[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1991 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 14 oktober 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en haar raadsman, mr. J.A. Schadd, hebben aangevoerd.
Het vonnis
In het vonnis is bewezen verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan:
het aan zijn schuld te wijten zijn dat iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroofd blijft.
De rechtbank Midden-Nederland heeft verdachte veroordeeld tot een taakstraf van 80 uren subsidiair 40 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank Midden-Nederland op juiste gronden heeft beslist. Het hof bevestigt het vonnis, behalve voor zover het betreft de strafoplegging. Ten aanzien van dit onderdeel van het vonnis komt het hof tot een andere beslissing dan de rechtbank Midden-Nederland. In zoverre vernietigt het hof het vonnis. Daarnaast zal het hof de gronden – vanwege een aanvulling op het dossier in hoger beroep en het mede daarop gebaseerde standpunt van de advocaat-generaal – aanvullen.
Aanvulling van gronden
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit, waarbij hij – anders dan de rechtbank – ook van oordeel is dat bewezen kan worden verklaard dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. De advocaat-generaal verwijst daarbij mede naar een (nieuw) forensisch medische letselrapportage betreffende het slachtoffer, gedateerd 29 januari 2025 (opmerking hof: het schriftelijk requisitoir vermeldt als datum 12 december 2024, zijnde de datum van het onderzoek).
Het hof overweegt als volgt.
Onder zwaar lichamelijk letsel op grond van artikel 82 Sr wordt begrepen: ziekte die geen uitzicht op volkomen genezing overlaat, voortdurende ongeschiktheid tot uitoefening van ambts- of beroepsbezigheden, afdrijving of dood van de vrucht van een vrouw alsmede storing van de verstandelijke vermogens die langer dan vier weken heeft geduurd. Ook buiten deze gevallen kan lichamelijk letsel als zwaar worden beschouwd als dat voldoende belangrijk is om naar gewoon spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid. Bij de beantwoording van de vraag of zeker letsel als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt, is van belang of het oordeel van de rechter iets inhoudt over de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en/of het uitzicht op (volledig) herstel. Bij de beoordeling of uitzicht is op volledig herstel kan ook worden betrokken of restschade aanwezig is, in het bijzonder in de vorm van één of meerdere littekens. Daarbij kunnen van belang zijn het uiterlijk en de ernst van het litteken en daarmee samenhangend de mate waarin dat litteken het lichaam ontsiert, en eventueel of in verband met dat litteken - langdurige - pijnklachten (hebben) bestaan.
In de bovengenoemde letselrapportage is het op dat moment nog zichtbare restletsel beschreven en getypeerd. Hieruit blijkt dat het slachtoffer ten gevolge van het feit boven de rechter wenkbrauw een blijvend litteken met een grootte van circa 1,0 bij 1,2 cm heeft opgelopen en dat een stukje van een voortand is vervangen door een opzetstuk. Ander letsel is niet objectief vastgesteld dan wel beschreven. Het hof is anders dan de advocaat-generaal van oordeel dat de beschreven restverschijnselen en gevolgen – gelet op de door de Hoge Raad gestelde kaders – geen zwaar lichamelijk letsel opleveren.
Het hof zal verdachte van dit deel van de tenlastelegging dan ook vrijspreken.
Oplegging van straf en/of maatregel
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 80 uur subsidiair 40 dagen hechtenis, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
De raadsman heeft, gelet op de bepleite vrijspraak, geen standpunt ingenomen ten aanzien van de strafoplegging.
Bij het bepalen van de straf en/of maatregel houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Het slachtoffer is door de partner van verdachte naar zijn woning gelokt en hij is daar door haar partner mishandeld en van zijn vrijheid beroofd. Uit de verklaring van het slachtoffer blijkt hoeveel impact deze gebeurtenis op hem heeft gehad en dat hij doodsangsten heeft uitgestaan. Verdachte was daarbij aanwezig, heeft gezien dat het slachtoffer tot bloedens toe werd geslagen, dat met een spijkerpistool in zijn richting werd geschoten en dat hij door haar partner werd bedreigd, bang was en om hulp heeft geroepen. Desondanks heeft verdachte nagelaten om hulp in te roepen. Daarmee heeft zij schuld aan het voortduren van de wederrechtelijke vrijheidsberoving van het slachtoffer.
Verdachte is afgezien van onderhavige zaak niet eerder in aanraking gekomen met politie en justitie. Deze omstandigheid is verder niet van invloed bij de bepaling van de straf.
Het hof overweegt dat verdachte in de periode van het incident in grote stress verkeerde door de zorgen die zij had rondom het middelengebruik en het gedrag van haar partner, de medeverdachte, en de hulp die zij voor hem aan het inschakelen was. Onder die omstandigheden werd zij in de woning van haar partner na vele jaren plotseling geconfronteerd met het slachtoffer, met kennelijk aan hem verbonden herinneringen en met een partner die het slachtoffer aan het mishandelen was. Het hof acht het voorstelbaar dat verdachte zich vanuit haar perceptie voor een lastig belangenconflict gesteld zag, nu zij het slachtoffer geen warm hart toedroeg en zij daarnaast het belang van haar partner in het oog wilde houden. Het hof zal hier bij de strafoplegging rekening mee houden. Dit laat onverlet dat verdachte niet heeft gehandeld zoals zij naar het oordeel van het hof had kunnen en ook moeten doen.
Ook houdt het hof er rekening mee dat uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte door de handelwijze van haar partner en de grote media-aandacht die er voor deze strafzaak is geweest, al bovenmatig grote nadelige gevolgen heeft ondervonden in haar werk en privéleven. Daarbij speelt een rol dat in de aandacht voor deze zaak veelal is gerefereerd aan twee daders, terwijl er een significant verschil zit tussen het tenlastegelegde en bewezenverklaarde handelen in de zaken van beide verdachten. Waar het in de zaak van de medeverdachte zou gaan om het opzettelijk mishandelen, afpersen en van de vrijheid beroven, wordt verdachte in onderhavige zaak uitsluitend veroordeeld voor het onvoldoende ingrijpen in een situatie die een ander veroorzaakte.
Voor een feit als het onderhavige acht het hof in beginsel een onvoorwaardelijke taakstraf, zoals ook door de rechtbank is opgelegd, passend. Vanwege voornoemde specifieke omstandigheden van het geval zal het hof de eis van de advocaat-generaal volgen en volstaan met oplegging van een geheel voorwaardelijke taakstraf van 80 uur, subsidiair 40 dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren.
Wetsartikelen
De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 283 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis.
Bepaalt dat de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten, omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door mr. J.L.F. Groenhuijsen, mr. N.I.S. Boers en mr. S. Weening, raadsheren, in aanwezigheid van mr. A.C. Wormgoor, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 14 oktober 2026.
Mr. Weening is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen