[verdachte] ,
geboren op [geboortedag 1] 1967 in [geboorteplaats 1] ,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de zitting van het hof van 22 september 2026 en het onderzoek op de zittingen bij de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de appelschriftuur van de verdediging van 28 augustus 2025 en de reactie daarop van het openbaar ministerie van 8 juli 2026. Daarnaast heeft het hof kennisgenomen van de schriftelijke onderzoekswensen van de verdediging van 11 september 2026 en de reacties van het openbaar ministerie daarop van 18 september 2026. Voorts heeft mr. J.W. Bosman bij brief van 18 september 2026 meegedeeld een eerder opgegeven onderzoekswens in te trekken.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat er namens verdachte door zijn raadslieden,
mr. J.W. Bosman en mr. J.H. Peek, en van wat er door de advocaten-generaal op de zitting van 22 september 2026 naar voren is gebracht.
Onderzoekswensen verdediging
Op de zitting van 22 september 2026 heeft de verdediging – conform de eerder bij schrijven van 28 augustus 2025, 11 september 2026 en 18 september 2026 kenbaar gemaakte onderzoekswensen – de hierna vermelde verzoeken gedaan.
Onderzoekswensen
1. Verstrekken processen-verbaal medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]
Verzoek
De uitlatingen van medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op de zitting bij de rechtbank zijn relevant voor de bewijsvraag van het tenlastegelegde in de zaak van verdachte. De verdediging verzoekt de processen-verbaal van de zittingen van medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in eerste aanleg toe te voegen aan de processtukken.
Standpunt openbaar ministerie
Bij schrijven van 8 juli 2026 heeft het openbaar ministerie meegedeeld geen bezwaar te hebben tegen dit verzoek.
Oordeel van het hof
Gelet op de gebleken overeenstemming zal het hof de gevraagde stukken voegen in de zaak van verdachte en verstrekken aan de verdediging.
2. Toevoegen persoonsdossier medeverdachte [medeverdachte 2] (mappen 3 en 4) aan de processtukken
Verzoek
De verdediging wil zelfstandig de uitlatingen van medeverdachte [medeverdachte 2] beoordelen en na kunnen gaan of [medeverdachte 2] ontlastende informatie heeft gegeven in zijn verklaringen (ook in andere zaaksdossiers) die niet in het dossier van verdachte zijn gevoegd. Kennisneming van zijn verklaringen is in het belang van de verdediging en noodzakelijk.
Standpunt openbaar ministerie
Het openbaar ministerie acht onvoldoende onderbouwd wat het resultaat van de onderzoekswens zou kunnen bijdragen aan beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv en concludeert tot afwijzing van het verzoek.
Oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat voldoende concrete aanwijzingen ontbreken dat medeverdachte [medeverdachte 2] in andere verklaringen voor de zaak van verdachte relevante uitlatingen zou hebben gedaan. Het hof acht het verstrekken van de gevraagde persoonsdossiers met daarin alle verklaringen van [medeverdachte 2] niet noodzakelijk en wijst het verzoek af.
3. Uitzien audiovisuele registraties van twee verhoren [medeverdachte 2]
Verzoek
In de verhoren van medeverdachte [medeverdachte 2] van 15 september 2022 te 11.15 uur (VRH-2022-09-596432) en 31 oktober 2022 te 10.25 uur (VRH-2022-10-601571) heeft [medeverdachte 2] verklaard over de sponsordeal en de handgeschreven notitie. De verdediging wenst de juistheid van de processen-verbaal van verhoor te kunnen toetsen en na te kunnen gaan of [medeverdachte 2] niet meer of andere informatie heeft verstrekt. De verdediging verzoekt deze verhoren te mogen uitkijken.
Standpunt openbaar ministerie
De verdediging heeft onvoldoende gesteld en onderbouwd dat en waarom aan de inhoud van de processen-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 2] getwijfeld zou moeten worden. Daarnaast heeft het openbaar ministerie zich niet verzet tegen de eerder gedane onderzoekswens om medeverdachte [medeverdachte 2] als getuige te horen. De verdediging kan tijdens dat verhoor haar punten aan de orde stellen. Het openbaar ministerie concludeert tot afwijzing van het verzoek.
Oordeel van het hof
Het hof staat kennisneming van de genoemde audiovisuele registraties van de verhoren van medeverdachte [medeverdachte 2] toe, in die zin dat de opnames van de verhoren door het openbaar ministerie beschikbaar worden gesteld aan de verdediging door middel van een technische voorziening in bruikleen. Het hof stelt daarbij als voorwaarde dat kennisneming hiervan alleen is toegestaan door (een van) de raadslieden dan wel aan het kantoor van de raadslieden verbonden collega-advocaten, al dan niet in aanwezigheid van verdachte. Ter voorkoming van misverstanden merkt het hof op dat de verdediging alleen recht op kennisneming heeft van de verhoren van [medeverdachte 2] die in het dossier van verdachte zijn gevoegd en geen recht heeft op kennisneming van de verhoren van [medeverdachte 2] in andere zaken.
4. Verzoek tot (af)splitsing
Verzoek
Het is te voorzien dat de behandeling van de zaken van medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] veel langer zal (kunnen) duren dan nodig is voor behandeling van de zaak van verdachte. Gelijktijdige berechting is ook niet nodig in het belang van het onderzoek. De zaken van medeverdachten zijn aanzienlijk omvangrijker en complexer en ook de bewezenverklaringen en opgelegde straffen verschillen aanzienlijk.
Standpunt openbaar ministerie
De zaak van verdachte is sterk vervlochten met de zaken van medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Het openbaar ministerie ziet daarom geen enkel belang of noodzaak om de zaak van verdachte af te splitsen en concludeert tot afwijzing van het verzoek.
Oordeel van het hof
Het hof neemt op dit verzoek nog geen beslissing. Het hof zal de zaken niet gevoegd behandelen. Of de zaken gelijktijdig of afzonderlijk in dezelfde periode behandeld zullen worden, zal het hof beoordelen in aanloop naar de inhoudelijke behandeling.
5. Verzoek tot voeging van bij schrijven van 11 september 2026 overgelegde stukken
Verzoek
Mr. Peek heeft per e-mail van 11 september 2026 enkele stukken in het geding gebracht ter voeging in het dossier, te weten kort gezegd een schriftelijke verklaring van 17 juli 2026 van de heer [naam] met als bijlage een conceptovereenkomst (tussen [bedrijf 1] en [bedrijf 2] ) van 20 april 2018, een brief van mr. Peek van 28 juli 2026 aan de advocaten-generaal en de reactie van het openbaar ministerie van 3 september 2026.
Standpunt openbaar ministerie
Het openbaar ministerie verzet zich niet tegen voeging van deze stukken aan het dossier.
Oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat genoemde stukken inmiddels onderdeel uitmaken van het dossier in de zaak van verdachte, nu de verdediging deze heeft overgelegd bij schrijven van 11 september 2026. Het hof neemt daarom geen beslissing op dit verzoek.
Ambtshalve beslissingen
6. Totaalindex procesdossier Hille
Het hof constateert dat de onderzoeksresultaten in het procesdossier Hille moeizaam toegankelijk zijn. Het hof acht het noodzakelijk dat in de zaken van verdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [verdachte] per verdachte een totaalindex wordt opgesteld waarin wordt opgenomen welke oorspronkelijke en aanvullende stukken zijn opgesteld en verstrekt. Het hof geeft daartoe opdracht aan het openbaar ministerie.
7. Facturen van [persoon] en bankafschriften
Het hof acht het ook in de zaak van verdachte noodzakelijk dat de facturen van [persoon] aan [bedrijf 2] van 17 juni 2019 en 21 juni 2019 (factuurnummers O170619828 en O210619851) en de bankafschriften van de daaropvolgende betalingen door [bedrijf 2] van respectievelijk 19 juni 2019 en 22 juni 2019 aan het dossier worden toegevoegd en geeft daartoe opdracht aan het openbaar ministerie.
8. Horen van de heer [getuige 1] , en
9. Horen van de heer [getuige 2]
Het hof heeft in de zaak van medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] beslist dat [getuige 1] en [getuige 2] bij de raadsheer-commissaris als getuige zullen worden gehoord over kort gezegd de sponsoring van motorcross in het algemeen en door [winkel] in het bijzonder. Vanwege de nauwe verwevenheid van de zaken beslist het hof ambtshalve dat deze getuigen ook zullen worden gehoord in de zaak van verdachte. Het hof verwijst de zaak daartoe naar het kabinet raadsheer-commissaris van het hof.
10. Horen van medeverdachte [medeverdachte 2]
De verdediging heeft bij schrijven van 18 september 2026 het eerder gedane verzoek tot het horen van medeverdachte [medeverdachte 2] ingetrokken. De verdediging heeft op de zitting toegelicht dat dit een kwestie betreft van voortschrijdend inzicht en dat het horen van [medeverdachte 2] niet noodzakelijk is en bovendien bijdraagt aan een snellere afdoening van de zaak van verdachte. Niettemin blijft het standpunt van de verdediging onveranderd dat de (’belastende’) verklaringen van [medeverdachte 2] onjuist en onbetrouwbaar zijn.
Het hof constateert dat de rechtbank in haar vonnis verklaringen van [medeverdachte 2] voor het bewijs heeft gebruikt. Gelet op het standpunt van de verdediging en de verwevenheid van de zaken beslist het hof in de zaak van verdachte ambtshalve dat medeverdachte [medeverdachte 2] als getuige door de raadsheer-commissaris zal worden gehoord. Het verhoor zal bij voorkeur plaats vinden nadat de onder punt 7 genoemde facturen en bankafschriften aan het dossier zijn toegevoegd.
BESLISSING
Het hof:
Wijst toe de verzoeken onder 1 en 3 met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.
Neemt geen beslissing op de verzoeken onder 4 en 5.
Neemt ambtshalve de beslissingen zoals vermeld onder 6 tot en met 10.
Beslist dat de processen-verbaal van de zittingen bij de rechtbank in de zaken van medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] (parketnummers 21-003541-25 en 21-003602-25) inclusief requisitoir, pleidooi, re- en dupliek aan het dossier van verdachte worden gevoegd en door het hof aan de verdediging worden verstrekt (onder 1).
Geeft opdracht aan het openbaar ministerie de verdediging kennis te laten nemen van de audiovisuele registraties van de hiervoor genoemde verhoren van medeverdachte [medeverdachte 2] door middel van een technische voorziening in bruikleen, waarbij kennisneming alleen is toegestaan door (een van de) raadslieden dan wel aan het kantoor van de raadslieden verbonden collega-advocaten, al dan niet in aanwezigheid van verdachte (onder 3). De daarbij door het openbaar ministerie in acht te nemen termijn bedraagt drie maanden.
Ambtshalve beslissingen
Geeft opdracht aan het openbaar ministerie om in de zaak van verdachte een totaalindex op te stellen waarin wordt opgenomen welke oorspronkelijke en aanvullende stukken zijn opgesteld en verstrekt (onder 6). De daarbij door het openbaar ministerie in acht te nemen termijn bedraagt drie maanden.
Geeft opdracht aan het openbaar ministerie de facturen van [persoon] aan [bedrijf 2] van 17 juni 2019 en 21 juni 2019 en de bankafschriften van de daaropvolgende betalingen door [bedrijf 2] van respectievelijk 19 juni 2019 en 22 juni 2019 aan het dossier toe te voegen (onder 7). De daarbij door het openbaar ministerie in acht te nemen termijn bedraagt drie maanden.
Draagt de stukken over aan de raadsheer-commissaris om (na verstrekking van ontbrekende persoons- (geboortedata) en adresgegevens door de verdediging in de zaak van medeverdachte [medeverdachte 1] binnen twee weken na het wijzen van dit tussenarrest) als getuigen te horen:
Bepaalt dat de raadsheer-commissaris ook als getuige zal horen medeverdachte [medeverdachte 2] , geboren op [geboortedag 2] 1964 te [geboorteplaats 2] , wonende te [adres 2] .
Verzoekt het openbaar ministerie en de verdediging binnen een termijn van twee weken na het wijzen van dit tussenarrest aan het kabinet kenbaar te maken of bezwaar bestaat tegen het horen van getuigen door een (gedelegeerd) raadsheer-commissaris.
Wijst af het verzoek onder 2.
Bepaalt dat het onderzoek zal worden hervat tegen een nog nader te bepalen terechtzitting.
Beveelt de oproeping van de verdachte tegen het nog nader te bepalen tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadslieden.
Dit tussenarrest is gewezen door mr. G. Dam, voorzitter, mr. J.H.W.R. Orriëns-Schipper en mr. P.L.M. van Gorkom, raadsheren, in aanwezigheid van de griffier mr. Y.A. Hoekstra en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 14 oktober 2026.
Mrs. J.H.W.R. Orriëns-Schipper en P.L.M. van Gorkom zijn buiten staat dit tussenarrest mede te ondertekenen.
Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 14 oktober 2026.
Tegenwoordig:
mr. G. Dam, voorzitter,
mr. W.B. Gaasbeek, advocaat-generaal,
mr. L. Dijkman, griffier.
De voorzitter doet de zaak uitroepen.
De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.
De voorzitter spreekt het tussenarrest uit.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.