ECLI:NL:GHARL:2026:6562

ECLI:NL:GHARL:2026:6562

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 14-10-2026
Datum publicatie 13-10-2026
Zaaknummer 21-003498-25
Rechtsgebied Strafrecht; Strafprocesrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Zwolle

Samenvatting

Het hof veroordeelt verdachte voor het medeplegen van opzettelijk gebruikmaken van een vals geschrift. Het hof legt aan verdachte op een geldboete van € 5.000.

Uitspraak

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1968 in [geboorteplaats] ,

wonende te [adres 1] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de zitting van het hof van 24 september 2026 – welk onderzoek is gesloten op de zitting van 14 oktober 2026 – en het onderzoek op de zittingen bij de rechtbank.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en haar raadsman, mr. N.A. Heidanus, hebben aangevoerd.

Het vonnis

Bij bovengenoemd vonnis heeft de rechtbank verdachte voor kort gezegd medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een taakstraf van 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis, waarvan 30 uren subsidiair 15 dagen hechtenis voorwaardelijk, met een proeftijd van één jaar.

Het hof komt in dit arrest tot een deels andere beslissing over het bewijs dan de rechtbank. Daarnaast komt het hof tot een andere straf. Het hof vernietigt het vonnis en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op één of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 24 mei 2018 t/m 1 juni 2018 te [plaats 1] , [plaats 2] , [plaats 3] , in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer (rechts)personen,

opzettelijk gebruik heeft gemaakt

van meerdere, althans een, vals(e) of vervalst(e) geschrift(en), zijnde (telkens) een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, als ware het echt en onvervalst, te weten:

- een werkgeversverklaring van (werkgever) [bedrijf 1] te [plaats 4] betreffende [naam 1] als algemeen medewerker van [bedrijf 1] (JM956-17, vindplaats

p. 5760);

- een arbeidsovereenkomst tussen [bedrijf 1] en [naam 1] , getekend op 31 mei 2018 (JM956-01, vindplaats p. 5646/5647);

- een salarisspecificatie d.d. 30 april 2018 op naam van [naam 1] over de maand april 2018 (JM956-14, vindplaats p. 5681);

bestaande die vervalsing en/of die valsheid hierin dat (telkens) opzettelijk en in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven - is aangegeven dat [naam 1] werkzaam was/is geweest voor [bedrijf 1] en/of een contract voor onbepaalde tijd had en/of in vaste dienst was en/of per 1 augustus 2018 gemiddeld 40 uren per week werkzaam zou zijn voor [bedrijf 1] en/of 117 loonuren heeft gewerkt voor [bedrijf 1] in de maand april 2018, bestaande dat gebruikmaken - zakelijk weergegeven - hierin dat zij, verdachte, en/of haar mededader(s), de hiervoor genoemde werkgeversverklaring en/of arbeidsovereenkomst en/of salarisspecificatie aan [de bank] ten behoeve van de verkrijging van een hypothecaire geldlening voor het pand (appartement) aan de [adres 2] heeft/hebben verstrekt, althans doen toekomen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. De tenlastegelegde documenten waren vals en uit de door verdachte gestuurde WhatsApp-gesprekken volgt dat zij dat ook wist. Daaruit volgt ook het tenlastegelegde medeplegen met [medeverdachte 1] . Verdachte heeft een actieve en significante rol gespeeld. Zij heeft de klant in de gelegenheid gesteld de aanvankelijk aan [de bank] aangeboden stukken alsnog aan te laten passen, zodat de financiering kon worden verkregen. De stukken zijn onder haar verantwoordelijkheid verstrekt en dat paste binnen de normale bedrijfsvoering van haar bedrijf.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit. Dat de tenlastegelegde documenten vals waren staat niet ter discussie, maar betwist wordt dat verdachte dat ook wist, die documenten vervolgens opzettelijk heeft gebruikt én daarbij nauw en bewust heeft samengewerkt met anderen. Dat verdachte in een WhatsApp-gesprek sprak over “geloofwaardiger” kan achteraf bezien ongelukkig zijn gekozen, maar is niet hetzelfde als opzettelijk strafbaar: “geloofwaardiger” betekent niet “vals”. Als hypotheekadviseur wordt van verdachte verwacht dat zij met oplossingen komt, flexibel en creatief meedenkt en binnen haar mogelijkheden maximaal opkomt voor het belang van haar klant. Verdachte had geen verkeerde intenties. Zij kende destijds (de context rondom) de persoon [medeverdachte 1] ook niet. Verdachte kon en moest uitgaan van de aan haar aangeleverde informatie. Daarnaast was het [de bank] die verdachte in herhaald overleg vroeg de uren aan te passen en werd ook vanuit de geldverstrekker actief gekeken om de aanvraag passend te maken. Verdachte kan ook niet worden gezien als degene die de documenten heeft gebruikt, omdat haar binnendienstmedewerker de documenten verstuurde. Er bestaat evenmin bewijs voor het samenwerken door verdachte met [medeverdachte 1] en/of diens boekhouder gericht op het plegen van het tenlastegelegde.

Oordeel van het hof

Partiële vrijspraak eerste en derde gedachtestreepje

Hoewel niet betwist is dat de in de tenlastelegging genoemde documenten valselijk zijn opgesteld, acht het hof niet bewezen dat verdachte opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een valse werkgeversverklaring van [bedrijf 1] te [plaats 4] (eerste gedachtestreepje) en een salarisspecificatie van 30 april 2018 op naam van [naam 1] over de maand april 2018 (derde gedachtestreepje). Het dossier bevat geen bewijs dat verdachte wist dat er in het geheel geen sprake was van een arbeidsovereenkomst tussen [bedrijf 1] en [naam 1] . Daarnaast wijkt het in de werkgeversverklaring vermelde bruto jaarinkomen van ruim

€ 35.000,00 niet zodanig af van de salarisspecificatie van april 2018 dat dit in het oog zou moeten springen. Ook het in de salarisspecificatie van april 2018 vermelde aantal gewerkte uren bij [bedrijf 1] van 117 uren is niet zodanig afwijkend van het gemiddeld aantal werkuren per maand bij [bedrijf 1] dat verdachte destijds bekend was. Het hof heeft hierbij mede gelet op informatie waarover [de bank] kennelijk beschikte en waaruit een dienstverband bleek met [bedrijf 1] van 27 uren per maand. Het hof spreekt verdachte partieel vrij van deze onderdelen van de tenlastelegging.

Bewezenverklaring tweede gedachtestreepje

Het hof is van oordeel dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is voor het tenlastegelegde onder het tweede gedachtestreepje. Het hof twijfelt niet aan de juistheid en betrouwbaarheid van dat bewijs.

Het hof past daarbij de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

Een schriftelijk bescheid, te weten een arbeidsovereenkomst (JM-956-01), opgenomen op pagina’s 5646 en 5647 van het dossier Hille met nummer 2020241607 d.d. 2 april 2024, voor zover inhoudend:

Arbeidsovereenkomst.

Ondergetekenden: [bedrijf 1] en mevrouw [naam 1] .

Werknemer treedt op 1 augustus 2018 in dienst bij werkgever op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd in de functie van algemeen medewerker. De arbeidsovereenkomst wordt aangegaan voor gemiddeld veertig uren per week.

Het salaris bedraagt € 4.050,80 bruto per maand.

Ondertekend op 31 mei 2018.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 5 oktober 2022, opgenomen op pagina 8771 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van

[medeverdachte 1] :

[naam 1] heeft niet bij [bedrijf 1] gewerkt. Die werkgeversverklaring is valselijk opgemaakt om het hypotheekbedrag te krijgen. Jullie vragen ook naar de arbeidsovereenkomst die is getekend op 31 mei 2018. De stukken met betrekking tot [bedrijf 1] zijn valselijk opgemaakt.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen aan- en verkoop [adres 2] d.d. 20 april 2022, opgenomen op pagina 5612 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant:

[naam 1] heeft via tussenpersoon [verdachte] van [bedrijf 2] te [plaats 3] , op 24 mei 2018 bij [de bank] een aanvraag ingediend om de aankoop van het pand [adres 2] te financieren. (…) Voor de aanvraag van de financiering heeft [naam 1] diverse documenten aangeleverd: (…)

In een interne mail van [de bank] staat vermeld hoeveel contracturen [naam 1] werkzaam is bij [bedrijf 1] en [bedrijf 3] Uit dit document is op te maken dat [naam 1] bij [bedrijf 1] een dienstverband van 27 uur heeft met een bruto jaarinkomen van € 35.440,92. Daarnaast is beschreven dat [naam 1] bij [bedrijf 3] een dienstverband van 38 uur heeft, met een bruto jaarinkomen van € 26.970,84. Dit maakt dat [naam 1] wekelijks 65 uur betaalde werkzaamheden verricht tegen een bruto jaarinkomen van € 62.411,76. Vanwege het forse aantal wekelijkse contracturen en de bestendigheid daarvan, is de post op 29 mei 2018 teruggelegd bij de adviseur [verdachte] van [bedrijf 2] met het verzoek een aantal aanpassingen te doen (JM956-05, pagina 5658).

[verdachte] schrijft in haar mail op 29 mei 2018 om 17:03 uur aan [de bank] dat [naam 1] de mogelijkheid heeft om in de toekomst volledig bij [bedrijf 1] te gaan werken, op basis van 38 uur in de week. Daarnaast vermeldt [verdachte] dat “aangezien mevrouw [naam 1] bij [bedrijf 1] een hoger uurloon heeft, ze bij [bedrijf 3] voor 8 uur in de week als receptioniste kan blijven werken en toch in totaal hetzelfde inkomen blijven verdienen”. In de nieuwe situatie zou [naam 1] dan 46 uur werken, waarvan 38 uur bij [bedrijf 1] en 8 uur bij [bedrijf 3] De hypotheekacceptant van [de bank] geeft aan dat hij/zij het fijn vindt dat [verdachte] naar een constructieve oplossing heeft gezocht en heeft een positief advies voor deze oplossing voorgelegd ter beoordeling (…) (JM956-06, pagina 5660 en 5661).

Er is een arbeidsovereenkomst aangeleverd welke is getekend op 31 mei 2018. (…) De arbeidsovereenkomst is voor 40 uur, tegen een bruto maandsalaris van

€ 4.050,80. (…)

Uit ontvangen gegevens van het onderzoek 26Eufala komen WhatsApp-gesprekken naar voren tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] . (…) Daarnaast komen uit het onderzoek 26Eufala WhatsApp-gesprekken naar voren tussen [verdachte] van [bedrijf 2] en [medeverdachte 1] . (…)

Uit bovenstaande gegevens is op te maken dat [medeverdachte 1] opdracht geeft aan [medeverdachte 2] om een salarisspecificatie van [bedrijf 1] aan te passen en daarbij op moet letten dat deze overeenkomt met de werkgeversverklaring. (…)

Uit de Whatsapp gesprekken tussen [medeverdachte 1] en [verdachte] is op te maken dat [verdachte] op 19 februari 2018 om 09:31:00 uur aan [medeverdachte 1] de volgende tekst stuurt: (JM832-16, pagina 5516 en 5517):

[Afbeelding 1]

[Afbeelding 2]

Uit de WhatsApp-gesprekken tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] is op te maken dat [medeverdachte 1] exact dezelfde tekst die hij van [verdachte] ontving 2 minuten later om 09:33 uur vervolgens aan [medeverdachte 2] doorstuurt (JM827-07, pagina 5450-5452):

[Afbeelding 3]

(…)

Uit de WhatsApp gesprekken is op te maken dat [verdachte] op 31 mei 2018 om 07.26 uur aan [medeverdachte 1] de volgende tekst stuurt (JM832-01, pagina 5492):

[Afbeelding 4]

(…)

Op 31 mei 2018 om 10.43 uur stuurt [medeverdachte 1] exact dezelfde tekst die hij om 10:42 uur van [verdachte] ontving, door naar [medeverdachte 2] . [medeverdachte 2] geeft vervolgens aan bij [medeverdachte 1] dat hij er zo mee aan de slag gaat (JM827-14, pagina 5467-5468):

[Afbeelding 5]

Op 31 mei 2018 om 15:44 uur stuurt [medeverdachte 1] aan [verdachte] dat hij alles net heeft gebracht waarop [verdachte] [medeverdachte 1] bericht dat de eerste beoordeling erdoorheen is, dat de tweede controle een formaliteit is en morgen alles naar de notaris gaat (JM832-01, pagina 5493). (…)

In een OVC-opname van 1 september 2021 is te horen dat [naam 1] tegen [medeverdachte 1] zegt dat zij nog nooit op camping [naam camping] is geweest (TA006, pagina 10.875).

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 12 oktober 2023, opgenomen op pagina 2694 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van verdachte:

Ik ben bemiddelaar in de hypotheek geweest van [adres 2] in 2018. Ik heb de hypotheek ondergebracht bij [de bank] . Ik kreeg van [medeverdachte 1] opdracht om de financiering te regelen. [medeverdachte 1] was mijn contactpersoon. Hij regelde de financiering met mij. De stukken zijn door ons bij [de bank] aangeleverd.

Bewijsoverweging

Het hof overweegt dat als verwijt resteert dat verdachte wordt verweten dat zij samen met anderen opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een valse arbeidsovereenkomst van 31 mei 2018 door dit geschrift te verstrekken aan [de bank] ten behoeve van de verkrijging van een hypotheek van [naam 1] .

Het hof stelt op grond van de verklaring van [medeverdachte 1] en de aangehaalde OVC-opname vast dat de in de tenlastelegging onder het tweede gedachtestreepje genoemde arbeidsovereenkomst valselijk is opgesteld. [de bank] is derhalve ten onrechte voorgehouden dat [naam 1] voldoende inkomsten uit werkzaamheden had om een hypotheek te verstrekken.

Verdachte heeft dit valse document verstrekt aan [de bank] . Dat niet verdachte, maar wellicht een medewerker van verdachte het document heeft verstrekt aan [de bank] , staat niet aan een bewezenverklaring in de weg. Verdachte was immers eigenaar van [bedrijf 2] en zij is degene geweest die als hypotheekbemiddelaar zich telkens bezig heeft gehouden met het hypotheekdossier van [naam 1] . Het verstrekken van de arbeidsovereenkomst aan [de bank] is in haar opdracht en onder haar verantwoordelijkheid geschied.

De vraag die het hof vooral moet beantwoorden is of verdachte wetenschap had van de valsheid van de arbeidsovereenkomst tussen [bedrijf 1] en [naam 1] van 31 mei 2018. Het hof beantwoordt die vraagt bevestigend op grond van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen en overweegt daartoe als volgt.

Ruim voor het indienen van de hypotheekaanvraag op 24 mei 2018 stuurt verdachte op 19 februari 2018 aan [medeverdachte 1] al een WhatsApp-bericht dat de contracturen van [naam 1] bij [bedrijf 1] en [bedrijf 3] van in totaal circa 70 uren vragen bij de hypotheekverstrekker gaat opleveren. Verdachte vraagt aan [medeverdachte 1] : “Kun je de salarisstrook van [bedrijf 3] nog aanpassen in minder uren en een hoger uurloon?” Verdachte vraagt [medeverdachte 1] vervolgens concreet de salarisstrook van [bedrijf 3] aan te passen naar 18 uren en een hoger uurloon, zodat [naam 1] gemiddeld 53 uren werkt verdeeld over 6 dagen. Volgens verdachte is dat geloofwaardiger.

Zoals verdachte kennelijk al veronderstelde wordt de hypotheekaanvraag op 29 mei 2018 teruggelegd door [de bank] bij verdachte als adviseur vanwege het forse aantal contracturen (van circa 65 uren) en de bestendigheid daarvan. Verdachte komt vervolgens op dezelfde dag met een oplossing richting [de bank] inhoudende dat [naam 1] in de toekomst 38 uren bij [bedrijf 1] kan gaan werken en 8 uren bij [bedrijf 3] . Vanwege het hogere uurloon bij [bedrijf 1] kan [naam 1] dan toch hetzelfde inkomen blijven verdienen. Dit voorstel wordt positief ontvangen door (de eerste beoordelaar van) [de bank] . Verdachte deelt dit voorstel en de positieve reactie ook mee aan [medeverdachte 1] op 31 mei 2018, waarop [medeverdachte 1] antwoordt “ [bedrijf 3] 40 uur dan?” Daarop deelt verdachte mee dat dit vooralsnog het beste voorstel is, omdat het uurloon van [bedrijf 1] aanzienlijk hoger ligt. Verdachte zegt dan opnieuw dat dit geloofwaardiger overkomt.

Verdachte deelt kort hierop aan [medeverdachte 1] mee dat [de bank] akkoord wil gaan met een inkomen van € 4.000,00 bruto per maand op basis van 40 uren bij [bedrijf 1] en vraagt [medeverdachte 1] om [bedrijf 1] een verklaring te laten afgeven “dat [naam 1] per 1/8 40 uur tegen bovenstaand salaris gaat verdienen” waarmee alles rond is. Op 31 mei 2018 wordt overeenkomstig dit advies een arbeidsovereenkomst opgesteld tussen [bedrijf 1] en [naam 1] waarna de hypotheek wordt verleend.

Uit deze gang van zaken leidt het hof af dat verdachte zich actief bemoeit met het aantal contracturen van [naam 1] bij [bedrijf 1] en [bedrijf 3] . Op 19 februari 2018 doet verdachte zelfs al concrete voorstellen aan [medeverdachte 1] tot aanpassing van de salarisstrook van [bedrijf 3] , omdat zij problemen verwacht bij het totaal aantal uren op basis van de gegevens zoals door [medeverdachte 1] in eerste instantie bij haar zijn aangeleverd. Als verdachte dan op 31 mei 2018 vervolgens haar eigen nieuwe voorstel aan [de bank] van meer uren bij [bedrijf 1] vanwege een hoger uurtarief kenbaar maakt aan [medeverdachte 1] , komt [medeverdachte 1] in eerste instantie met een reactie van een totaal ander aantal contracturen bij [bedrijf 3] . Verdachte herhaalt dan haar nieuwe voorstel van meer uren bij [bedrijf 1] , omdat het uurloon van [bedrijf 1] beduidend hoger is en daarmee geloofwaardiger overkomt. [medeverdachte 1] gaat vervolgens met het advies van verdachte aan de slag en geeft opdracht aan [medeverdachte 2] als eigenaar van [bedrijf 1] , terwijl [medeverdachte 1] wist dat [naam 1] daar niet daadwerkelijk werkzaam was. Er is dan ook sprake van het schuiven van uren op papier. Het hof is van oordeel dat de WhatsApp-gesprekken niet voor een andere uitleg vatbaar zijn dan dat verdachte wist dat de contracturen van [naam 1] bij [bedrijf 1] , zoals vermeld in de arbeidsovereenkomst van 31 mei 2018, niet juist waren, maar een papieren (schijn)constructie betrof om de beoogde hypotheek bij [de bank] verstrekt te verkrijgen.

Dat mogelijk een medewerker van [de bank] gelegenheid heeft geboden of zelfs heeft aangestuurd op aanpassing van uren om de hypotheek passend te kunnen maken en de aanvraag te kunnen accepteren, doet niet af aan de valsheid van het stuk en het daadwerkelijk aanleveren van de gewijzigde arbeidsovereenkomst door verdachte. Bij een eventuele interne controle van [de bank] of bij controle door een externe toezichthouder zou de administratie in dit dossier immers een onjuist beeld opleveren van de werkelijkheid en het werkelijke risico.

Het hof acht het tenlastegelegde medeplegen met [medeverdachte 1] van het opzettelijk gebruik maken van een valse arbeidsovereenkomst dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

zij op één of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 24 mei 2018 tot en met 1 juni 2018 te [plaats 1] , [plaats 2] , [plaats 3] , in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer (rechts)persoon, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van meerdere, althans een, vals(e) of vervalst(e) geschrift(en), zijnde (telkens) een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, als ware het echt en onvervalst, te weten:

- een werkgeversverklaring van (werkgever) [bedrijf 1] te [plaats 4] betreffende [naam 1] als algemeen medewerker van [bedrijf 1] ( JM956-17 , vindplaats

p. 5760);

- een arbeidsovereenkomst tussen [bedrijf 1] en [naam 1] , getekend op 31 mei 2018 (JM956-01, vindplaats p. 5646/5647);

- een salarisspecificatie d.d. 30 april 2018 op naam van [naam 1] over de maand april 2018 (JM956-14, vindplaats p. 5681);

bestaande die vervalsing en/of die valsheid hierin dat (telkens) opzettelijk en in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven - is aangegeven dat [naam 1] werkzaam was/is geweest voor [bedrijf 1] en/of een contract voor onbepaalde tijd had en/of in vaste dienst was en/of per 1 augustus 2018 gemiddeld 40 uren per week werkzaam zou zijn voor [bedrijf 1] en/of 117 loonuren heeft gewerkt voor [bedrijf 1] in de maand april 2018, bestaande dat gebruikmaken - zakelijk weergegeven - hierin dat zij, verdachte, en/of haar mededader(s), de hiervoor genoemde werkgeversverklaring en/of arbeidsovereenkomst en/of salarisspecificatie aan [de bank] ten behoeve van de verkrijging van een hypothecaire geldlening voor het pand (appartement) aan [adres 2] heeft/hebben verstrekt, althans doen toekomen.

Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.

Het bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een taakstraf van 60 uren en een gevangenisstraf van 2 weken voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vanwege de bepleite vrijspraak geen strafmaatverweer gevoerd.

Oordeel van het hof

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Door en namens verdachte zijn haar persoonlijke omstandigheden op de zitting naar voren gebracht. Het bedrijf van verdachte is financieel gezond, maar de strafzaak heeft veel impact op verdachte. Zij heeft daarvoor ook EMDR-therapie ondergaan. Dit heeft geen effect opgeleverd, omdat verdachte te boos was over hoe zij in het onderzoek is behandeld. Verdachte is zich nog steeds van geen kwaad bewust en heeft geen foute intenties gehad. Zij heeft louter in haar enthousiasme iemand willen helpen. [de bank] heeft inmiddels de samenwerking opgezegd. Verdachte heeft ook een gesprek gehad met de AFM. Een veroordeling zou betekenen dat zij haar vergunning kwijt raakt en dan is het einde oefening voor haar bedrijf en werknemers, aldus verdachte.

Bij het bepalen van de straf heeft het hof ook gelet op het uittreksel justitiële documentatie van 20 augustus 2026, waaruit volgt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit. Het strafblad weegt daarom niet in strafverzwarende zin mee bij de strafoplegging.

Het hof overweegt het volgende.

Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan hypotheekfraude door het gebruikmaken van een vals geschrift. [medeverdachte 1] heeft ervoor gezorgd dat de hypotheekaanvrager op papier een dienstverband had bij een camping. Als bewijs van dit fictieve dienstverband werd een valse arbeidsovereenkomst opgemaakt. Verdachte leverde dit geschrift in bij de hypotheekverstrekker. Op basis van het fictieve dienstverband en het in de arbeidsovereenkomst opgenomen aantal contracturen en brutoloon is vervolgens aan de hypotheekaanvrager een hypotheek verstrekt.

In het economische verkeer spelen hypothecaire geldleningen een belangrijke rol. In alle gevallen gaat het om korter of langer durende financiële verplichtingen die worden aangegaan tussen banken en personen. Voor de beoordeling van de kredietwaardigheid van de aanvrager is de bank afhankelijk van de juistheid van de overgelegde stukken. Door gebruikmaking van dit valse document heeft verdachte afbreuk gedaan aan de belangrijke bewijsfunctie hiervan en heeft zij bovendien misbruik gemaakt van het vertrouwen van de hypotheekverstrekker. Deze dient er namelijk van uit te kunnen gaan dat overgelegde bescheiden naar waarheid zijn opgemaakt. De regelgeving voor hypotheekverstrekking dient niet alleen ter bescherming van de hypotheekverstrekker, maar waarborgt ook het voorkomen van betalingsproblemen bij de consument aan wie de lening verstrekt wordt. Het hof rekent verdachte dit in het bijzonder aan, omdat zij beroepsmatig bemiddelt bij het verstrekken van hypotheken en nog immer niet het kwalijke van haar handelen inziet.

Weliswaar is er geen sprake van een overschrijding van de redelijke termijn, het hof houdt er wel rekening mee dat het bewezenverklaarde feit ziet op een periode van 8 jaar geleden.

Gelet op het vorenstaande alsmede dat het hof verdachte vrijspreekt van het eerste en het derde gedachtestreepje van het ten laste gelegde feit, komt het hof tot een andere strafmodaliteit dan door de rechtbank is opgelegd en door de advocaat-generaal is gevorderd. Alles afwegende acht het hof de oplegging van een onvoorwaardelijke geldboete passend en in overeenstemming met de aard en ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op verdachtes draagkracht. Het hof legt aan verdachte op een geldboete van € 5.000,00 bij niet betalen te vervangen door 50 dagen hechtenis.

Het hof heeft daarbij ook rekening gehouden met de gevolgen die deze zaak voor verdachte heeft gehad en mogelijk nog zal hebben. Met oplegging van deze strafmodaliteit beoogt het hof voorts een straf op te leggen die continuering van verdachtes onderneming en een vergunning van de AFM niet in de weg zou hoeven te staan.

Wetsartikelen

De straf is gebaseerd op de artikelen 23, 24, 24c en 225 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 5.000,00 (vijfduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis.

Dit arrest is gewezen door mr. G. Dam, voorzitter, mr. J.H.W.R. Orriëns-Schipper en

mr. P.L.M. van Gorkom, raadsheren, in aanwezigheid van de griffier mr. Y.A. Hoekstra en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 14 oktober 2026.

Mrs. J.H.W.R. Orriëns-Schipper en P.L.M. van Gorkom zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. G. Dam

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand