[verdachte] ,
geboren op [geboortedag 1] 1967 in [geboorteplaats 1] ,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de zitting van het hof van 22 september 2026 en het onderzoek op de zittingen bij de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de onderzoekswensen van de verdediging bij schrijven van 8 september 2026 en van de schriftelijke reactie daarop van het openbaar ministerie van 18 september 2026.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat er namens verdachte door zijn raadslieden,
mr. D.R. Doorenbos en mr. M.E. Rosing, en van wat er door de advocaten-generaal op de zitting van 22 september 2026 naar voren is gebracht.
Onderzoekswensen verdediging
Op de zitting van 22 september 2026 heeft de verdediging – conform de eerder bij schrijven van 8 september 2026 ingediende onderzoekswensen – de hierna vermelde verzoeken gedaan. Daarbij heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de onderzoekswensen moeten worden beoordeeld op een wijze die materieel overeenkomt met toepassing van de maatstaf van het verdedigingsbelang.
Het hof is van oordeel dat, gelet op het tijdstip waarop de verzoeken zijn gedaan, de verzoeken in beginsel getoetst dienen te worden aan het noodzaakscriterium. De door de verdediging opgeworpen maatstaf kent de wet ook niet voor andere verzoeken dan die van het horen van getuigen en deskundigen.
Onderzoekswensen
Totaalindex procesdossier Hille
1. Alomvattende inhoudsopgave
Verzoek
Bij de huidige stand van het dossier is moeilijk na te gaan welke processtukken zich waar in het dossier bevinden en welke processtukken nog ontbreken in het grote geheel van deelverzamelingen. Er zijn vier verschillende indexen die elkaar deels overlappen en vele lacunes vertonen. Er lijkt ook geen enkele logica te zitten in de opbouw van het dossier. Dit chaotische bouwwerk bemoeilijkt en belemmert het zicht en leidt ertoe dat processtukken blijven ontbreken. Er bestaat ook een recht op een dergelijke inhoudsopgave op grond van artikel 2, derde lid, van het Besluit processtukken in strafzaken. De verdediging verzoekt om een alomvattende inhoudsopgave van het procesdossier.
Standpunt openbaar ministerie
Vanwege de deels verschillende verwijten op de tenlastelegging van medeverdachten zijn niet alle stukken over en weer in alle zaken verstrekt. De verschillende mappen kennen een eigen inhoudsopgave en er is een totale algemene index van stukken. Het verzoek om een alomvattende inhoudsopgave acht het openbaar ministerie niet functioneel en niet noodzakelijk. Het openbaar ministerie concludeert tot afwijzing van het verzoek.
Oordeel van het hof
Het hof constateert dat de onderzoeksresultaten in het procesdossier Hille moeizaam toegankelijk zijn. Het hof acht het noodzakelijk dat in de zaken van verdachten [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] per verdachte een totaalindex (bestaande uit één allesomvattende inhoudsopgave en index van stukken) wordt opgesteld, waarin wordt opgenomen welke oorspronkelijke en aanvullende stukken zijn opgesteld en verstrekt.
Het hof wijst het verzoek toe en geeft daartoe opdracht aan het openbaar ministerie. De daarbij door het openbaar ministerie in acht te nemen termijn bedraagt drie maanden.
Categorieën van processtukken die niet compleet zijn
2. Alleen digitaal beschikbare JM-stukken
Verzoek
De totaalindex in map 1 (pagina 67 tot en met 93Q) bevat meer dan honderd verwijzingen naar stukken waarbij in rode letters staat vermeld dat deze alleen digitaal beschikbaar zijn. Navraag bij de vorige raadsman heeft geleerd dat deze digitale stukken niet aan hem zijn verstrekt. Ook het hof heeft laten weten daar niet over te beschikken. De verdediging gaat ervan uit dat ook de rechtbank deze stukken niet in haar beoordeling heeft meegenomen. De verdediging verzoekt om een afschrift van deze stukken, die zij heeft opgesomd in bijlage 1 bij de brief van 8 september 2026.
Standpunt openbaar ministerie
In beginsel moet het procesdossier voor alle partijen volledig zijn. Primair rust op het hof als dossierhouder de taak zorg te dragen voor een volledig dossier. Bij de in eerste aanleg aan de vorige verdediging verstrekte stukken bevonden zich niet de stukken die de verdediging in bijlage 1 heeft opgesomd. Die stukken horen namelijk bij zaaksdossier 03 (ZD-03) met als titel “ [titel] ”. De in bijlage 1 opgesomde digitale stukken zijn niet relevant voor de beoordeling van de zaak van verdachte. Het openbaar ministerie concludeert tot afwijzing van het verzoek.
Oordeel van het hof
Het procesdossier Hille (en dus ook het algemene relaas) gaat over meerdere verdachten. Niet elk onderdeel van het dossier is voor elke verdachte ( [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ) van belang. Met name aan medeverdachte [medeverdachte 1] worden meer en andere feiten verweten. In het dossier komen zowel in de relaasprocessen-verbaal als in andere stukken (processen-verbaal van verdenking, processen-verbaal van verhoor) verwijzingen voor naar journaalmutaties, genummerd “JMxxxx”. Dit zijn veelal stukken afkomstig van derden (banken, belastingdienst) of opgemaakte processen-verbaal. Die bijgevoegde stukken bevatten op hun beurt ook weer verwijzingen naar journaalmutaties. Vele van die journaalmutaties zijn in het dossier opgenomen in de bijlagen. Eveneens vele journaalmutaties zijn niet bij het dossier gevoegd. De verdediging verzoekt onder punt 2, maar ook hierna onder punt 3, om voeging van alle in het dossier genoemde (digitaal beschikbare) journaalmutaties. De verdediging heeft daarbij geen onderscheid gemaakt in het belang van de gevraagde journaalmutaties. Zo is van een aantal mutaties duidelijk dat het betreffende stuk zich al in het dossier bevindt, zij het zonder dat dat stuk een JM-nummer heeft gekregen. Gelet op de omvang van het onderzoek en het aantal verdachten is niet elk onderdeel van het dossier/de bijlagen van belang in de zaak van verdachte.
Als voorbeeld noemt het hof dat de verdediging in genoemde bijlage 1 onder nummer 2 verwijst naar ‘ [WhatsApp-gesprek] ’. Het hof constateert dat het ‘extraction report’ van dit WhatsApp-gesprek tussen [medeverdachte 1] en [verdachte] al is opgenomen in journaalmutatie JM20 op pagina 2906 e.v. van het procesdossier.
Het hof acht onvoldoende onderbouwd waarom alle in bijlage 1 genoemde digitale stukken van belang zouden zijn in de zaak van verdachte. Het hof is van oordeel dat de verdediging per digitaal stuk dient te onderbouwen dat en waarom het stuk van belang is in de zaak van verdachte en aan het procesdossier moet worden toegevoegd.
Het hof stelt de verdediging hiertoe in de gelegenheid en zal daarvoor een termijn stellen van drie maanden na het wijzen van het tussenarrest.
3. Vermoedelijk bestaande maar niet verstrekte JM-stukken
Verzoek
Bij bestudering van het dossier is het de verdediging opgevallen dat in tal van JM-stukken in het dossier wordt verwezen naar andere JM-stukken die nog ontbreken. De verdediging geeft daarvan tien voorbeelden. Het onderliggende brondocument kan daarmee niet worden gecontroleerd. De verdediging verzoekt om een afschrift van deze ontbrekende JM-stukken, die zij heeft opgesomd in bijlage 2 bij de brief van 8 september 2026.
Standpunt openbaar ministerie
De door de verdediging genoemde voorbeelden van JM-stukken (met daarin verwijzingen naar andere JM-stukken) zijn opgenomen in het dossier en niet door de rechtbank voor het bewijs gebruikt. Het verzoek moet om die reden nader worden onderbouwd. Daarnaast is op pagina 14 van het overzichtsproces-verbaal vermeld waarom niet alle brondocumenten ook fysiek in het dossier zijn opgenomen. Voor elke informatievergaring heeft de politie een journaalmutatie aangemaakt, waaronder ook mutaties die niet aan het procesdossier behoren te worden toegevoegd. Het openbaar ministerie concludeert tot afwijzing van het verzoek.
Oordeel van het hof
Hetgeen het hof hiervoor onder punt 2 heeft overwogen dient hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd.
De verdediging heeft ter illustratie gewezen op tien voorbeelden van JM-stukken die ontbreken maar waar in andere JM-stukken wel naar wordt verwezen, te weten:
Het hof overweegt hierover als volgt.
Ad 1. JM441 is een proces-verbaal aanvraag doorzoeking ter inbeslagneming op pagina 4166 e.v. van het dossier. Het parketnummer van de zaak van verdachte wordt daarin niet vermeld. Op pagina 4168 wordt verwezen naar JM1203. Dat is een proces-verbaal van verdenking jegens medeverdachte [medeverdachte 3] .
Ad 2. JM2305 is het algemeen relaas van onderzoek en het document JM1467 betreft volgens pagina 17 het proces-verbaal van toetsing in verband met verlenging inverzekeringstelling verdachte [verdachte] . Dit relaasproces-verbaal bestaat uit 14 pagina’s en bevindt zich bij de stukken.
Ad 3. Het hof vindt JM2023 niet terug op pagina 846 van het dossier. Voetnoot 15 op die pagina verwijst niet naar JM1068 maar naar JM1067, te weten een faillissementsverslag [bedrijf 1] .
Ad 4. JM2159 op pagina 973, voetnoot 43, verwijst naar ‘RDW Historie m.b.t. Volvo V40 Cross Country v.v.k. [kenteken] o.n.v. [bedrijf 2] Het hof vindt RDW-informatie over dit voertuig terug in het dossier onder JM-56-B.07, pagina 3284 van het dossier.
Ad 5. JM2206 op pagina 1359 maakt duidelijk dat de verwijzing naar JM1969 TCI-informatie inhoudt over verdachte. Het openbaar ministerie heeft ingestemd met verstrekking van de processen-verbaal van het TCI.
Ad 6. JM2023 gaat volgens voetnoten 30 tot en met 32 over een proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot drie Franse kentekens. Deze kentekenplaten lijken volgens pagina 1047 van het dossier onder [medeverdachte 4] in beslag te zijn genomen.
Ad 7. JM1701 is een proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 5] . Op pagina 2088 wordt verwezen naar JM1631, screenshots van een WhatsApp-gesprek tussen vermoedelijk [persoon 1] en ene [persoon 2] .
Ad 8. JM1335 is een proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 6] . Op pagina 7614, voetnoot 8, wordt verwezen naar JM1845 ‘Bankoverboekingen tussen enerzijds [bedrijf 3] en anderzijds [medeverdachte 6] ’. De naam van [medeverdachte 6] wordt genoemd in het proces-verbaal van verdenking van fiscale fraude jegens medeverdachte [medeverdachte 1] . In het verhoor van [medeverdachte 6] worden overboekingen voorgehouden tussen de rekening van [medeverdachte 6] en die van [bedrijf 3] .
Ad 9. De verwijzing naar JM1382 op pagina 7684 gaat over tapgesprekken uit het onderzoek Engill waaruit zou volgen dat [stichting] financieel zou ondersteunen. Hieronder komt het hof tot het oordeel dat de verdediging kennis moet kunnen nemen van achttien tapgesprekken uit het onderzoek Engill.
Ad 10. Volgens pagina 8365 ziet JM1813 op gegevens van de belastingdienst met betrekking tot looninkomsten van [persoon 3] . Dit document zou op pagina 998 van het dossier zijn opgenomen, maar daar treft het hof het niet aan.
Het hof merkt verder op dat in het dossier van verdachte een proces-verbaal van verdenking is opgenomen tegen een medeverdachte en enkele aan die medeverdachte gelinkte bedrijven en daarin opererende vermoedelijke katvangers. Dat het proces-verbaal van verdenking in zijn geheel is toegevoegd, betekent nog niet per se dat elk detail dat daarin beschreven wordt (en daarmee elk onderliggend stuk) van belang is voor beoordeling van de zaak van verdachte. Van de verdediging mag worden verwacht dat in dergelijke gevallen nader wordt gemotiveerd waarom het inzien of zelfs toevoegen van dat stuk voor haar van belang is. Het hof is van oordeel dat dit bijvoorbeeld geldt voor de hierboven onder 1 tot en met 4, 6 tot en met 8 en 10 weergegeven voorbeelden. Het hof volgt dus niet de opvatting van de verdediging dat elke journaalmutatie/bijlage waarnaar ergens in het dossier wordt verwezen van belang is in de zaak van verdachte.
Het hof zal ook bij dit verzoek de verdediging in de gelegenheid stellen binnen een termijn van drie maanden na het wijzen van het tussenarrest nader te onderbouwen dat en waarom het in bijlage 2 genoemde stuk relevant is in de zaak van verdachte en aan het dossier moet worden toegevoegd.
Het hof gelast wel dat alle JM-stukken waarnaar wordt verwezen in de zaaksdossiers ZD-01 niet-ambtelijke omkoping (JM2369), ZD-02 valsheid in geschrift (JM2370) en ZD-06 witwassen contant geld (JM2449) in afschrift aan de verdediging en het hof dienen te worden verstrekt. Dit geldt ook voor alle verwijzingen naar JM-stukken in de verhoren van verdachten [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] .
Het hof geeft daartoe opdracht aan het openbaar ministerie. De daarbij door het openbaar ministerie in acht te nemen termijn bedraagt drie maanden.
4. Overige ontbrekende stukken
Verzoek
Naast de in bijlage 1 en 2 bij brief van 8 september 2026 opgesomde (digitale) JM-stukken ontbreken ook andere stukken, waaronder stukken over bemonstering van voorwerpen en dactyloscopisch en/of DNA-onderzoek en de resultaten daarvan, de precieze locaties van inbeslagneming van gereedschapskisten en contante gelden en stukken met betrekking tot doorzoekingen en inbeslagnemingen in de woning en werkplaats van verdachte. De verdediging verzoekt om een afschrift van al deze stukken.
Standpunt openbaar ministerie
Nader onderzoek naar bemonsteringen of zekergestelde dacty-sporen acht het openbaar ministerie niet noodzakelijk voor het bewijs, nu de rechtbank tot een bewezenverklaring is gekomen op basis van het thans bestaande dossier waarin dat onderzoek niet is opgenomen. Daarnaast zijn de locaties van inbeslagnemingen vastgesteld in ambtshalve processen-verbaal en niet is onderbouwd dat daaraan getwijfeld zou moeten worden en noodzakelijk is die gegevens aan het dossier toe te voegen. Het openbaar ministerie concludeert tot afwijzing van het verzoek.
Oordeel van het hof
Het hof constateert dat op pagina 8970 e.v. van het dossier een NFI-rapport van 1 november 2022 is opgenomen waarin verslag wordt gedaan van de resultaten van vergelijkend DNA-onderzoek naar bemonsteringen op elastieken (JM1970). In het licht van dit proces-verbaal acht het hof onvoldoende onderbouwd welke andere stukken hierover nog zouden ontbreken.
Ten aanzien van uitgevoerd dactyloscopisch onderzoek op aangetroffen coupures aan de [locatie] staat in zaaksdossier ZD-06 (witwassen contant geld) in paragraaf 5.9 (pagina 206) vermeld dat de uitslag van dat onderzoek nog niet bekend is. Het hof zal het openbaar ministerie opdracht geven de resultaten daarvan alsnog aan het dossier toe te voegen.
Daarnaast zijn in zaaksdossier ZD-06 op pagina 7 e.v. foto’s opgenomen van de aangetroffen contante gelden in de werkplaats en woning van verdachte en is informatie vermeld over de coupures en de hoeveelheden daarvan alsmede het totaalbedrag. Van de doorzoeking ter inbeslagneming in de werkplaats van verdachte is op pagina 116 e.v. van het beslagdossier verslag gedaan (JM1483). Bij dit proces-verbaal is ook een fotobijlage gevoegd van veertien foto’s waarop onder meer gereedschapskisten staan afgebeeld. In het beslagdossier zijn stukken opgenomen met betrekking tot doorzoekingen en inbeslagnemingen in de woning (JM1477) en werkplaats van verdachte. Verder is het hof niet gebleken dat er bijvoorbeeld ook plattegronden zijn opgesteld waarin locaties van aangetroffen gereedschapskisten en contante gelden nader zijn aangeduid, zodat deze ook niet aan het dossier toegevoegd kunnen worden. Het hof ziet ook geen noodzaak voor een nadere plaatsaanduiding van de aangetroffen gereedschapskisten en contante gelden. Verdachte kent de desbetreffende ruimtes en vindplaatsen en hij kan desgewenst op de zitting aangeven wat daarover verder van belang is.
Het hof wijst het verzoek af behoudens het toevoegen van de resultaten van dactyloscopisch onderzoek aan het dossier.
5. Processen-verbaal Team Criminele Inlichtingen (TCI)
Verzoek
De rechtbank heeft in haar vonnis verwezen naar processen-verbaal van het TCI en deze zijn niet als bijlagen in het procesdossier opgenomen. Ook in het methodiekendossier wordt veelvuldig naar deze stukken verwezen. De verdediging moet deze TCI-informatie kunnen toetsen en wenst daarvan een afschrift te ontvangen. Het gaat daarbij om de volgende JM-stukken:
Standpunt openbaar ministerie
De TCI-informatie is niet gebruikt als bewijsmiddel, maar als startinformatie voor het strafrechtelijk onderzoek. Ten onrechte is de TCI-informatie niet in het dossier gevoegd. Het openbaar ministerie concludeert tot toewijzing van het verzoek.
Oordeel van het hof
Het openbaar ministerie en de verdediging hebben overeenstemming bereikt over dit verzoek. Het hof gaat ervan uit dat het openbaar ministerie genoemde processen-verbaal van het TCI zal toevoegen aan het dossier. Het hof beslist daarom niet meer op dit verzoek.
6. Processen-verbaal van plaatsing en verwijdering opnameapparatuur in de werkplaats en woning
Verzoek
Het proces-verbaal van 2 september 2023 (JM2440, pagina 10.701) met betrekking tot verwijdering van opnameapparatuur in een bedrijfspand en woning roept vragen op en sluit niet aan op het bevel van 22 april 2022 (JM1171, pagina 7239) tot plaatsing van opnameapparatuur in de werkplaats, niet zijnde een woning. De verdediging vraagt zich af of er afzonderlijke processen-verbaal zijn opgesteld betreffende plaatsing van opnameapparatuur in de werkplaats en de woning en om welke woning het dan gaat. JM2440 is een overzichtsproces-verbaal waarbij de verbalisant volgens zijn eigen ambtsedige verklaring is afgegaan op deelprocessen-verbaal van door hem gecoördineerde plaatsings- en verwijderingshandelingen. Hij zal niet zonder reden hebben genoteerd dat er ook opnameapparatuur in de woning is geplaatst en verwijderd. Deze deelprocessen-verbaal zijn aanwezig in geanonimiseerde vorm en kunnen zonder bezwaar worden overgelegd. De verdediging wenst te kunnen toetsen wat in de werkplaats en woning “tot opsporing is verricht of bevonden”.
Standpunt openbaar ministerie
Ten aanzien van de plaatsing en verwijdering van OVC-apparatuur in de werkplaats bevat het dossier alle aanvragen, machtigingen en bevelen. De samenvatting in het proces-verbaal JM2440 over de plaatsing en verwijdering van de apparatuur in de werkplaats volstaat. Er is geen sprake geweest van het opnemen van vertrouwelijke communicatie in een woning. De opmerking daarover in JM2440 moet een kennelijke verschrijving zijn.
Oordeel van het hof
Nu het proces-verbaal JM2440 op pagina 10.701 van het dossier melding maakt over de verwijdering van opnameapparatuur in de woning, acht het hof het noodzakelijk dat door middel van een aanvullend proces-verbaal nadere informatie wordt verstrekt of er opnameapparatuur in de woning van verdachte is geplaatst en verwijderd.
Het hof zal daartoe opdracht geven aan het openbaar ministerie.
Voeging van eventuele deelprocessen-verbaal aan het dossier acht het hof niet noodzakelijk. In zoverre wijst het hof het verzoek af.
7. Facturen van [persoon 5] van “ [bedrijf 4] ” gereedschapskisten en gereedschap
Verzoek
In het procesdossier en op de zitting bij de rechtbank is veel aandacht besteed aan gereedschapskisten. Zowel de rechtbank als het openbaar ministerie hebben bij facturen van [persoon 5] verwezen naar een globale en samenvattende weergave daarvan in een proces-verbaal. De rechtbank heeft een onjuiste duiding aan deze facturen gegeven en bovendien zijn die facturen van belang voor de waardebepaling van de gereedschapskisten. De twee facturen van 17 juni 2019 en 21 juni 2019 bevinden zich niet in het dossier en zijn onmiskenbaar relevant.
Standpunt openbaar ministerie
Het openbaar ministerie acht het ter beschikking stellen van de facturen van [persoon 5] aan de verdediging niet noodzakelijk en concludeert tot afwijzing van het verzoek.
Oordeel van het hof
In het vonnis heeft de rechtbank in voetnoot 39 verwezen naar een factuur van [persoon 5] . Het bewijsmiddel verwijst niet naar de onderliggende factuur zelf, maar naar een proces-verbaal van bevindingen (JM2360-06, p. 10.296) waarin melding wordt gemaakt van het aantreffen van meerdere facturen van deze [persoon 5] in het digitale beslag van het onderzoeksdossier 26Eufala. Nu de verdediging de onderliggende facturen moet kunnen toetsen acht het hof voeging van de facturen van 17 juni 2019 en 21 juni 2019 aan het dossier noodzakelijk.
Het hof geeft daartoe opdracht aan het openbaar ministerie.
Fotomateriaal doorzoekingen
8. Verstrekken alle foto’s van de doorzoeking van de werkplaats en woning
Verzoek
In het procesdossier zijn enkele foto’s opgenomen van de locaties waar op 13 september 2022 doorzoekingen werden gedaan, zie hiervoor pagina 7874 e.v. van het procesdossier. Op die foto’s staan ook gereedschapskisten afgebeeld. Op pagina 8811 van het dossier is ook een foto opgenomen, waarop uiterlijk (soort)gelijke gereedschapskisten staan afgebeeld die in een andere ruimte lijken te staan. Daarbij wordt een ander aantal gereedschapskisten genoemd dan in het proces-verbaal van de doorzoeking en dat is verwarrend. Daarnaast zijn kennelijk ook foto’s gemaakt van de doorzoeking van de woning van verdachte, nu in ZD-06 foto’s zijn opgenomen van een of meer kluizen in de woning (pagina 10) en het contante geld dat daarin zou zijn aangetroffen. Reeds omdat over de locaties van aantreffen van de gereedschapskisten en de contante gelden veel vragen zijn gesteld en verklaringen zijn afgelegd, is het van belang dat alle gemaakte foto’s bij gelegenheid van de doorzoekingen in de werkplaats(en) en woning van verdachte ter beschikking worden gesteld.
Standpunt openbaar ministerie
Uit de motivering van het verzoek volgt geen concrete reden waarom toevoeging van alle foto’s van belang zou kunnen zijn voor de volledigheid van het onderzoek en enige door het hof te nemen beslissing. Het aantreffen van inbeslaggenomen goederen en/of geld is steeds vastgelegd in ambtshalve processen-verbaal. Niet duidelijk is waarom de verdediging daaraan twijfelt. De toegevoegde waarde van het overleggen van alle foto’s is niet noodzakelijk. Het openbaar ministerie concludeert tot afwijzing van het verzoek.
Oordeel van het hof
Het hof constateert op grond van zaaksdossier ZD-06 (witwassen contant geld), pagina 7 e.v. en pagina 140 e.v., en op grond van het beslagdossier dat bij de doorzoeking van de werkplaats van verdachte foto’s zijn gemaakt en dat er een foto is gemaakt van een kluis (in de woning). Daarbij is het hof niet gebleken dat bij gelegenheid van de doorzoeking van de woning meer foto’s zouden zijn gemaakt dan de foto van de kluis. Toevoeging aan het dossier van meer of andere foto’s van de doorzoeking van de werkplaats acht het hof niet noodzakelijk. Het hof wijst het verzoek af.
Transcripten podcast [krant]
9. Toevoegen transcripten van uitlatingen zaaksofficier van justitie
Verzoek
De zaaksofficier van justitie heeft in aflevering 4 van de podcast van [krant] gemotiveerd uitgelegd dat en waarom er geen bewijs is voor de criminele herkomst van de contante gelden waarover medeverdachte [medeverdachte 1] heeft kunnen beschikken. In aflevering 5 heeft de zaaksofficier verteld dat en waarom het openbaar ministerie in 2023 op eigen initiatief een strafbeschikking, inhoudende een werkstraf en verbeurdverklaring van het geld, heeft aangeboden aan verdachte. Dit zijn voor de in de zaak van verdachte te nemen beslissingen uiterst relevante uitlatingen, die reeds op de zitting in eerste aanleg gedaan hadden moeten worden. In hoger beroep moet dit worden hersteld door de transcripten (opgenomen in bijlage 3 bij brief van 8 september 2026) toe te voegen aan het procesdossier.
Standpunt openbaar ministerie
Het openbaar ministerie acht toevoeging van de transcripten niet van belang voor enige te nemen beslissing en concludeert tot afwijzing van het verzoek.
Oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat de transcripten inmiddels onderdeel uitmaken van het dossier in de zaak van verdachte, nu de verdediging deze als bijlage 3 bij de brief van 8 september 2026 heeft gevoegd. Het hof neemt daarom geen beslissing op dit verzoek.
Audiovisuele registraties (AVR)
10. Kennisneming van alle audiovisuele registraties van de verhoren van verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1]
Verzoek
Er zijn vijfentwintig registraties van de verhoren van medeverdachte [medeverdachte 1] en veertien registraties van de verhoren van verdachte. Deze zijn opgesomd in paragraaf 4.9 van het algemeen relaas van onderzoek Hille, pagina’s 15 en 16. Die registraties zijn de primaire bron voor waarheidsvinding en kunnen gelet op artikel 149a, tweede lid, Sv en de regeling betreffende de processtukken in strafzaken ook als processtukken worden aangemerkt. Kennisneming hiervan is onmiskenbaar van meerwaarde. De stelling van het openbaar ministerie dat er bij het verhoor steeds een advocaat aanwezig was, doet niet ter zake. De verdediging verzoekt om een digitale kopie van deze negenendertig audiovisuele verhoorregistraties op een gegevensdrager. Als het hof van oordeel is dat het hierbij niet gaat om processtukken luidt het subsidiaire verzoek de verdediging inzage te verlenen in deze registraties door haar in het bezit te stellen van kopieën (onder de daaraan te stellen waarborgen), zodat zij deze bestanden op haar kantoor kan afspelen. De verdediging zal zich daarna beraden over welke aanvullende (nieuw) verhoorfragmenten zij nog zou willen inbrengen.
Standpunt openbaar ministerie
Het verzoek maakt niet duidelijk waarom de opgestelde processen-verbaal van verhoor van verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] niet volledig of niet betrouwbaar zijn. Ook is bij de verhoren de toenmalige raadsman steeds aanwezig geweest. Het openbaar ministerie concludeert tot afwijzing van het verzoek. Als de verdediging specifieke verhoren wil beluisteren, dient zij dit nader te motiveren.
Oordeel van het hof
Het hof stelt voorop dat de audiovisuele registraties van de verhoren thans geen processtukken zijn. Een audiovisuele registratie wordt weliswaar als wettig bewijsmiddel erkend, maar daarmee is het nog geen processtuk. Dat is pas het geval als het hof beslist dat een of meerdere audiovisuele registraties aan het dossier moeten worden toegevoegd. Het hof leidt uit rechtspraak van de Hoge Raad af, dat beginselen van een behoorlijke procesorde meebrengen dat aan de verdediging de kennisneming van video-opnamen van een verhoor bij de politie niet mag worden onthouden, hoewel bij getuigenverhoren daarop niet zonder meer aanspraak bestaat. Het hof zal kennisneming van de gevraagde negenendertig audiovisuele registraties van de verhoren van verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] toestaan, in die zin dat de verhoren door het openbaar ministerie beschikbaar worden gesteld aan de verdediging door middel van een technische voorziening in bruikleen. Het hof stelt daarbij als voorwaarde dat kennisneming hiervan alleen is toegestaan door (één van) de raadslieden dan wel aan het kantoor van de raadslieden verbonden collega-advocaten, al dan niet in aanwezigheid van verdachte.
Processen-verbaal ter terechtzitting medeverdachten
11. Verstrekken processen-verbaal medeverdachten
Verzoek
Voor de beoordeling van het onder 1 tenlastegelegde is potentieel relevant wat medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op de zitting bij de rechtbank hebben verklaard dan wel wat namens hen is opgeworpen. De verdediging verzoekt om een afschrift van de processen-verbaal van de zittingen bij de rechtbank in de zaken van medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] inclusief de op die zitting voorgedragen en gevoegde stukken, waaronder het requisitoir, pleitnotities en re- en dupliek. Na kennisneming zal de verdediging beoordelen of zij deze stukken ook zou willen overleggen in haar zaak.
Standpunt openbaar ministerie
Het openbaar ministerie heeft geen bezwaar tegen het verzoek en concludeert tot toewijzing ervan.
Oordeel van het hof
Gelet op de gebleken overeenstemming zal het hof de gevraagde stukken ter kennisneming verstrekken aan de verdediging. Het hof stelt de verdediging in de gelegenheid binnen een termijn van drie maanden na het wijzen van het tussenarrest aan het hof kenbaar te maken of bepaalde stukken ook in de zaak van verdachte gevoegd moeten worden.
Inzage andere onderzoeksdossiers
12. Inzage in andere strafrechtelijke onderzoeken
Verzoek
Het dossier Hille is mede opgebouwd uit onderzoeksfragmenten uit in totaal acht andere strafdossiers, te weten Arville, Bugel, Engill, Kenjar, Griend, 26Ephraim, 26Eufala en Poulton. Daarvoor zou toestemming zijn verleend door de betrokken zaaksofficieren, maar raadpleging van de processtukken leert dat voor slechts vier van de acht onderzoeken blijkt van zodanige toestemming. Zowel het openbaar ministerie als het opsporingsteam heeft inzage gehad in die onderzoeksdossiers. Als de verdediging die toegang wordt ontzegd is geen sprake van ‘equality of arms’. Bovendien heeft de rechtbank in haar vonnis expliciet vooropgesteld dat het onderzoek Hille zijn oorsprong vindt in die acht andere strafrechtelijke (drugs)onderzoeken en heeft informatie daaruit zelfs in strafverzwarende zin meegewogen. De verdediging wenst inzage in deze dossiers om te kunnen verifiëren of zich daarin relevante informatie bevindt die potentieel ontlastend is of redelijkerwijs van belang kan zijn voor de in de zaak van verdachte te nemen beslissingen.
Standpunt openbaar ministerie
De verdediging heeft de toegevoegde waarde van inzage onvoldoende onderbouwd. Het openbaar ministerie acht dit niet noodzakelijk en concludeert tot afwijzing van het verzoek.
Oordeel van het hof
Tijdens het opsporingsonderzoek is het openbaar ministerie verantwoordelijk voor het samenstellen van het strafdossier. Het beginsel van ‘equality of arms’ houdt niet in dat de verdediging dezelfde bevoegdheden moet krijgen als het openbaar ministerie. Ook behelst het geen onbeperkt recht voor de verdediging op kennisname van stukken. Het hof constateert dat de onderzoeksfragmenten uit de andere genoemde onderzoeken weliswaar inzicht geven in de aanleiding van het onderzoek, maar het hof heeft geen aanleiding om te veronderstellen dat zich in die onderzoeksdossiers – behalve de verhoren van verdachte in het dossier Arville die reeds bij de stukken zijn gevoegd – stukken zijn opgenomen die in de zaak van verdachte voor enige te nemen beslissing van belang kunnen zijn. Het hof acht het verlenen van inzage niet noodzakelijk en wijst het verzoek af.
Tap- en OVC-gesprekken
13. Kennisneming van alle tap- en OVC-gesprekken
Verzoek
Teneinde potentieel ontlastende informatie te kunnen laten toevoegen aan het procesdossier en ter controle van opsporingsresultaten, verzoekt de verdediging om kennisneming van alle tap- en OVC-gesprekken waarvan een schriftelijke weergave of samenvatting in het dossier is opgenomen. Daarnaast wordt in JM1367 verwezen naar achttien verschillende tapgesprekken (map 22, p. 7706) uit kennelijk het onderzoek Engill en die gebruikt worden in het onderzoek Hille. Onduidelijk is welke tapgesprekken dit zijn. Omdat hiernaar wordt verwezen, wenst de verdediging ook daar een afschrift van. Verder heeft de verdediging navraag gedaan bij de vorige raadsman naar de opname van een OVC-gesprek in de werkplaats van verdachte, waar in eerste aanleg discussie over is geweest en waarbij de rechtbank het standpunt van de verdediging daarover niet heeft willen aannemen. Dat illustreert het belang van de verdediging om ook van die opname in hoger beroep kennis te willen nemen.
Standpunt openbaar ministerie
In eerste aanleg is de verdediging de mogelijkheid geboden bepaalde gesprekken te beluisteren, waarvan beperkt gebruik is gemaakt door de vorige raadsman. Het openbaar ministerie acht het verzoek onvoldoende onderbouwd. Als de verdediging alsnog een concreet en gemotiveerd verzoek doet, dan verzet het openbaar ministerie zich in beginsel niet.
Oordeel van het hof
In lijn met het eerdere oordeel over kennisneming van de audiovisuele registraties van de verhoren acht het hof het noodzakelijk dat de verdediging de schriftelijke weergave of samenvatting van de tap- en OVC-gesprekken moet kunnen controleren. Het hof wijst het verzoek toe, in die zin dat het hof kennisneming alleen toestaat ten aanzien van de tap- en OVC-gesprekken waarvan een schriftelijke weergave of samenvatting is opgenomen in zaaksdossiers ZD-01, ZD-02 en ZD-06 met betrekking tot verdachte. Dat geldt ook voor kennisneming van de achttien tapgesprekken uit het onderzoek Engill, waarnaar wordt verwezen op pagina 7706 van het dossier. Deze tapgesprekken hebben mogelijk betrekking op personen die ook betrokken waren bij afspraken rondom sponsoring in de zaaksdossiers van verdachte.
Het hof geeft daartoe opdracht aan het openbaar ministerie door het verstrekken van een technische voorziening in bruikleen, waarbij het hof ook hier als voorwaarde stelt dat kennisneming van deze tap- en OVC-gesprekken alleen is toegestaan door (een van) de raadslieden dan wel aan het kantoor van de raadslieden verbonden collega-advocaten, al dan niet in aanwezigheid van verdachte.
Horen van getuigen
14. De heer [getuige 1]
15. De heer [getuige 2]
Verzoek
De heer [getuige 1] geeft leiding aan het [team] en werd in de jaren 2017 tot en met 2022 en ook daarvoor door [winkel] gesponsord. [getuige 1] kan ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde uitleg geven over de opbouw, hoogte en samenstelling van het jaarlijkse budget van een motorcrossteam, over de sponsoring van motorcross in het algemeen en door [winkel] in het bijzonder alsmede over de wijze waarop sponsorafspraken werden gemaakt en de facturering plaatsvond.
De heer [getuige 2] heeft tot in 2022 direct samengewerkt met verdachte op het terrein van de sponsoring en gaf uitvoering aan de sponsorcontracten dan wel aan de gemaakte afspraken. Hij kan wat betreft het onder 1 en 2 tenlastegelegde uitleg geven over de filosofie en werkwijze bij [winkel] en verdachte in relatie tot de sponsoring van motorsport en kan deze ook in de context plaatsen.
Als de sponsorfacturen van [medeverdachte 2] en [naam] inderdaad geplaatst kunnen worden in de normale motorcross- en sponsorpraktijk, biedt dit steun aan het verweer dat verdachte niet wist of kon vermoeden dat de sponsorfacturen deels betrekking hadden op andere uitgaven. De verdediging wil met het horen van [getuige 1] en [getuige 2] kunnen aantonen dat verdachte van de juistheid van deze facturen uit kon gaan.
Standpunt openbaar ministerie
Hoe de context in de sponsoring van motorsport moet bijdragen aan een andere lezing van het tenlastegelegde, kan uit de toelichting niet worden opgemaakt. Niet helder is waarom het horen van deze personen relevant is voor beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv. Deze getuigen kunnen ook niet verklaren over de herkomst van de contante gelden die bij verdachte zijn aangetroffen. Het openbaar ministerie concludeert tot afwijzing van het verzoek.
Oordeel van het hof
Het hof wijst het verzoek tot het horen van [getuige 1] en [getuige 2] als getuige toe en verwijst de zaak daartoe naar het kabinet raadsheer-commissaris bij het hof.
16. De heer [getuige 3]
Verzoek
In verband met een reële dreiging heeft verdachte in 2012 expliciet het advies gekregen van de heer [getuige 3] een substantiële hoeveelheid contant geld in huis te houden ingeval van een mogelijke overval. Zo bleek verdachte een beoogd doelwit van de zogeheten Quote 500-bende, die uiteindelijk ook in de tuin van verdachte is opgepakt. Verdachte wilde met het aanhouden van een contant geldbedrag nu juist veiligheidsrisico’s beperken. Om de verklaring van verdachte te onderbouwen is het noodzakelijk de heer [getuige 3] , die belast is met de beveiliging van de woning van verdachte, als getuige te horen. Hiermee wil de verdediging inzichtelijk maken dat het aanhouden van een groot contant geldbedrag in het specifieke geval van verdachte niet ongebruikelijk is en derhalve niet kan bijdragen aan een vermoeden van witwassen.
Standpunt openbaar ministerie
Niet helder is waarom het horen van deze persoon relevant is voor beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv. Deze getuige kan niet verklaren over de herkomst van de contante gelden die bij verdachte zijn aangetroffen. Het openbaar ministerie concludeert tot afwijzing van het verzoek.
Oordeel van het hof
Het hof wijst het verzoek tot het horen van [getuige 3] als getuige toe en verwijst de zaak daartoe naar het kabinet raadsheer-commissaris bij het hof.
17. De heer [getuige 4]
Verzoek
De heer [getuige 4] heeft wat betreft het onder 3 tenlastegelegde schriftelijk en later bij de rechter-commissaris verklaard over verschillende spullen die hij tussen 2017 en 2021 van verdachte contant heeft gekocht. Naar aanleiding van het vonnis van de rechtbank heeft [getuige 4] op eigen initiatief contact gezocht met de verdediging en daarbij kort gezegd zijn eerdere verklaringen nader onderbouwd en toegelicht, onder andere door de aankopen die hij bij verdachte heeft gedaan en nog in zijn bezit heeft, uit te pakken en te fotograferen. [getuige 4] kan nu een precies overzicht geven van de aankopen die hij bij verdachte heeft gedaan en daarbij toelichten dat en waarom de onderzoeksbevindingen van de FIOD na zijn bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring onjuist zijn. Met de verklaring van [getuige 4] kan de verdediging aantonen dat het contante geldbedrag dat is aangetroffen bij verdachte een legale herkomst heeft.
Standpunt openbaar ministerie
De verdediging heeft de nieuwe informatie van [getuige 4] niet op voorhand verstrekt, zodat het openbaar ministerie en het hof niet in de gelegenheid zijn gesteld de noodzaak van het opnieuw horen te toetsen. Hetgeen naar voren wordt gebracht, is volstrekt onvoldoende om [getuige 4] opnieuw te horen. Het openbaar ministerie concludeert tot afwijzing van het verzoek.
Oordeel van het hof
Deze getuige is eerder door een rechter gehoord en bij de beoordeling van het verzoek geldt het noodzaakcriterium. Het hof acht de onderbouwing van het verzoek op dit moment onvoldoende gedetailleerd voor een zinvol nieuw verhoor van deze getuige. Nu de zaak voor het horen van andere getuigen naar de raadsheer-commissaris zal worden verwezen zal het hof de verdediging in de gelegenheid stellen door overlegging van nieuwe bescheiden en foto’s meer gedetailleerd te onderbouwen op welke onderdelen de eerdere verklaring van deze getuige onjuist of onvolledig is. Naar aanleiding van de nadere onderbouwing zal de raadsheer-commissaris alsnog een beslissing nemen op dit verzoek.
Het hof stelt de verdediging in de gelegenheid binnen een termijn van twee weken na het wijzen van dit tussenarrest deze bescheiden en foto’s aan te leveren aan het kabinet raadsheer-commissaris bij het hof.
Schouw (artikel 318 Sv)
18. Schouw van de werkplaats
Verzoek
Het is noodzakelijk dat het hof de werkplaats van verdachte bezoekt om een juist beeld te kunnen krijgen van de situatie. De beschrijvingen en het beperkt aantal foto’s in het dossier geven onvoldoende beeld. Een bezoek aan de werkplaats zal tot het inzicht leiden dat dit door de ligging, zichtbaarheid, toegankelijkheid en beveiliging geen plaats is of kan zijn waar heimelijk met iemand wordt afgesproken. Ook zal een schouw kunnen bijdragen aan het oordeel dat de plaatsen waar contante gelden werden bewaard, niet zo ongebruikelijk zijn als in het dossier wordt gesteld. Daarnaast zal het aanschouwen van de uitzonderlijke omvang en waarde van de collecties auto’s en motoren van verdachte en het unieke en professionele karakter van zijn werkplaats ertoe bijdragen de contante geldbedragen in het juiste perspectief te plaatsen. Tot slot zal een bezoek aan de werkplaats een beter beeld geven van het werk en leven van verdachte, zijn verklaringen en handelingen in de juiste context plaatsen en inzichtelijk maken dat er in dat werk en leven geen ruimte is voor criminele activiteiten.
Standpunt openbaar ministerie
Als de werkplaats er heel anders uitziet dan wordt gesuggereerd in het dossier, had het op de weg van de verdediging gelegen dit met foto’s of andere informatie te ondersteunen. De enkele stelling dat de bewaarplaatsen van het aangetroffen contante geld zeer goed beveiligd, moeilijk toegankelijk en moeilijk traceerbaar zouden zijn, neemt het openbaar ministerie aan, maar dit zegt helemaal niets over de herkomst van dat geld. Ook de toegankelijkheid van het pand zelf is niet relevant voor de strafzaak. Het openbaar ministerie concludeert tot afwijzing van het verzoek.
Oordeel van het hof
Het hof acht zich op basis van het dossier voldoende voorgelicht over de inrichting van de werkplaats en de plaatsen waar de contante gelden zijn aangetroffen. Daarnaast kan verdachte tijdens de inhoudelijke behandeling zijn persoonlijke omstandigheden, waaronder zijn werk, hobby’s, unieke collecties en verzamelingen, nader toelichten. Een schouw van de werkplaats acht het hof niet noodzakelijk. Het hof wijst het verzoek af.
Afzonderlijke behandeling
19. Niet gelijktijdig met medeverdachten
Verzoek
Verdachte hecht eraan dat de zittingsrechter in zijn zaak zich volledig kan concentreren op de kwesties die daar aan de orde zijn en op hetgeen verdachte daar zelf over te zeggen heeft, zonder “ruis” op de achtergrond en/of afleiding van de aandacht naar feitencomplexen die met de zaak van verdachte niets van doen hebben. De verdediging verzoekt de inhoudelijke behandeling van de zaak te doen plaatsvinden op afzonderlijke zittingsdagen en niet gelijktijdig met de zaken van medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] .
Standpunt openbaar ministerie
Een afzonderlijke inhoudelijke behandeling van de strafzaken van verdachten is niet wenselijk gezien de sterke vervlechting van de zaken. Het openbaar ministerie concludeert tot afwijzing van het verzoek.
Oordeel van het hof
Het hof neemt op dit verzoek nog geen beslissing. Het hof zal de zaken niet gevoegd behandelen. Of de zaken gelijktijdig of afzonderlijk in dezelfde periode behandeld zullen worden, zal het hof beoordelen in aanloop naar de inhoudelijke behandeling.
Ambtshalve beslissingen
20. Bankafschriften van betalingen facturen [persoon 5]
Het hof acht het noodzakelijk dat de bankafschriften van [bedrijf 5] van betalingen van de facturen van [persoon 5] op 19 juni 2019 en 22 juni 2019 betreffende gereedschapskisten en gereedschap (factuurnummers O170619828 en O210619851; zie pagina 10.296) aan het dossier worden toegevoegd en geeft daartoe opdracht aan het openbaar ministerie.
21. Horen medeverdachte [medeverdachte 1] als getuige
Het hof beslist dat het voor de volledigheid van het onderzoek noodzakelijk is dat medeverdachte [medeverdachte 1] als getuige zal worden gehoord over het in de zaak van verdachte tenlastegelegde onder 1 tot en met 3. Het hof verwijst de zaak daartoe naar het kabinet raadsheer-commissaris bij het hof, waarbij het hof opmerkt dat ook voor dit verhoor de verdediging en het openbaar ministerie een oproep zullen ontvangen.
22. Met de belastingdienst gemaakte afspraken
Het hof maakt uit het dossier op dat verdachte met de belastingdienst afspraken heeft gemaakt over de scheiding van zijn handelsactiviteiten in zakelijke en privé transacties. Het hof wenst daarvan kennis te kunnen nemen onder andere teneinde hetgeen naar voren is gebracht over de aangetroffen contanten beter te kunnen beoordelen.
Het hof draagt het openbaar ministerie op bij de belastingdienst navraag te doen naar het hebben bestaan en de inhoud van dergelijke afspraken en de bij hen aanwezige informatie ter zake vervolgens aan het dossier toe te voegen.
BESLISSING
Het hof:
Wijst toe de verzoeken onder 1, 6, 7, 10, 11, 13, 14, 15 en 16 met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen. De door het openbaar ministerie in acht te nemen termijn voor het opstellen van een inhoudsopgave en het toevoegen van stukken bedraagt drie maanden.
Verwijst het verzoek onder 17 naar de raadsheer-commissaris om op basis van de door de verdediging aan te leveren informatie een beslissing te nemen.
Neemt (vanwege de gebleken overeenstemming) geen beslissing op de verzoeken onder 5, 9 en 19 met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.
Neemt ambtshalve de beslissingen zoals vermeld onder 20, 21 en 22.
Geeft opdracht aan het openbaar ministerie om in de zaak van verdachte een totaalindex op te stellen waarin wordt opgenomen welke oorspronkelijke en aanvullende stukken zijn opgesteld en verstrekt (onder 1).
Geeft opdracht aan het openbaar ministerie om alle JM-stukken waarnaar wordt verwezen in de zaaksdossiers ZD-01 niet ambtelijke omkoping (JM2369), ZD-02 valsheid in geschrift (JM2370) en ZD-06 witwassen contant geld (JM2449) alsmede alle verwijzingen naar JM-stukken in de verhoren van verdachten [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in afschrift aan de verdediging en het hof te verstrekken (onder 3). De daarbij door het openbaar ministerie in acht te nemen termijn bedraagt drie maanden.
Stelt ten aanzien van de verzoeken onder 2 en 3 de verdediging in de gelegenheid binnen een termijn van drie maanden na het wijzen van dit tussenarrest, derhalve uiterlijk 14 januari 2027, per in bijlage 1 en 2 bij de brief van 8 september 2026 opgesomd stuk schriftelijk en onderbouwd opgave te doen aan het hof dat en waarom het desbetreffende stuk van belang is in de zaak van verdachte en om die reden aan het dossier moet worden toegevoegd.
Geeft opdracht aan het openbaar ministerie om de uitslag van dactyloscopisch onderzoek op aangetroffen coupures aan het dossier toe te voegen (onder 4).
Verstaat dat het openbaar ministerie zorg zal dragen voor toevoeging van de processen-verbaal van het TCI aan het dossier (onder 5).
Geeft opdracht aan het openbaar ministerie tot het laten opstellen van een aanvullend proces-verbaal over de eventuele plaatsing en verwijdering van opnameapparatuur in de woning van verdachte (onder 6).
Geeft opdracht aan het openbaar ministerie de facturen van [persoon 5] aan [bedrijf 5] van 17 juni 2019 en 21 juni 2019 aan het dossier toe te voegen (onder 7). De daarbij door het openbaar ministerie in acht te nemen termijn bedraagt drie maanden.
Geeft opdracht aan het openbaar ministerie de verdediging kennis te laten nemen van de audiovisuele registraties van de verhoren van verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] door middel van een technische voorziening in bruikleen, waarbij kennisneming alleen is toegestaan door (een van) de raadslieden dan wel aan het kantoor van de raadslieden verbonden collega-advocaten, al dan niet in aanwezigheid van verdachte (onder 10). De daarbij door het openbaar ministerie in acht te nemen termijn bedraagt drie maanden.
Beslist dat de processen-verbaal van de zittingen bij de rechtbank in de zaken van medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] (parketnummers 21-003602-25 en 21-003525-25) inclusief requisitoir, pleidooi, re- en dupliek door het hof ter kennisneming aan de verdediging zullen worden verstrekt (onder 11). Stelt de verdediging in de gelegenheid binnen een termijn van drie maanden na het wijzen van dit tussenarrest, derhalve uiterlijk 14 januari 2027, aan het hof op te geven of bepaalde stukken daarvan ook in de zaak van verdachte gevoegd moeten worden.
Geeft opdracht aan het openbaar ministerie de verdediging kennis te laten nemen van de tap- en OVC-gesprekken waarvan een schriftelijke weergave of samenvatting is opgenomen in de zaaksdossiers 1, 2 en 6 met betrekking tot verdachte door middel van een technische voorziening in bruikleen, waarbij kennisneming alleen is toegestaan door (een van) de raadslieden dan wel aan het kantoor van de raadslieden verbonden collega-advocaten, al dan niet in aanwezigheid van verdachte (onder 13). De daarbij door het openbaar ministerie in acht te nemen termijn bedraagt drie maanden.
Draagt de stukken over aan de raadsheer-commissaris om als getuigen te horen:
Bepaalt dat de verdediging binnen twee weken na het wijzen van dit tussenarrest, derhalve uiterlijk 28 oktober 2026, ontbrekende persoons- (geboortedata) en adresgegevens van voornoemde getuigen dient op te geven aan het kabinet raadsheer-commissaris bij het hof.
Verzoekt het openbaar ministerie en de verdediging binnen deze termijn van twee weken eveneens aan het kabinet kenbaar te maken of bezwaar bestaat tegen het horen van getuigen door een (gedelegeerd) raadsheer-commissaris (onder 14, 15 en 16 en mogelijk 17).
Bepaalt dat de verdediging binnen een termijn van twee weken na het wijzen van dit tussenarrest, derhalve uiterlijk 28 oktober 2026, genoemde bescheiden en foto’s dient aan te leveren aan het kabinet raadsheer-commissaris bij het hof (onder 17).
Ambtshalve beslissingen
Geeft opdracht aan het openbaar ministerie om de bankafschriften van [bedrijf 5] van betalingen op 19 juni 2019 en 22 juni 2019 van genoemde facturen van [persoon 5] aan het dossier toe te voegen (onder 20). De daarbij door het openbaar ministerie in acht te nemen termijn bedraagt drie maanden.
Bepaalt dat de raadsheer-commissaris ook als getuige zal horen medeverdachte [medeverdachte 1] , geboren op [geboortedag 2] 1964 te [geboorteplaats 2] , wonende te [adres 2] .
Geeft opdracht aan het openbaar ministerie bij de belastingdienst navraag te doen naar het (hebben) bestaan en de inhoud van afspraken over de scheiding van de handelsactiviteiten van verdachte in zakelijke en privé transacties en de ontvangen informatie toe te voegen aan het dossier (onder 22).
Wijst af het (meer of anders) verzochte onder 2, 3, 4, 6, 8, 12 en 18.
Bepaalt dat het onderzoek zal worden hervat tegen een nog nader te bepalen terechtzitting.
Beveelt de oproeping van de verdachte tegen het nog nader te bepalen tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadslieden.
Dit tussenarrest is gewezen door mr. G. Dam, voorzitter, mr. J.H.W.R. Orriëns-Schipper en mr. P.L.M. van Gorkom, raadsheren, in aanwezigheid van de griffier mr. Y.A. Hoekstra en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 14 oktober 2026.
Mrs. J.H.W.R. Orriëns-Schipper en P.L.M. van Gorkom zijn buiten staat dit tussenarrest mede te ondertekenen.
Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 14 oktober 2026.
Tegenwoordig:
mr. G. Dam, voorzitter,
mr. W.B. Gaasbeek, advocaat-generaal,
mr. L. Dijkman, griffier.
De voorzitter doet de zaak uitroepen.
De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.
De voorzitter spreekt het tussenarrest uit.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.