijdens die ritten forse snelheidsovertredingen beging. Het onderzoek naar de verkeersovertredingen in februari 2025 is gebaseerd op de gegevens uit de telefoons van verdachte. Hierbij is betrokken dat verdachte zijn vrouw brengt naar en haalt van haar werk in [plaats] . Hiervoor rijdt hij over de [straat] . In het dossier bevindt zich een analyse van de gereden snelheden op de [straat] in februari 2025. Er zijn op 16 dagen in februari 2025 forse snelheidsovertredingen geregistreerd met de telefoon van verdachte. De rechtbank stelt vast dat verdachte, en zijn vrouw, in ieder geval al die ritten in de ongevalsauto hebben gezeten. Hoewel dit, gelet op de verklaring van verdachte, niet voor elke datum in februari 2025 exact vastgesteld kan worden is de rechtbank van oordeel dat gelet op al het voorgaande, verdachte zeker een deel van deze ritten zelf moet hebben gereden. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep op 29 september 2026 bevestigd dat hij grotendeels zelf in de Audi S3 heeft gereden. Hij heeft de auto ook wel ’s verhuurd of uitgeleend, maar dat gebeurde niet regelmatig genoeg om alle snelheden te verklaren en/of voor een substantieel deel aan anderen toe te schrijven .

Geconcludeerd kan in ieder geval worden dat verdachte zich in het jaar voorafgaand aan het ongeval veelvuldig schuldig heeft gemaakt aan forse snelheidsovertredingen.

De rechtbank stelt vast dat verdachte in het jaar voorafgaand aan het ongeval, in aanloop

naar het ongeval en op de dag van het ongeval structureel extreme snelheidsovertredingen

heeft begaan, niet enkel op de snelweg, maar ook binnen de bebouwde kom op een

industrieterrein en met grote regelmaat ook binnen 30 kilometer zones waar zich kwetsbare

verkeersdeelnemers zoals schoolgaande kinderen en bejaarden konden bevinden.

De hiervoor beschreven appgesprekken schetsen gedurende een langere periode het beeld van iemand die duidelijk op de hoogte was van de risico's van zijn rijgedrag en die het daar met anderen over had en ook herhaaldelijk werd gewaarschuwd voor deze risico's. Desondanks trok de verdachte zich niets aan van waarschuwingen van familie, vrienden en de Duitse politie. De verdachte sprak zelf over zijn rijgedrag als levensgevaarlijk. De toon van de berichten van de verdachte over zijn rijgedrag wekt niet de indruk van schaamte en het in de toekomst beter willen doen, maar juist van onverschilligheid en trots. Het in de bewijsmiddelen weergegeven en hiervoor samenvattend beschreven rijgedrag van de verdachte vond plaats in een ruime periode voor het ongeval, en na het versturen van de appjes waaruit dus reeds zijn bewustzijn van de enorme risico’s naar voren is gekomen.

Geconcludeerd moet worden dat de verdachte na het bestempelen van zijn eigen rijgedrag als levensgevaarlijk dat rijgedrag op geen enkele wijze heeft aangepast en daarin ziet het hof de bevestiging dat de mentaliteit van de verdachte tijdens de ongevalsrit niet anders was dan ten tijde van deze appberichten. De spontaan door verdachte afgelegde verklaring direct na het ongeval illustreert naar het oordeel van het hof - mede tegen de achtergrond van het voorgaande - de houding van de verdachte: er is geen sprake van een situatie waarin de verdachte telkens dacht en kon denken dat het wel goed zou aflopen, maar van een situatie waarin de verdachte wist dat het eens mis zou gaan en waarin hij desondanks op dezelfde manier is blijven rijden.

Gelet op het hiervoor overwogene komt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte zich

voorafgaand aan het ongeval bewust was van de aanmerkelijke kans op het veroorzaken van

een ongeval met dodelijke afloop, maar blijkens zijn houding, rijgedrag en de omstandigheden waaronder dit plaatsvond heeft gehandeld ongeacht of dat gevolg zou intreden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de gedragingen van de verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm zo zeer gericht waren op het veroorzaken van een potentieel dodelijk ongeval, dat daaruit volgt dat verdachte de aanmerkelijke kans daarop bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). De jonge leeftijd van de verdachte en zijn persoonlijke situatie maken de voorgaande beoordeling niet anders.

Over de twee omstandigheden die door de verdediging zijn aangevoerd als 'contra-indicaties' voor doodslag: het zogeheten Porsche-arrest en het remmen/uitwijken kort voorafgaand aan de aanrijding, overweegt het hof als volgt.

Het hof heeft in zijn oordeel betrokken dat op grond van de jurisprudentie in een geval als het onderhavige, waarin de bewijsmiddelen nopen tot de gevolgtrekking dat de verdachte door zijn handelwijze ook zelf aanmerkelijk levensgevaar heeft gelopen – behoudens aanwijzingen voor het tegendeel – het naar ervaringsregels niet waarschijnlijk is dat verdachte de aanmerkelijke kans dat hij zelf als gevolg van zijn gedraging het leven zal verliezen, op de koop heeft toe genomen (vgl. HR 15 oktober 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0139/NJ 1997, 199, rov. 5.4.).

Op grond van het dossier en onderzoek ter terechtzitting heeft het hof aanwijzingen dat de verdachte de aanmerkelijk kans dat een botsing zou plaatsvinden waarbij hij ook zijn eigen leven zou verliezen, bewust heeft aanvaard. Het hof verwijst hiervoor naar de eerder aangehaalde chatberichten van de verdachte waarin hij zijn eigen rijgedrag als levensgevaarlijk bestempelde, sprak van een ongeluk maken en waarin zijn vrouw hem voorhield dat ze er niets aan had wanneer haar man zou verongelukken en verdachtes reactie daarop. En verdachte heeft zijn rijgedrag na of naar aanleiding van die berichten niet aangepast.

Het remmen en uitwijken heel kort voorafgaand aan of tijdens de aanrijding leveren onder de gegeven omstandigheden ook niet zulke gedragingen op waaruit volgt dat de verdachte niet zijn eigen in de waagschaal heeft willen stellen. Op basis van de gebruikte bewijsmiddelen stelt het hof vast dat de verdachte 2 seconden voor het ongeval 186 kilometer per uur reed. Op 1,5 seconden voor het ongeval is de verdachte gaan remmen. Toen was zijn snelheid 185 kilometer per uur, welke snelheid op 1 seconde voor het ongeval afnam naar 174 kilometer per uur en op 0,5 seconde voor het ongeval naar 153 kilometer per uur. De stuurbewegingen van de auto waren tot aan het moment van de botsing gering. Op het moment van de botsing zelf werd een stuurbeweging naar links gedetecteerd en reed de verdachte 131 kilometer per uur. Het hof stelt vast dat de verdachte op het allerlaatste moment heeft geremd en min of meer op het moment van de botsing zelf heeft uitgestuurd. Uit de jurisprudentie volgt dat dit niet in de weg hoeft te staan aan het aannemen van voorwaardelijk opzet. Het hof is van oordeel dat dit handelen van de verdachte, gelet op de excessieve snelheden en het zeer late moment van afremmen, onder de gegeven situatie geen positief effect meer kon sorteren, omdat de potentieel dodelijke situatie die de verdachte inmiddels had geschapen hierdoor niet meer kon worden voorkomen. Het remmen en uitwijken doen dan ook niet af aan wat hiervoor is overwogen over het voorwaardelijk opzet van de verdachte. Anders dan de verdediging ziet het hof in de genoemde handelingen en/of omstandigheden geen contra-indicaties voor de bewuste aanvaarding.

Conclusie

Het hof verwerpt de verweren van de verdediging en acht het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen op de hierna te vermelden wijze.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de gebruikte bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op of omstreeks 3 maart 2025 te [plaats] , gemeente [plaats] (O) [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door met het door hem bestuurde voertuig (personenauto merk Audi) te rijden met een snelheid van (ongeveer) 186 km/uur , althans met (aanzienlijk) hogere snelheden dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 50 km/uur en /of ( vervolgens ) met een snelheid van (ongeveer) 131 km/uur gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met een voor hem van rechts dicht genaderd zijnde ander voertuig (personenauto merk Kia), ten gevolge waarvan de bestuurder van die Kia, voornoemde [slachtoffer] , is overleden.

Het hof spreekt de verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het primair bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

doodslag.

Het bewezenverklaarde is strafbaar.

Strafbaarheid van verdachte

De verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat hij niet strafbaar is.

Oplegging van straffen

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van acht jaar, met aftrek van voorarrest, alsmede een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van tien jaar, zal opleggen. Zij wees in dat verband op de ernst van het feit en naar de straffen die gerechtshoven in andere zaken oplegden.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gewezen op de proceshouding van de verdachte, zijn (emotioneel) functioneren, de houding van de verdachte in detentie en het advies van de reclassering. Onder verwijzing naar rechtspraak heeft de raadsman het hof verzocht om een aanzienlijk lagere straf op te leggen dan de rechtbank. Hij heeft zich wat betreft een ontzegging van de rijbevoegdheid gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Oordeel van het hof

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. Het hof heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ernst feit

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag in het verkeer. Hij reed 186 kilometer per uur op een weg waar 50 kilometer per uur was toegestaan, over de verdrijvingsvlakken en op de rijbaan voor linksaf slaand verkeer terwijl hij niet ging afslaan. De verdachte had op dat moment een rij-ontzegging in Duitsland en kon in Nederland geen rijbewijs tonen als hiernaar zou worden gevraagd. Het dossier schetst een beeld van een persoon die stelselmatig (extreem) te hard reed. Het was wachten totdat het een keer ontzettend mis zou gaan. De verdachte was zich hiervan ook bewust. Op 3 maart 2025 is dat gebeurd. Op de kruising tussen de [straat] en de [straat] richting de [straat] in [plaats] kwam de verdachte in botsing met het voertuig van slachtoffer [slachtoffer] . Het slachtoffer had de verdachte onder deze omstandigheden nooit kunnen zien aankomen. Hij ging die dag naar zijn werk, maar kwam door het onverschillige handelen van de verdachte nooit meer thuis. Er is een blijvend gemis ontstaan in de levens van zijn familie, vrienden en collega's.

Op de zitting in hoger beroep hebben verschillende nabestaanden het spreekrecht uitgeoefend. De zoon van het slachtoffer, [nabestaande 1] , heeft - mede namens zijn broer [nabestaande 2] - naar voren gebracht dat zij het gevoel hebben dat hun vader in de berichtgeving steeds verder naar de achtergrond verdween en dat hen dit pijn deed. Verder heeft hij naar voren gebracht dat de keuze van de verdachte niet alleen het leven van hun vader heeft beëindigd, maar ook hun levens voorgoed heeft veranderd. Zij dragen het gemis van hun vader de rest van hun leven iedere dag met zich mee.

De partner van het slachtoffer, [nabestaande 3] , heeft verklaard dat zij sinds de dag van het ongeluk in een trauma leeft en last heeft van lichamelijke klachten. Verder heeft zij naar voren gebracht dat zij al meer dan 23 jaar in dienst is van dezelfde werkgever, maar dat zij momenteel niet werkt. De vrouw van de verdachte is een collega van haar en dat maakt het voor haar bijna onmogelijk om naar haar werk te gaan. Zij heeft er ook op gewezen dat de ouders van het slachtoffer emotioneel niet in staat waren om de zitting in hoger beroep bij te wonen. Ten slotte heeft zij verteld dat zij moet leren leven met een toekomst die zij nooit zelf heeft gekozen.

De bonusdochter van het slachtoffer, [nabestaande naam] ( [nabestaande 4] ), heeft - mede namens haar zus [nabestaande naam] ( [nabestaande 5] ) - verklaard dat zij zich ontzettend kwetsbaar voelen en dat zij leven in een werkelijkheid waar zij nooit om hebben gevraagd en ook niet meer uitkomen. Het is voor hen pijnlijk dat er constant vragen door hun hoofd spoken waarop zij nooit antwoord zullen krijgen. Zij hebben last van angsten om opnieuw een dierbare te verliezen. [nabestaande 5] volgt momenteel therapie en heeft een tussenjaar moeten nemen. [nabestaande 4] heeft gedurende een halfjaar een tussenjaar gehad, heeft het gevoel vast te zitten en heeft last van lichamelijke klachten.

Persoonlijke omstandigheden

Het hof heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 9 juli 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte voorafgaand aan het bewezenverklaarde in Duitsland onherroepelijk is veroordeeld wegens 'verbotene Kraftfahrzeugrennen'. Het hof beschouwt dat als een soortgelijk feit. Het hof weegt het strafblad van de verdachte in zijn nadeel mee in de strafoplegging.

Uit het meest recente reclasseringsadvies van 22 mei 2025 blijkt dat de verdachte worstelt met spijt, verdriet en schaamte en dit toont. De reclassering twijfelt niet aan de spijt-betuiging van de verdachte. Verdachtes moeite met emotieregulatie en psychosociaal functioneren lijkt al sinds zijn kindertijd aanwezig en vormt naar de inschatting van de reclassering een opvallende kwetsbaarheid. De familiebanden zijn hecht en ondersteunend en de opvattingen en houding van de verdachte zijn bepaald niet pro-crimineel te noemen. De reclassering schrijft dat desondanks kan worden gesteld dat verdachtes houding ten aanzien van snelle auto's en het hardrijden delictgerelateerd is geweest. De reclassering heeft deze twee elementen niet goed met elkaar kunnen verenigen. Zij adviseert - indien passend bij de aard van de zaak en strafmaat - een deels voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden: meldplicht, gedragsinterventie cognitieve vaardigheden en ambulante behandeling.

De verdachte heeft op de zitting in hoger beroep over zijn persoonlijke omstandigheden verklaard dat vanaf het moment dat hij - na het vonnis - voor de tweede keer (preventief) gedetineerd raakte, klachten ontstonden zoals nachtmerries, slapeloze nachten en suïcidale gedachten. Hierna is hij in de penitentiaire inrichting in gesprek gegaan met de psycholoog en psychiater. Sinds 4 maanden volgt hij iedere woensdag en vrijdag emotie-regulatietherapie en EMDR-therapie. De verdachte vindt dit moeilijk. Het laat hem zijn gebreken en fouten onder ogen zien. Het enige wat hij ervaart, is schaamte. Hij ziet dat hij zich, in zijn eigen woorden, achterlijk heeft gedragen. De verdachte ontvangt twee keer per week bezoek van vrienden en familie, studeert en verricht arbeid. Hij leeft van dag tot dag en vrij geïsoleerd in detentie. Zijn normen en waarden komen niet overeen met die van de meesten van zijn medegedetineerden. De omgeving in detentie heeft de verdachte aangetast. Voor zijn gevoel is het een doodlopende weg. Door training over en van cognitieve vaardigheden is de verdachte zich gaan realiseren wat voor, in zijn eigen woorden, waardeloos persoon hij is geweest. Die realisatie is hem teveel geworden. De verdachte vraagt zich af hoe het kan dat deze realisatie pas is gekomen na het ongeluk, terwijl de mensen uit zijn omgeving hem meermalen hebben gewaarschuwd. De verdachte heeft aangegeven dat zijn vrouw hem niet verlaat en hem tot steun is.

Jurisprudentie

Het hof heeft daarnaast gekeken naar de straffen die in de afgelopen jaren zijn opgelegd in (tot op zekere hoogte) vergelijkbare zaken. De straffen die zijn opgelegd lopen uiteen van zo’n vijf tot negen jaar gevangenisstraf. Daarbij is het belangrijk om te vermelden dat de feitenrechter bij het bepalen van de straf een grote mate van vrijheid heeft, dat de straf wordt bepaald door een veelheid aan factoren en dat iedere zaak zijn eigen specifieke kenmerken heeft. Het hof stelt vast dat de door de rechtbank opgelegde - en in hoger beroep door de advocaat-generaal geëiste - gevangenisstraf voor de duur van acht jaren zich aan de bovenzijde bevindt van de hiervoor genoemde bandbreedte die uit de feitenrechtspraak naar voren komt. In zaken waarin een gevangenisstraf van vergelijkbare hoogte werd opgelegd, was sprake van uitzonderlijke omstandigheden zoals bijvoorbeeld meerdere (dodelijke dan wel zwaargewonde) slachtoffers of een sterke verkeersdeelnemer die bewust een confrontatie opzocht met een specifiek slachtoffer. Deze zaken lijken op wezenlijke onderdelen te verschillen van deze strafzaak.

Weging van het voorgaande

Naar het oordeel van het hof kan gelet op de hiervoor beschreven ernst van het bewezenverklaarde en blijvende gevolgen daarvan voor de nabestaanden niet worden volstaan met een andere straf dan een langdurige gevangenisstraf.

Alles afwegende acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren, met aftrek van voorarrest, passend en geboden. In de (ten positieve) gewijzigde proceshouding van de verdachte in hoger beroep en zijn persoonlijke omstandigheden in detentie ziet het hof onvoldoende aanleiding om tot een (nog) lagere straf te komen. Het hof komt niet toe aan een bespreking van de noodzaak en wenselijkheid van oplegging van de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden, omdat dit wettelijk niet mogelijk is bij de hoogte van de straf die het hof aan de verdachte zal opleggen.

Het hof zal gelet op de ernst van het bewezenverklaarde en ter (zo langdurig mogelijke) bescherming van medeweggebruikers tegen de verdachte ook een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen opleggen voor de wettelijk maximaal toegestane duur van tien jaren.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2]

De benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] hebben in eerste aanleg beiden een vordering ingediend tot schadevergoeding van een bedrag van € 20.000,- aan immateriële schade. De rechtbank wees de vordering gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 17.500,-.

De advocaat van de benadeelde partijen heeft op de zitting in hoger beroep naar voren gebracht dat de vorderingen als ingetrokken moeten worden beschouwd, omdat er via het Duitse waarborgfonds schadeloosstelling heeft plaatsgevonden. Het hof stelt vast dat de vorderingen van beide benadeelde partijen daarom niet meer aan de orde zijn en zal inhoudelijk niet meer ingaan op de vorderingen.

Wetsartikelen

De straf is gebaseerd op artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Het voorschrift is toegepast zoals dit gold op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Ontzegt de verdachte ter zake van het primair bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 10 (tien) jaren.

Bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit arrest is gewezen door mr. R.W. van Zuijlen, mr. N.I.S. Boers en mr L.J.G. de Jongh, in aanwezigheid van de griffier mr. T.G. Remmink en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 13 oktober 2026.

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 13 oktober 2026.

Tegenwoordig:

mr. R.W. van Zuijlen, voorzitter,

mr. N.I.S. Boers en mr L.J.G. de Jongh, raadsheren,

mr. O.J. Ingwersen, advocaat-generaal,

mr. T.G. Remmink, griffier.

De voorzitter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De voorzitter spreekt het arrest uit.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. R.W. van Zuijlen

Griffier

  • mr. T.G. Remmink

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand