Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-003830-25
Uitspraakdatum: 16 oktober 2026
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht , van 17 maart 2023 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 16-013184-21 en 16-033814-22, tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1983 in [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ),
wonende te [adres] .
Procesverloop
De meervoudige kamer van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht , heeft verdachte bij vonnis van 17 maart 2023 vrijgesproken van het in de zaak met parketnummer 16-033814-22 onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde. Het in de zaak met parketnummer 16-013184-21 onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde en het in de zaak met parketnummer 16-033814-22 onder 1 tenlastegelegde is bewezen verklaard. Verdachte is voor de bewezenverklaarde feiten tot een gevangenisstraf voor de duur van 54 maanden veroordeeld. Verder heeft de rechtbank verschillende inbeslaggenomen goederen aan het verkeer onttrokken en een aantal voorwerpen verbeurd verklaard. Ook is ten aanzien van een aantal goederen de teruggave aan verdachte gelast.
De verdachte heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.
Het hof heeft bij arrest van 26 maart 2024 (parketnummer: 21-001471-23) verdachte niet-ontvankelijk verklaard voor zover het hoger beroep was gericht tegen de beslissing tot vrijspraak van het in de zaak met parketnummer 16-033814-22 onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde. Voor het overige heeft het hof het vonnis van de rechtbank met verbetering en aanvulling van gronden bevestigd.
De verdachte heeft tegen dit arrest beroep in cassatie ingesteld.
De Hoge Raad heeft bij arrest van 9 september 2025 (nummer: 24/01192) het bestreden arrest vernietigd, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het in de zaak met parketnummer 16-013184-21 tenlastegelegde en de strafoplegging. De zaak is teruggewezen, zodat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw kon worden berecht en afgedaan.
Op basis van het voorgaande komt het hof tot de conclusie dat alleen de feiten onder het parketnummer 16-013184-21 opnieuw ter beoordeling aan het hof voorliggen. De beslissing tot niet-ontvankelijkheid met betrekking tot het in de zaak met parketnummer 16-033814-22 onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde, de bewezenverklaring van het in deze zaak onder 1 tenlastegelegde en het oordeel met betrekking tot de strafbaarheid van het feit zijn in stand gebleven. Het onder 1 bewezenverklaarde komt in dit arrest enkel nog in het kader van de strafoplegging aan de orde.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 18 september 2026 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen naar voren is gebracht door de raadsman van verdachte, mr. J.C. Reisinger.
Het vonnis
Het hof zal het vonnis van de rechtbank vernietigen, omdat het hof op andere gronden arrest wijst en tot een andere strafoplegging komt. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.
Tenlastelegging
Op de zitting bij de rechtbank is de tenlastelegging gewijzigd. Aan verdachte is na deze wijziging en voor zover thans nog aan het oordeel van het hof onderworpen, ten laste gelegd dat:
Zaak met parketnummer 16-013184-21:
1.hij, in of omstreeks de periode van 1 oktober 2019 tot en met 15 februari 2021 te [plaats] , gemeente [gemeente] , en/of [plaats] , althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten (onder andere) [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 6] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van een of meerdere hoeveelheden harddrugs, zijnde, althans, een of meer misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde, vierde, vijfde lid, 10a eerste lid, 11 derde, vijfde lid en/of 11a Opiumwet;
2.hij, op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2015 tot en met 15 februari 2021 te [plaats] , gemeente [gemeente] , en/of [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, een of meer (gebruikers)hoeveelheden, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
3.hij, op of omstreeks 15 februari 2021 te [plaats] , gemeente [gemeente] opzettelijk aanwezig heeft gehad (ongeveer) 109,04 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
4.hij op of omstreeks 15 februari 2021 te [plaats] , gemeente [gemeente] , in ieder geval in Nederland, één of meer voorwerp(en), te weten een geldbedrag ter hoogte van (ongeveer) 3750 euro, althans (een) geldbedrag(en), de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, althans heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op die/dat voorwerp(en), te weten voornoemd(e) geldbedrag(en), was of wie bovenomschreven voorwerp, te weten voornoemd(e) geldbedrag(en) voorhanden had
en/of
(telkens) één of meer voorwerpen(en) te weten een geldbedrag ter hoogte van (ongeveer) 3750 euro, althans (een) geldbedrag(en), heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten voornoemd(e) voornoemd(e) geldbedrag(en), gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Overwegingen met betrekking tot het bewijs
Rechtmatigheid digitaal onderzoek aan telefoons
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat alle onderzoeksresultaten afkomstig van het onderzoek aan de smartphones van verdachte van het bewijs moeten worden uitgesloten. Bij het onderzoek zijn telefoons geautomatiseerd compleet doorzocht zonder beperkingen en daarmee is een min of meer compleet beeld verkregen van bepaalde aspecten van het persoonlijk leven van verdachte. Voor dit onderzoek bestond onvoldoende juridische grondslag, omdat geen sprake was van een voorafgaande machtiging door de rechter-commissaris. Volgens de raadsman was dit wel vereist en is nu sprake van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Dat onderzoeksresultaten die in strijd met het Unierecht zijn verkregen en doorslaggevende betekenis voor het bewijs hebben, van het bewijs moeten worden uitgesloten, volgt - ook al voor het Landeck-arrest van het Hof van Justitie van 4 oktober 2024 en het arrest van de Hoge Raad van 18 maart 2025 - al uit het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, waaronder ook artikel 47 (het doeltreffendheidsbeginsel) en uit jurisprudentie van het Hof van Justitie (onder andere in de arresten [naam] (C-419/14) en [naam] (C-511/18)).
Verder heeft de raadsman betoogd dat ook niet aan de materiële eis voor onderzoek aan smartphones is voldaan, nu de verdenking in onderhavige zaak geen ‘zware criminaliteit’ betreft en dat ook om die reden onderzoek aan de smartphones niet gerechtvaardigd was.
Standpunt van het openbaar ministerie
Volgens de advocaat-generaal is er inderdaad sprake van een vormverzuim bij het onderzoek dat aan de telefoons uit 2019 heeft plaatsgevonden, omdat de telefoons zonder daaraan voorafgaande toestemming van de rechter-commissaris zijn doorzocht. De advocaat-generaal heeft zich echter op het standpunt gesteld dat met de constatering van dat vormverzuim kan worden volstaan, omdat de rechter-commissaris zonder meer toestemming zou hebben gegeven voor het onderzoek. Op het moment van de inbeslagname lagen er immers meerdere MMA-meldingen, een CI-melding, hadden de betrokken verbalisanten al van alles waargenomen en bestond er dus al een sterke verdenking in de richting van drugshandel (door verdachte).
Met betrekking tot de telefoons die in 2021 in beslag zijn genomen heeft de advocaat-generaal opgemerkt dat de rechter-commissaris op dat moment al een machtiging had gegeven voor meerdere taps en een doorzoeking van de woning. Die onderzoeksmethoden leveren een veel grovere schending van het recht op privacy op, wat maakt dat de rechter-commissaris op dat punt in het onderzoek volgens de advocaat-generaal ook toestemming zou hebben gegeven om de inbeslaggenomen telefoons te doorzoeken. Vanwege de geringe ernst van het vormverzuim kan ook hierbij worden volstaan met een constatering van het vormverzuim.
Oordeel van het hof
Bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het onderzoek aan de telefoon is sinds 18 maart 2025 het arrest van de Hoge Raad met nummer ECLI:NL:HR:2025:409 van belang. In dit arrest heeft de Hoge Raad naar aanleiding van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie - in het bijzonder naar aanleiding van de uitspraak in de zaak CG/ Landeck - expliciet bepaald dat de normering van onderzoek aan elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken, waaronder smartphones dient te worden bijgesteld.
Het hof overweegt dat na bovengenoemd arrest van de Hoge Raad voor onderzoek naar gegevens op een elektronische gegevensdrager dat een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer met zich brengt, voorafgaande toestemming van een rechterlijke instantie of onafhankelijk bestuursorgaan is vereist. Van een beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer is volgens de Hoge Raad geen sprake als op voorhand is te voorzien dat door het onderzoek aan een smartphone (of andere elektronische gegevensdrager of geautomatiseerd werk) inzicht wordt verkregen in verkeers- en locatiegegevens, maar ook in andersoortige gegevens (zoals foto's, de browsergeschiedenis, de inhoud van via die smartphone uitgewisselde communicatie en andere gevoelige gegevens). Als politie en justitie in zo' n geval onderzoek willen verrichten aan inbeslaggenomen elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken, is voor dat onderzoek, behalve in spoedeisende gevallen, een voorafgaande toetsing door de rechter-commissaris vereist. Met het onderzoek mag geen grotere inbreuk worden gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de gebruiker dan noodzakelijk. Deze toetsing vergt een beoordeling of de inbreuk, die door het onderzoek wordt gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de gebruiker, gerechtvaardigd is mede gelet op de ernst van het strafbare feit waarop de verdenking betrekking heeft en het belang van het onderzoek aan de elektronische gegevensdrager of het geautomatiseerde werk voor de waarheidsvinding.
Onderzoek telefoons
Uit het dossier volgt dat onder verdachte bij zijn aanhouding op 7 december 2019 en bij de doorzoeking van zijn woning op 15 februari 2021 meerdere smartphones in beslag zijn genomen, die met toestemming van de officier van justitie zijn doorzocht. Het hof is van oordeel dat voorafgaande aan het onderzoek aan de telefoons van de verdachte viel te voorzien dat met het onderzoek een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte zou worden gemaakt. Dat is feitelijk ook gebeurd. Uit het dossier blijkt dat onderzoek is gedaan naar onder meer gebruikersgegevens, browsergeschiedenis en via de smartphone uitgewisselde communicatie en (social) media, waaronder foto’s en afbeeldingen. Nu een voorafgaande toestemming van de rechter-commissaris tot het onderzoek ontbrak, constateert het hof dat er sprake is van een onherstelbaar vormverzuim.
Ten aanzien van het verweer van de raadsman dat in onderhavige zaak ook niet aan de materiële eis voor onderzoek aan smartphones is voldaan overweegt het hof als volgt.
Het zwaartepunt van de verdenking betreft het medeplegen van de handel in harddrugs gedurende een langere periode en deelname aan een criminele organisatie die als doel de handel in harddrugs had. Het hof is van oordeel dat deze verdenkingen, gelet op de lange duur en het georganiseerde verband, geschaard kunnen worden onder zware criminaliteit en dat daarmee wel is voldaan aan de materiële eis voor onderzoek aan smartphones.
Rechtsgevolgen vormverzuim
Bij beantwoording van de vraag of er aan dit verzuim rechtsgevolgen moeten worden verbonden, en zo ja welke, moet rekening worden gehouden met de in artikel 359a, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering genoemde factoren, namelijk het belang van het geschonden voorschrift, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt.
Bewijsuitsluiting kan volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgen in gevallen waarin het uitsluiten van bepaalde resultaten van het opsporingsonderzoek voor het bewijs noodzakelijk is om een schending van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) te voorkomen. Deze situatie doet zich naar het oordeel van het hof niet voor. Een schending van het in artikel 8 EVRM gegarandeerde recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer brengt immers niet zonder meer een inbreuk op de in artikel 6 EVRM vervatte waarborg van een eerlijk proces met zich mee.
Verder kan bewijsuitsluiting aan de orde zijn als sprake is van een ernstige schending van een strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel, waarbij toepassing van bewijsuitsluiting noodzakelijk is als rechtsstatelijke waarborg en als middel om met de opsporing en vervolging belaste ambtenaren te weerhouden van onrechtmatig optreden en daarmee als middel om te voorkomen dat vergelijkbare vormverzuimen in de toekomst zullen plaatsvinden. Van die situatie is in deze zaak naar het oordeel van het hof evenmin sprake. Daarbij is van belang dat het openbaar ministerie na het Landeck-arrest is overgestapt op een nieuwe werkwijze. Deze werkwijze houdt in dat voordat (een deel van) de veilig gestelde inhoud van smartphones en andere digitale gegevensdragers daadwerkelijk wordt onderzocht, eerst een machtiging van de rechter-commissaris wordt gevorderd. Het hof ziet op grond van nationale bepalingen geen aanleiding om de onderzoeksresultaten uit de inbeslaggenomen telefoons van het bewijs uit te sluiten.
Doeltreffendheidsbeginsel
De verdediging heeft betoogd dat op basis van het doeltreffendheidsbeginsel bewijsuitsluiting voor de strafrechter verplicht is indien het bewijs is verkregen in strijd met het Unierecht en dat bewijs van doorslaggevende betekenis is voor een bewezenverklaring.
Ten aanzien van dit verweer overweegt het hof dat volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie het aan de nationale rechtsorde van elke lidstaat is om, overeenkomstig het beginsel van procedurele autonomie, de procedurele regelingen voor gerechtelijke procedures vast te stellen die waarborgen dat justitiabelen hun rechten kunnen uitoefenen die zij op grond van het Unierecht hebben. Voor de nationale strafrechter brengt het doeltreffendheidsbeginsel de verplichting mee om informatie en bewijzen die in strijd met het Unierecht zijn verkregen in het kader van een strafrechtelijke procedure tegen personen die worden verdacht van strafbare handelingen, buiten beschouwing te laten, indien die personen niet in de gelegenheid zijn om doeltreffend commentaar te leveren op die informatie en die bewijzen, die betrekking hebben op een gebied waarvan de rechter geen kennis heeft en een doorslaggevende invloed kunnen hebben op de beoordeling van de feiten.
Anders dan de verdediging stelt, is het hof van oordeel dat de verkregen gegevens uit de telefoons van verdachte niet van doorslaggevende betekenis zijn als het gaat om de feiten die aan het onder 1 en 2 tenlastegelegde ten grondslag liggen. Bij een bewezenverklaring van deze feiten zijn de tapgesprekken en de verklaringen van afnemers immers eveneens van (groot) belang. Het hof is dan ook van oordeel dat een beroep op het doeltreffendheidsbeginsel niet kan slagen en dat ook op basis van het Unierecht de resultaten van het onderzoek aan de smartphones niet uitgesloten behoeven te worden van het bewijs.
Conclusie
Rekening houdend met het belang van de geschonden norm, de ernst van het verzuim en het daardoor veroorzaakte nadeel, te weten de schending van het recht op privacy, is het hof van oordeel dat bewijsuitsluiting als rechtsgevolg te ver gaat. Het hof zal bij de strafoplegging rekening houden met het geconstateerde vormverzuim.
Overige bewijsoverwegingen ten aanzien van het in de zaak met parketnummer
16-013184-21 onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het in de zaak met parketnummer 16-013184-21 onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde bepleit. Daarnaast heeft de raadsman bepleit dat verdachte van het dealen in de periode 1 januari 2015 tot en met 1 oktober 2019 moet worden vrijgesproken, zoals onder 2 ten laste is gelegd. Het dealen in de periode van het najaar van 2019 tot zijn aanhouding begin 2021 heeft verdachte bekend en het feit kan volgens de raadsman in zoverre worden bewezen. Zoals hiervoor aan de orde is gekomen, heeft de raadsman verzocht om de resultaten van het onderzoek aan de inbeslaggenomen telefoons van het bewijs uit te sluiten en kan op basis van de overige stukken uit het dossier niet wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan of dat hij zich gedurende een langere periode aan het dealen van cocaïne schuldig heeft gemaakt.
Ten aanzien van het onder 3 en 4 tenlastegelegde zijn geen bewijsverweren gevoerd.
Oordeel van het hof
Om redenen van doelmatigheid neemt het hof de door de rechtbank uitgewerkte bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen grotendeels over. Deze feiten en omstandigheden worden steeds gebruikt tot het bewijs van het feit of de feiten waarop ze – gelet op hun inhoud – uitdrukkelijk betrekking hebben.
Bewijsmiddelen
Verklaring verdachte
Verdachte heeft ter terechtzitting van 18 januari 2023 bij de rechtbank bekend in cocaïne te hebben gehandeld in de periode van eind 2019 tot zijn aanhouding op 15 februari 2021. Verdachte wordt ook wel ` [verdachte] ' genoemd, en sms'jes met teksten als ‘dit is mijn nieuwe nr, gr. [verdachte] ’ waren van hem afkomstig. Medeverdachte [medeverdachte 2] werd ook wel ‘ [medeverdachte 2] ’ of ‘ [medeverdachte 2] ’ genoemd. Medeverdachte [medeverdachte 3] noemde hij ‘ [medeverdachte 3] ’, die handelde ook in drugs. Verdachte heeft verklaard dat hij de dealerlijnen die zijn afgetapt in gebruik heeft gehad. Ook andere mensen hebben daarvan gebruik gemaakt. Het waren nummers van verdachte, maar anderen gebruikten deze nummers ook. Als verdachte er niet was dan gaf hij de dealerlijnen aan iemand anders door zodat die de bestellingen kon aannemen en de cocaïne kon afleveren.
Staandehouding december 2019 en onderzoek aan de inbeslaggenomen iPhone XS
Op 7 december 2019 is verdachte door de politie staande gehouden. Bij deze staandehouding werd onder verdachte een iPhone XS (na fouillering) in beslag genomen. Op de iPhone XS zijn WhatsApp-gesprekken aangetroffen met onder meer de gebruiker van telefoonnummer + [telefoonnummer] . opgeslagen in de telefoon als ‘ [medeverdachte 3] ’. Aan de hand van de profielfoto van ‘ [medeverdachte 3] ’ heeft de politie vastgesteld dat de gebruiker medeverdachte [medeverdachte 3] betrof. In WhatsApp-gesprekken tussen 27 oktober 2019 en 7 december 2019 tussen verdachte ( [verdachte] ) en [medeverdachte 3] ( [medeverdachte 3] ) is onder meer het volgende te lezen:
27 oktober 2019
[medeverdachte 3] : 1070
[verdachte] : Topt broer
[medeverdachte 3] : Plus 470 pof
[verdachte] : Niet normaal, vanaf morgen krijgen ze binnen
[medeverdachte 3] : Stop met [plaats] praat met [plaats]
[verdachte] : Ok broer, ga ik zkr doen. Denk bij mezelf ik wil waar voor mijn geld en geen 44 betalen. Heb van [naam] gehoord dat bij 100 max 40 betaal tot 42.
[medeverdachte 3] : Je bent het binnen maand kwijt
[verdachte] : Ja daarom
29 oktober 2019
[medeverdachte 3] : Heb nog 36 broodjes over 2 per week red ik makkelijk
[medeverdachte 3] : Broer 1 ding, je hebt ze wel verwend, ik heb een hoop brievenbussen gezien, 15.
[medeverdachte 3] : Je bent het binnen maand kwijt
[verdachte] : Ja daarom
30 oktober 2019
[verdachte] : Ey broer me zwager is maand na Dubai kan geen geld sturen kan jij 3000 aan [naam] geven dat is stort krijg je gelijk teug als ik terug ben broer.
31 oktober 2019
[medeverdachte 3] : Ik krijg [naam] niet te pakken papieren liggen al bij hem.
[verdachte] : Ok broer komt goed
[medeverdachte 3] : Ligt 20k. Kijk maar hoeveel je nodig hebt.
[medeverdachte 3] : [telefoonnummer] nieuwe nummer. Vandaag online.
2 november 2019
[medeverdachte 3] : 33
[verdachte] : Slecht broer voor einde van de maand
[medeverdachte 3] : Vanaf 3 uur Smidden tot 12 uur aan een stuk door gereden.
4 november 2019
Gesprek gaat over vakantie van [verdachte] .
[medeverdachte 3] : Ga genieten broer, die jongen uit [plaats] komt eerder. Heb nog weinig eten.
7 november 2019
[verdachte] : Gisteren maar 14 broer
[medeverdachte 3] : Nu 700
[verdachte] : Netjes voor donderdag.
16 november 2019
[medeverdachte 3] : Broer na 01:00 niets meer naar [verdachte] . Je moet aan [naam] vragen wat ie er van vond [naam] heeft gisteren ook bij [naam] gehaald.
17 november 2019
[verdachte] : Heb [naam] beetje aangepakt je moet zeggen ze hebben top spul in buurt raak mensen kwijt.
1 december 2019
[medeverdachte 3] : Ze wilt halen
[verdachte] : Hoeveel
[medeverdachte 3] : 50
[verdachte] : Ok kom er zo aan
De politie relateert over de gesprekken dat [medeverdachte 3] meermaals getallen doorgeeft aan verdachte, vaak na middernacht. De politie relateert bovendien dat gezien de wijze waarop in de gesprekken werd gesproken tussen [medeverdachte 3] en verdachte het er zeer sterk op lijkt dat drugshandel en opbrengsten daaruit werden besproken. Dit blijkt volgens de politie onder andere uit het bespreken van de voorraad ("broodjes"), de smaak van het product, het noemen van afnemers en de genoemde geldbedragen.
In de iPhone XS zijn ook gesprekken met medeverdachte [medeverdachte 6] aangetroffen. In een WhatsApp-gesprek van 1 december 2019 is te lezen:
[verdachte] : Heb een noodgeval moet naar [plaats] . Je kan met [naam] rijden je krijgt betaald. Je hoeft alleen op te nemen.
[medeverdachte 5] : Is goed pik.
[verdachte] : Kom nu hierheen. Rijdt ze meteen mee. Kan ok weg. [naam] heeft nog 20 tegoed dan weet je dat.
[medeverdachte 5] : Ze lulde orden van mn kop af als ik vooryaan wat voor je wat kan betekenen doe i t graag.
In een WhatsApp-gesprek van 5 december 2019 met medeverdachte [medeverdachte 6] is te lezen: [medeverdachte 5] : Ben je nog aan t rijden of al thuis?
[medeverdachte 5] : Zaterdag kan je chillen rij ik heel de avond.
Over Whatsapp-gesprekken tussen verdachte en zijn vriendin [medeverdachte 7] eind 2019 heeft de politie onder meer het volgende gerelateerd. Op 12 november vraagt [medeverdachte 7] wie hem bracht met een BMW naar huis om half twee. Als antwoord stuurt verdachte: “I was last week to help [medeverdachte 3] and he was Driving with [medeverdachte 5] .” Op 17 november stuurt [medeverdachte 7] : “And also one client was asking [medeverdachte 3] who i am.” Op 18 november vraagt verdachte of de auto gemaakt is omdat hij hem zondag nodig heeft. [medeverdachte 7] vraagt hem of hij gaat werken waarop hij antwoord: “Yes because [medeverdachte 3] is tired. And its dangerous.” Diezelfde dag stuurt [medeverdachte 7] : “But i don't sit at home. Maybe 1 or 2 days Because i drive with [medeverdachte 3] .”
Op 25 november stuurt [medeverdachte 7] twee maal een foto van een eenvoudige zwarte Nokia met dual-sim. Deze Nokia is gelijkend op de Nokia welke aangetroffen is bij de aanhouding van verdachte. Op de foto's is een telefoonnummer te zien op het scherm van de telefoon. Verdachte antwoord met ok. Om 14.52 uur stuurt [medeverdachte 7] : 6000. Om 18.19 uur stuurt [medeverdachte 7] : 1900, waarop [medeverdachte 1] zegt: “Yes give hem that ok"
Om 23.50 uur stuurt ze nogmaals een soortgelijke foto met het scherm van een telefoon en daarop een telefoonnummer. Verdachte antwoordt daarop: “Thx baby.” [medeverdachte 7] stuurt vervolgens op 26 november om 00.10 uur: “You're welcome baby and i finished 2300." Op 26 november na 14.00 uur stuurt [medeverdachte 7] wederom een foto met telefoon en telefoonnummer. Ze vertelt dat hij nog twee keer had gebeld. Verdachte zegt dat ze de telefoon mee moet nemen als ze gaat roken. Vervolgens stuurt ze nog een soortgelijke foto waarop [medeverdachte 1] antwoordt: “You can begin baby.” Hierna wordt nog een aantal keer soortgelijke foto's verzonden door [medeverdachte 7] . Ook verstuurt ze tussen deze foto's een foto met daarop een zak met ponypacks, minimaal 17 stuks, met daarvoor een briefje waarop staat: “Total 2850-20=2830.” Linksboven op de foto is een briefje te zien waar een doorgestreepte tekst op staat. Op het briefje staat de doorgekraste tekst: [naam] (gelijkend op) 30. Daaronder staat doorgekraste tekst gelijkend op: [naam] . In de contacten lijsten van de bij verdachte in beslag genomen Nokia's staan contacten genaamd [naam] en [naam] .
Vervolgens zegt [medeverdachte 7] op 28 november: “But we talk when you come. I was making for the moment 1400. I smoke and after i make the rest.” Op 30 november zegt [medeverdachte 7] : “Yes baby .. for now 2400.” Later die dag stuurt [medeverdachte 7] wederom een foto dat er iemand inbelt naar een oud model telefoon. Op 1 december zegt [medeverdachte 7] : “Baby.. if they want poff what i have to do to give them or not?” Verdachte reageert met: “Call me first.” Vervolgens stuurt [medeverdachte 7] wederom een soortgelijke foto. [medeverdachte 1] antwoord vervolgens: “No.” [medeverdachte 7] : “Ok have 460.” Verdachte: “Ok thats good” [medeverdachte 7] later diezelfde dag: “10.420.”
Verklaringen afnemers
Getuige [getuige 1] , woonachtig in [plaats] , heeft medio maart 2021 tegenover de politie verklaard dat hij sinds vier jaar cocaïne kocht van [verdachte] . De overdracht vond bij [getuige 1] thuis plaats en hij betaalde zowel contant als per tikkie. Zowel [verdachte] zelf, als de zus van [verdachte] en [medeverdachte 8] kwamen de cocaïne bezorgen. Laatstgenoemden deden dit wanneer [verdachte] in Brazilië verbleef. [getuige 1] gaf anderhalf jaar eerder zijn pinpas als onderpand aan [medeverdachte 3] . [medeverdachte 3] behoorde tot dezelfde groep als [verdachte] . [getuige 1] heeft verdachte, [medeverdachte 1] , [medeverdachte 8] en [medeverdachte 3] als de vier genoemde personen herkend aan de hand van een foto.
Getuige [getuige 2] , woonachtig in [plaats] . heeft begin maart 2021 tegenover de politie verklaard dat hij [verdachte] vier jaar eerder leerde kennen als zijn dealer, en dat hij sindsdien drugs bij hem koopt. De drugsdeals vonden plaats bij parkeergelegenheden, bij [verdachte] thuis in [plaats] en hij betaalde cash of per tikkie. Naast [verdachte] kwamen ongeveer vijf anderen die drugs brengen, waaronder [naam] en een uit de kluiten gewassen Ethiopiër, die hij herkende op foto's als verdachte, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] . Bij het tonen van een foto van [medeverdachte 8] , verklaarde [getuige 2] dat hij leek op een van de drugsbezorgers. [getuige 2] verklaarde ook dat de bezorgers soms samen reden.
Getuigen [getuige 3] en [getuige 4] , woonachtig in [plaats] , hebben op 1 maart 2021 tegenover de politie verklaard sinds een jaar of drie, vier samen cocaïne te kopen bij [verdachte] . [getuige 3] verklaarde dat hij vanaf april 2020 drie a vier keer per keek cocaïne kocht, en daarvoor één keer per week. De deals vonden plaats bij hen thuis, bij de woning van [verdachte] in [plaats] of bij de woning van [medeverdachte 2] in [plaats] . Het nummer dat zij belden om de drugs te bestellen was steeds anders. Zij kregen dan een sms met een nieuw nummer. Naast [verdachte] kwamen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] drugs brengen. [medeverdachte 1] zat volgens [getuige 3] en [getuige 4] in het huis van [verdachte] wanneer hij in Brazilië verbleef. Zij dealde toen samen met [medeverdachte 2] . De getuigen verklaarden wel eens te hebben geklaagd bij [verdachte] over de kwaliteit en hoeveelheid van de drugs, maar omdat verdachte dan in Brazilië zat, zei verdachte steeds dat ze het met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] moesten regelen. [verdachte] was volgens de getuigen de leider van de groep. [getuige 3] en [getuige 4] hebben verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] herkend aan de hand van foto's.
Verblijf verdachte in buitenland
Uit door de politie opgevraagde vluchtgegevens is gebleken dat verdachte in de periode 20 september 2019 tot en met 23 november 2019, 20 februari 2020 tot en met 5 mei 2020 en in de periode 5 oktober 2020 tot en met 14 januari 2021 in Brazilië heeft verbleven.
Tapgesprekken/dealernummers
Gedurende het onderzoek zijn vanaf 13 oktober 2020 meerdere telefoonnummers getapt. De (nieuwe) dealnummers eerden bekend door printertaps op gebruikers, via de tap op de (oude) dealnummers of via een SMS bericht.
Het telefoonnummer [telefoonnummer] werd alleen gebruikt voor zakelijke gesprekken die betrekking hadden op het maken van afspraken of ontmoetingen over de verkoop van verdovende middelen. Er waren meerdere gebruikers van de dealerlijn. Medeverdachte [medeverdachte 1], medeverdachte [medeverdachte 2] en medeverdachte [medeverdachte 3] zijn middels stemherkenning herkend als gebruikers van deze dealerlijn.
Het telefoonnummer [telefoonnummer] werd alleen gebruikt voor zakelijke gesprekken die betrekking hadden op het maken van afspraken of ontmoetingen over de verkoop van verdovende middelen. Er waren meerdere gebruikers van de dealerlijn. Medeverdachte [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] zijn middels stemherkenning herkend als gebruikers van deze dealerlijn.
Het telefoonnummer [telefoonnummer] werd alleen gebruikt voor zakelijke gesprekken die betrekking hadden op het maken van afspraken of ontmoetingen over de verkoop van verdovende middelen. Er waren meerdere gebruikers van de dealerlijn. De volgende namen worden door gebruikers van de dealerlijn gebruikt: [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 2] . Uit analyse van de tap op dit telefoonnummer is onder meer het volgende gebleken:
07-11-2020
* [telefoonnummer] belt uit met * [telefoonnummer]
: Ik sta bij dinges voor het huis eigenlijk, omdat er niet opgenomen werd. In [plaats] zeg maar.
[medeverdachte 1] : niet opgenomen? Dit is onze nieuwe nummer schat.
[telefoonnummer] : Gister nam er niemand op
[medeverdachte 1] : Er wordt ook niet opgenomen op die andere nummer. Dit is het nieuwe nummer
[telefoonnummer] : Die had ik niet gehad.
[medeverdachte 1] : Normaal doen we om de 2 weken een ander nummer hadden we iedereen smsje verzonden.
Op 27 oktober 2020 werd door het nummer [telefoonnummer] de volgende SMS verzonden:
Dit is mijn nieuwe nr gr [verdachte] .
Bovengenoemd telefoonnummer werd alleen gebruikt voor zakelijke gesprekken die betrekking hadden op het maken van afspraken of ontmoetingen voor de verkoop van verdovende middelen. Er waren meerdere gebruikers van de dealerlijn.
Op 17 november 2020 werd door het nummer [telefoonnummer] de volgende SMS verzonden: Hey dit is me nieuwe nummer gr [verdachte] .
Bovengenoemd telefoonnummer werd alleen gebruikt voor zakelijke gesprekken die betrekking hadden op het maken van afspraken of ontmoetingen voor de verkoop van verdovende middelen. Er waren meerdere gebruikers van de dealerlijn, waaronder [medeverdachte 1] (het hof begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 1] ).
Op 29 december 2020 werd door het nummer [telefoonnummer] de volgende SMS verzonden: Hey dit is me nieuwe nummer gr [verdachte] .
Bovengenoemd telefoonnummer werd alleen gebruikt voor zakelijke gesprekken die betrekking hadden op het maken van afspraken of ontmoetingen oor de verkoop van verdovende middelen. Er waren meerdere gebruikers van de dealerlijn. Na 15 januari 2021 was verdachte de gebruiker van het nummer.
Het telefoonnummer + [telefoonnummer] (* [telefoonnummer] ) was, op grond van het procesdossier alsmede de hiervoor weergegeven verklaring van verdachte, in gebruik bij verdachte. Uit analyse van de tap op dit telefoonnummer is onder meer het volgende gebleken:
28-01-2021
* [telefoonnummer] SMS * [telefoonnummer]
: kan nu ook iemand sturen
[telefoonnummer] : Als je wilt, is een Syriër, [medeverdachte 2] (het hof begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 2] )
[telefoonnummer] : Hij is te vertrouwen broer
[telefoonnummer] : Is die onderweg
[telefoonnummer] : Ja broer hij sms’t je
Het telefoonnummer + [telefoonnummer] (* [telefoonnummer] ) was, op grond van het procesdossier alsmede de hiervoor weergegeven verklaring van verdachte, in gebruik bij verdachte. Uit analyse van de tap op dit telefoonnummer is onder meer het volgende gebleken:
25-01-2021
[telefoonnummer] belt uit met [telefoonnummer]
vraagt waar is [verdachte]
[telefoonnummer] zegt Hij is er niet Man
[telefoonnummer] zegt Je mot even voor mij een brok regelen, ik kom zo naar [plaats]
[telefoonnummer] zegt Ja is goed
Het telefoonnummer + [telefoonnummer] (* [telefoonnummer] ) was in gebruik bij medeverdachte [medeverdachte 1] . Uit analyse van de tap op dit telefoonnummer is onder meer het volgende gebleken:
6-11-2020
[medeverdachte 1] belt uit met [medeverdachte 8] * [telefoonnummer]
[medeverdachte 1] : Kun jij naar [plaats] gaan, Kerk?
[medeverdachte 8] : oke is goed.
(…)
[medeverdachte 8] zegt dat hij geen hele meer heeft. Maar nog wel heel wat 25ers. [medeverdachte 1] zegt dat [medeverdachte 8] vervolgens naar [plaats] moet gaan, beneden bij de dijk.
7-11-2020
[medeverdachte 1] belt uit met [medeverdachte 8] * [telefoonnummer]
[medeverdachte 8] : Dan rij ik ook even door naar jou toe want ik moet even aanvullen
[medeverdachte 1] : Ow jaja, zoiezo waar we hebben nu geen bellers.
[medeverdachte 1] : Ze staan te wachten, je bent wel echt traag vandaag. Ik krijg boze mensen.
[medeverdachte 1] : Kleintjes heb je nog alleen? Dan moet je vragen of [medeverdachte 2] je
[medeverdachte 8] : Heb je hem
[naam] : [medeverdachte 2] neemt de telefoon van [medeverdachte 8] over.
[medeverdachte 1] : Hey broer geef hem wat die nodig heeft maar niet teveel he, voor de klanten. Wat heeft die nou nog zei die? 4 kleintjes?
[medeverdachte 2] zegt tegen [medeverdachte 8] : Wat heb je nog maat
[medeverdachte 8] op de achtergrond: 4 plaatjes nog
[medeverdachte 2] : Geef hem ehh, kom ik weet al wat ik ga geven
[medeverdachte 1] : Wat ga je geven?
[medeverdachte 2] : vier 25 en 2 grote
[medeverdachte 1] : Ja ja is goed. En schrijf alles op wat je hem geeft he.
[medeverdachte 2] : Ja ja doe ik.
8-11-2020
[medeverdachte 1] belt uit met [naam] * [telefoonnummer]
Heel veel klanten willen dat ik kom. Wajoo. [verdachte] gaat problemen als die terug is. Ze zijn mij gewend nu.
13-11-2020
[medeverdachte 1] belt uit met [medeverdachte 4] * [telefoonnummer]
[medeverdachte 1] : maar [naam] zei toch tegen jou dat ik die [naam] [medeverdachte 5] (het hof begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 6] ) zou laten werken omdat hij zat te zeuren bij [verdachte] , dat hij geen weekenden draaide toch.
[medeverdachte 8] : Maandag was eeh [medeverdachte 5] effe een keer mee gegaan, maar ik dacht eerder de hele week met hem mee was gegaan. Hij zegt ja, het is bijna nooit genoeg. Zoveel honderden euros komen binnen en het is nog niet genoeg bij hem.
[medeverdachte 1] : Maar ja als hij gaat zeuren bij [verdachte] , dat ie zogenaamd alleen maar door de weeks krijgt, dan krijgt ie toch lekker nu weekend erbij… zoek ie maar lekker uit.
[medeverdachte 1] : Om te vouwen, hij gaat niet zomaar zo aan die dingen zitten waar ik niet bij ben. Ik ben toch degene die altijd voor de hele week voor hem maakt.
[medeverdachte 1] : Ja maar weet je wat het is [medeverdachte 8] . Hij werkt al heel het jaar [medeverdachte 2] (het hof begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 2] ) dus ik begrijp hem niet. Ik laat hem 4 dagen werken. Ik pak alleen donderdag, vrijdag en zaterdag pak ik.
28-11-2020
[medeverdachte 1] belt met [medeverdachte 8] * [telefoonnummer]
[medeverdachte 1] heeft [naam] nu. [medeverdachte 1] wilde kijken of [medeverdachte 2] (het hof begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 2] ) die wilde doen
[telefoonnummer] [medeverdachte 8] Ik wil het ook wel doen.
[telefoonnummer] [medeverdachte 1] Hij moet 3 heles hebben. Ik kom nu naar huis en dan moet jij fftjes [naam] doen. Dan hou ik hier de boel.
13-12-2020
[medeverdachte 1] belt uit met [telefoonnummer]
[medeverdachte 1] : Ewa 2 maanden, 3 maanden verder, mijn broer gaat naar Brazilië. Mijn broer zegt jij moet mijn zakenwaarnemer worden. Ik ga weg, jij bent in die tijd in mijn flat tot ik terug ben. Hij voelde zich geen man meer bij me omdat ik zeg maar mijn broer de werk heb overgenomen.
18-12-2020
[medeverdachte 1] belt uit met [medeverdachte 6] * [telefoonnummer]
[medeverdachte 1] : Ja lekker voor je. Kan je alsjeblieft [naam] ook gelijk pakken bij de Karwei ?
[medeverdachte 5] : Ja is goed.
23-12-2020
[medeverdachte 1] wordt gebeld door [naam] * [telefoonnummer]
: Kijk ik wil, ik wil [naam] halen weet je wel.
[telefoonnummer] : Ja he, maar [naam] kwam. Hij is niet chill man, hij doet dom tegen mij.
[medeverdachte 1] : Oke ik ga ff bellen.
[telefoonnummer] : Nee nee nee dat moet je niet zeggen, nee niet zeggen.
[medeverdachte 1] : Ja tuurlijk wel, ik ben de baas he.
[medeverdachte 1] : [naam] . Maar je bent niet de eerste die klaagt. Hij gaat… Waar ben je? Hij moet naar [naam] komen toch?
[telefoonnummer] : Nee maar hij is altijd chagrijnig daarom weet je. Ik heb dan geen zin om meer om hem te bellen joh want dan denk ik bij me eigen fack hem dan.
[medeverdachte 1] : Ben ‘ r alleen op donderdag vrijdag zaterdag. Hij is rest van de dagen.
Het telefoonnummer + [telefoonnummer] (* [telefoonnummer] ) was in gebruik bij medeverdachte [medeverdachte 8] . Het telefoonnummer + [telefoonnummer] (* [telefoonnummer] ) was in gebruik hij medeverdachte [medeverdachte 1] . Het telefoonnummer + [telefoonnummer] (* [telefoonnummer] ) was in gebruik bij [medeverdachte 2] . Het telefoonnummer + [telefoonnummer] (* [telefoonnummer] ) stond op naam van en was in gebruik bij medeverdachte [medeverdachte 6] . Uit analyse van de tap op het telefoonnummer * [telefoonnummer] is onder meer het volgende gebleken:
28-10-2020
[medeverdachte 8] belt uit met [medeverdachte 2] * [telefoonnummer] .
[medeverdachte 8] zegt bij de garage [naam] te zijn. [telefoonnummer] stelt voor om [medeverdachte 8] op te halen zodat [medeverdachte 8] even kan rijden. [medeverdachte 8] zegt wel even wachten. [telefoonnummer] zegt dat hij dan telefoontjes kan doen.
29-10-2020
[medeverdachte 8] wordt gebeld door [naam] * [telefoonnummer]
[medeverdachte 8] : Kom jij eventueel nog, ja ik heb maar voor 20, maar kom jij eventueel nog in de buurt van [plaats] denk je?
[telefoonnummer] : Nee schat nu eventjes niet want de inkoop moet zo worden gedaan. Ik heb helemaal geen tijd om nu naar [plaats] te rijden.
[telefoonnummer] : Het is en al druk voor mezelf en de inkoop komt dus dan moet je wel even wachten.
[medeverdachte 8] : Nee is goed. Ah de nieuw nieuw, oke.
[telefoonnummer] : Maar lieve schat, [plaats] komen we zoiezo niet voor 20 dat weet je he.
[telefoonnummer] : Kom je morgen helpen of niet?
[medeverdachte 8] : Ja maar dat wordt na 8 uur.
[telefoonnummer] : Ja want je weet dit weekend wordt gekkenhuis he.
[medeverdachte 8] : Ja zaterdag zoiezo hoor, dat wel, die staat al in de planning voor je.
[telefoonnummer] : Omdat iedereen zijn papieren heeft deze week.
[medeverdachte 8] : Ja zeker, iedereen heb gebeurd he.
31-10-2020
[medeverdachte 8] belt uit met [medeverdachte 2] * [telefoonnummer]
[medeverdachte 8] : kom naar buiten er staan mensen te wachten. [medeverdachte 1] zei ook al dat je de klanten anders door moet geven aan haar.
[medeverdachte 2] : Ik kom eraan.
6-11-2020
[medeverdachte 8] belt met [medeverdachte 1] * [telefoonnummer]
[medeverdachte 8] : Hey die van 56 heeft die een tikkie betaald of?
[medeverdachte 1] : Ja twee keer 20 ja.
[medeverdachte 1] : En [naam] heeft me gebeld maar ik zei dat jij bij een andere deur stond dat je de weg kwijt was.
[medeverdachte 1] : En moedertje en dan doe ik wel de [naam] . Als jij [naam] doet en [naam] dan doe ik die andere. Ik zeg je eerlijk, begin weer die spitsuur. Die [naam] houden niet op. Hallo? Ben je er nog?
[medeverdachte 8] : Ja muts, ik was net in de brievenbus aan het gooien. Moest ik even stil zijn.
8-11-2020
[medeverdachte 8] belt uit met [medeverdachte 1] * [telefoonnummer]
[medeverdachte 8] : Even een tikkie van 50
[medeverdachte 1] : even kijken, welk nummer?
[medeverdachte 8] : Eindigt op [nummer]
[medeverdachte 1] : Wacht even, blijf aan de lijn. Heeft hij daar gister mee getikt?
[medeverdachte 8] : Ja
[medeverdachte 1] : Zeg tegen hem na 3 uur rijden wij niet.
14-11-2020
[medeverdachte 8] belt uit met [medeverdachte 1] * [telefoonnummer]
[medeverdachte 8] : Ik rijd al bij die stoplichten. Laat hem maar naar voren komen, [naam] .
[medeverdachte 1] : [naam] , oke is goed. En [naam] heb je ook al gehad toch?
[medeverdachte 8] : Nee daar ga ik daarna naartoe.
20-11-2020
[medeverdachte 8] belt uit met [medeverdachte 1] * [telefoonnummer]
[medeverdachte 8] : Ik kom even richting huis want heb even een aanvullende verzekering nodig, ik heb effen te weinig, even aanvullen
[medeverdachte 1] : Heb je helemaal niks meer dan?
[medeverdachte 8] : Jewel jewel, zo’ n grote en 2 kleine en een vijfen.
Uit analyse van de tap op het telefoonnummer * [telefoonnummer] is onder meer het volgende gebleken:
31-10-2020
[medeverdachte 2] wordt gebeld door [naam] * [telefoonnummer]
[medeverdachte 2] geeft aan dat hij papiertjes aan het maken is. * [telefoonnummer] vraagt of hij bij [medeverdachte 1] is. [medeverdachte 2] zegt “Ja”. [medeverdachte 2] : Ik ben nou geen auto aan het rijden he. Dat doet zij. Gister was zij dat aan het maken en vandaag ben ik aan het maken en is zij aan het rijden.
7-11-2020
[medeverdachte 2] wordt gebeld door [naam] * [telefoonnummer]
[medeverdachte 2] : Ik stuur [medeverdachte 8] naar jou. [medeverdachte 8] , [medeverdachte 8] stuur ik naar jou. Kom maar bij de Plus . Hij is daar nu met 1 minuut. Hoeveel heb je nodig, 20? * [telefoonnummer] : Ik wil 20. Morgen 11 uur doen we weer alles afrekenen oke? [medeverdachte 2] : Ik ben er niet bij hem moet je direct afrekenen.
7-11-2020
Ibrahimi belt uit met [medeverdachte 8] .
[medeverdachte 2] : [medeverdachte 8] , kun jij alsjeblieft die Lange Turk bij [naam] doen?
[medeverdachte 8] : Is goed maar ik doe eerst [naam] .
14-11-2020
[medeverdachte 2] wordt gebeld door [naam] * [telefoonnummer]
* [telefoonnummer] : Ik ga naar de stad toe hoelaat zie ik je daar?
[medeverdachte 2] : Ik heb vandaag geen dienst je moet ff die andere bellen.
[medeverdachte 2] wordt gebeld door [naam] * [telefoonnummer]
* [telefoonnummer] vraagt of het goed is dat hij naar de 5e verdieping komt.
[medeverdachte 2] zegt dat hij naar hem moet komen, bij [verdachte] .
18-12-2020
[medeverdachte 2] belt uit met [medeverdachte 6] * [telefoonnummer]
: Kom ff kwartiertje vouwen maat dan kan je weer gaan.
[telefoonnummer] : Jaa ik kom er zo aan.
22-12-2020
[medeverdachte 2] belt uit met [naam] * [telefoonnummer]
* [telefoonnummer] vraagt met wie ze spreekt. [medeverdachte 2] zegt: met [verdachte] . * [telefoonnummer] zegt dat ze niet met [verdachte] spreekt. [medeverdachte 2] zegt: Ja ik weet, ik werk met hem. * [telefoonnummer] moet [verdachte] hebben. [medeverdachte 2] zegt dat hij er niet is en over twee weken terug is.
31-12-2020
[medeverdachte 2] belt uit met [medeverdachte 1] * [telefoonnummer]
[medeverdachte 2] : Kan jij snel langs huis komen bij jou? Want ik heb niks meer.
[medeverdachte 1] : Zo snel?
[medeverdachte 2] : Ja maar ze hadden allemaal 200, 100, 300, wolla chaos joh.
[medeverdachte 1] : Oke, weet je waarom? Bij mij is het rustig. Misschien bellen ze nu bij jou op je telefoon he.
Uit analyse van de tap op het telefoonnummer [telefoonnummer] (* [telefoonnummer] ) is onder meer het volgende gebleken:
11-12-2020
[medeverdachte 6] belt uit met [naam] [telefoonnummer]
: Hallo
[medeverdachte 5] : Yo met [medeverdachte 5] van dinge, van [verdachte] , waar ben jij.
20-12-2020
[medeverdachte 6] wordt gebeld door [naam] * [telefoonnummer]
: Ja maar heb je nou niks zeg maar
[telefoonnummer] : Nee ik heb nu effen niks nee. Of je moet [medeverdachte 2] even bellen, ik weet niet of [medeverdachte 2] nog wat heeft.
24-12-2020
[medeverdachte 6] belt uit met [medeverdachte 8] * [telefoonnummer]
: Weet je, ik ben het helemaal zat om te rijden. Ik zou eigenlijk vanavond moeten rijden, maar ik heb vanavond kerstdiner maar ik had geen zin.
[medeverdachte 8] : Ja groot gelijk ook, het is jouw leven he. Jij heb ook een leven.
[telefoonnummer] : Ja maar weet je wat het is, zij denken dat ik altijd alles moet doen of wat dan ook.
[medeverdachte 8] : Ja maar dat was met mijn ook effen. Ik denk van ja aan 1 kant oke, ik deed het effen voor haar maar
[telefoonnummer] : Ja maar ze gebruikt je gewoon, ze gebruikt je gewoon
[telefoonnummer] : Ik moet morgen met kerst en ehh ook nog en dat betekent dat ik vanavond niks kan doen. Ik heb heel de week hard gewerkt.
[medeverdachte 8] : Ja ja, waarvoor. Waarom
[telefoonnummer] : Luister, ik heb ook een leven, ik werk ook hard.
[telefoonnummer] : En ehh voor die ehh. Ik krijg maar 50 euro [naam] voor een zaterdag en zondag en dan werk ik gewoon 12 uur he.
[medeverdachte 8] : dat is eigenlijk niks.
[telefoonnummer] : Ja ik had zaterdag zelfs een klus afgezegd om voor hun te gaan werken, kon met die klus 500 verdienen en kreeg zaterdag maar 50. Maarja moet je maar niet zeggen maar als [verdachte] terug is ga ik het er wel over hebben hoor.
[medeverdachte 8] : Ja ja daarom. En alles komt op jou, op mij, neer.
[telefoonnummer] : Ja ik moet facking veel doen.
27-12-2020
[medeverdachte 6] belt uit met [medeverdachte 8] * [telefoonnummer]
: Ze zegt ja vind het wel een beetje jammer dat je met kerst niet bent geweest.
[medeverdachte 8] : Ja sorry hoor, effen een keer een zondag voor mijzelf.
[telefoonnummer] : Ja joh daarom joh. Ze begrijpen het allemaal niet. [medeverdachte 1] belde [naam] . Ik zeg ja ik moet morgen ook gewoon weer werken. Ja dat kan wel? Ik zeg ja dat kan wel ja.
[telefoonnummer] : Dit is niet mijn inkomen he wat ik voor jullie doe. Ik zeg dat is liefdadigheid wat ik voor jullie doe.
[medeverdachte 8] : Ja inderdaad, want wat krijg je ervoor.
[telefoonnummer] : 50 euro, donder op, bij [verdachte] krijg ik altijd 150 euro.
[telefoonnummer] : Ja maar goed, ik weet dondersgoed wat ze allemaal verdienen joh.
[medeverdachte 8] : Kijk en ze stuurt het allemaal weer naar hem toe natuurlijk
[telefoonnummer] : En nou moet ik weer vouwen voor ze weet je wel.
28-12-2020
[medeverdachte 6] belt uit met [medeverdachte 8] .
[telefoonnummer] : Nou ik heb ook bonje gehad hoor met het werkfront. En gister moest ik vouwen. Ik kreeg gister om half 7 van [medeverdachte 2] die papiertjes om te vouwen ja. Heb ik gisteravond heb ik er 200 van 20, 200 van 25 en 100 van ehh 50 gemaakt. En ze zegt zo weinig.
1-01-2021
[medeverdachte 6] wordt gebeld door * [telefoonnummer]
: Ja want als ik met [verdachte] meereed in het weekend weet je wel, van 2 tot 5 uur sochtends, kreeg ik gewoon 150 a 200 euro he. En van [medeverdachte 1] maar 50.
[telefoonnummer] : Ik ga al zo lang met [verdachte] mee. Ik weet precies wat ze verdienen he.
15-02-2021
[telefoonnummer] belt uit met [telefoonnummer]
: Nou [verdachte] , [naam] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] en leveranciers opgepakt, de hele ketting is opgerold. Daar heb ik echt geluk gehad hoor, want ik heb ook een paar keer aan die telefoon gezet. Ja [verdachte] voelde het al aan, maar ja hij heeft dus niet al zijn klanten nummers heeft hij niet aan [naam] gegeven. Dus dat is mooi kut. Dus we kunnen ook niet verder. Het is gewoon klaar het hele feest. Het komt door die mensen dia aan zijn huis komen om zooi te halen. Maar goed tot die tijd dat ik geen inval heb zei ik tegen [naam] misschien dat wij dan savonds ff klanten in stand zien te houden een beetje gewoon deels. Dan hebben we in ieder geval wat extra geld. Ik vind wel apart dat ze met mij niets hebben gedaan, ik ben toch regelmatig aan het rijden voor ze dus. Mijn vriendengroep zaten in de cocaïne en die zijn allemaal opgepakt vandaag. Iedereen is opgepakt. [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] , ehh [verdachte] , allemaal inval gedaan vannacht.
Het telefoonnummer + [telefoonnummer] (* [telefoonnummer] ) werd gebruikt voor zakelijke gesprekken die betrekking hebben op het maken van afspraken en of ontmoetingen voor de verkoop van verdovende middelen. Er waren meerdere gebruikers van de dealerlijn, waaronder [medeverdachte 1] (het hof begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 1] ).Verdachte was na 15 januari 2021 ook de gebruiker van dit telefoonnummer.
17-01-2021
[verdachte] wordt gebeld door [naam] * [telefoonnummer]
[verdachte] ( [verdachte] ): Hé maat
[naam] : Yo maat
[verdachte] : Leef jij nog jongen
[naam] : Ja ik leef nog wat dan
[verdachte] : Ja ik hoor dat je al anderhalve maand niet geweest was
[naam] : Nee ja ik heb wel een paar keer geappt maar dan kwam er niemand en ik doe het niet heel veel meer
[verdachte] : Nee je haalt bij iemand anders hoor ik, dus dat is niet waar wat je nou zegt, eerlijk zijn tegen mij altijd, ik denk vraag wat er aan de hand is, ik ben terug uit Brazilië, ik hoorde het net , maar wie app jij dan, sms of appen
[naam] : Smsen
[verdachte] : En niemand reageerde
[naam] : Nee ook om 3 uur
[verdachte] : Wanneer gisteren
[naam] : Nee dat was niet gisteren, of ze komen laat
[verdachte] : Oké dan weet ik dat, ik ben net terug en ik denk wat is er aan de hand jongen, me maatje komt niet meer
[naam] : Niks aan de hand, maar of het kan lang duren
[verdachte] : Dus ze hebben het allemaal kut gedaan, helemaal slecht dus
[naam] . Ja, tenminste ik vind het niet best als het zo lang duurt
[verdachte] : maar wie was dat weet jij dat, wie er zo lang overdeed
[naam] : Nee, ja bijna allemaal wel een keer
[verdachte] : Dus dan belde je en dan was het uhh, maar er was niet iets anders aan de hand of zo want
dat moet ik weten
[naam] : Nee, daarna hebben we gewoon bij anderen gehaald
[verdachte] : Oké, maar het is niet dat iemand jou dat heb aangeboden of zo van i/i/ nl kant, niemand hè
[naam] : nee dat zeker niet man
[verdachte] : Oké, nou ja dan is het goed, ik ben gewoon terug nou dan weetje dat ja. Ik loop in elk geval zelf even, ik ben te lang weggeweest 6 maanden, dan gaan de muizen op tafel dansen, dus de pootjes moeten weer afgehakt worden.
Aantreffen drugs woning medeverdachte [medeverdachte 2]
Op maandag 15 februari 2021 werd in er in de woning, van medeverdachte [medeverdachte 2] aan de [adres] te [plaats] en de woning van zijn ouders aan de [adres] te [plaats] een doorzoeking gedaan. Daarbij werd in totaal een hoeveelheid van 25,66 gram cocaïne in de woning van medeverdachte [medeverdachte 2] in beslag genomen en een hoeveelheid van 27,2 gram cocaïne in de woning van zijn ouders.
Aantreffen drugs woning medeverdachte [medeverdachte 2]
Op 15 februari 2021 werden in de woning van verdachte, gelegen aan de [adres] te [plaats] , verdovende middelen aangetroffen. In de slaapkamer, op het bureau, werd een zakje met witte brokken/poeder aangetroffen. Uit onderzoek van de forensische opsporing is gebleken dat het in totaal (netto) 114 gram betrof. Het bleek te gaan om:
- AAOA1542NL = monster C: 4 zakjes niet wit poeder en brokjes 91,65 gram cocaïne;
- AAOA1534NL = monster D: 3 wikkels niet wit poeder en brokjes 0,63 gram cocaïne.
In de slaapkamer, op het bureau werden daarnaast 50 wikkels aangetroffen. Uit onderzoek van de wikkels bleek het te gaan om in totaal netto 16,76 gram cocaïne.
In de slaapkamer. in een kluis en/of een portemonnee, werd ook een contant geldbedrag aangetroffen van in totaal € 8.613,-.
Bewijsoverwegingen
Feit 2: Medeplegen van handel in harddrugs
Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode van 1 maart 2017 tot en met 15 februari 2021 tezamen en in vereniging met anderen, heeft gehandeld in harddrugs (cocaïne). Er zijn meerdere afnemers die in maart 2021 hebben verklaard al sinds vier jaar bij verdachte drugs te hebben afgenomen, en dat deze drugs zowel door verdachte zelf als door anderen werd bezorgd. De chatberichten met medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 6] in de periode oktober tot en met december 2019 bieden ondersteuning aan de verklaringen van de afnemers.
Het hof is bij de waardering van de getuigenverklaringen van afnemers [getuige 3] en [getuige 4] uitgegaan van hun verklaringen bij de politie. [getuige 3] en [getuige 4] hebben in hun politieverhoor heel concreet verklaard, onder meer wat betreft de beschrijving van het uiterlijk van de dealers, en de mindere kwaliteit van de drugs wanneer verdachte in Brazilië was. In die periodes namen volgens de getuigen medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] de zaken van verdachte waar, hetgeen ondersteund wordt door andere bewijsmiddelen. [getuige 3] is bij de rechter-commissaris deels teruggekomen op zijn verklaringen bij de politie en verklaart dat hij het zich niet kan herinneren. [getuige 4] is wel bij haar verklaring gebleven. Nu de bij de politie afgelegde verklaringen concreet zijn en worden ondersteund door andere bewijsmiddelen gaat het hof ervan uit dat de verklaringen van [getuige 3] en [getuige 4] in het eerste verhoor met de politie op waarheid berusten.
Het hof zal verdachte partieel vrijspreken van het handelen in cocaïne in de periode voor 1 maart 2017. Een bewezenverklaring van die periode zou alleen kunnen worden gebaseerd op de getuigenverklaring van afnemer [getuige 5] . Het hof overweegt ten aanzien van die getuigenverklaring dat deze geen steun vindt in overige bewijsmiddelen, en dat de verklaring zelf ook niet eenduidig is over de periode waarin hij bij verdachte cocaïne kocht. Daaruit kan dus geen concrete datum worden afgeleid waarop [getuige 5] voor het eerst drugs is gaan kopen bij verdachte. De verklaring van [getuige 5] alleen biedt onvoldoende basis om een langere dealperiode bewezen te achten.
Feit 1: Deelname (als leider) aan een criminele organisatie (artikel 11b Opiumwet)
Met betrekking tot de tenlastegelegde deelname aan een criminele organisatie met het oogmerk om misdrijven te plegen die in artikel 10 en 10a van de Opiumwet zijn omschreven, stelt het hof voorop dat voor een bewezenverklaring van dit feit ten eerste is vereist dat sprake is van een organisatie. Volgens vaste jurisprudentie betekent een organisatie: een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur tussen de verdachte en ten minste één andere persoon. Niet is vereist dat de verdachte heeft samengewerkt met alle andere personen van de organisatie, dat hij die kende of dat er steeds in dezelfde samenstelling werd samengewerkt (vgl. HR 22 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008: BB7134). Een organisatie is ‘crimineel’ als die organisatie het plegen van misdrijven als doel heeft, in dit geval het handelen in harddrugs. Van 'deelneming' aan een organisatie als bedoeld in artikel 11b Opiumwet kan slechts dan sprake zijn als verdachte behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in gedragingen dan wel gedragingen ondersteunt die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk is niet vereist dat vast komt te staan dat verdachte heeft samengewerkt met, of in ieder geval bekend is met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie, of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is. De deelneming moet voor verdachte op zichzelf worden beoordeeld.
Over het bestaan van een criminele organisatie, de structuur daarvan en de bijdrage van verdachte daaraan overweegt het hof als volgt.
Op grond van de feiten en omstandigheden als hiervoor omschreven concludeert het hof dat verdachte in de periode van 1 oktober 2019 tot en niet 15 februari 2021 samen met een of meerdere medeverdachten een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband vormde, welke organisatie tot oogmerk had het — kort gezegd — handelen in cocaïne.
Verdachte kan als leider van deze criminele organisatie worden aangemerkt.
Uit de Whatsapp-gesprekken tussen verdachte en medeverdachten [medeverdachte 3] , [medeverdachte 7] en [medeverdachte 6] , net als de getuigenverklaringen van de afnemers, volgt naar het oordeel van het hof duidelijk dat verdachte vanaf eind 2019 leiding gaf aan en instructies gaf voor de gezamenlijke handel in cocaïne. Uit de gesprekken met [medeverdachte 3] . [medeverdachte 7] en [medeverdachte 6] volgt dat zij door verdachte werden aangestuurd, dat zij ten dienste van hem stonden en dat zij onder zijn toezicht handelden in cocaïne. De getuigenverklaringen van de afnemers bieden ondersteuning aan dat beeld. De afnemers spreken over een groep personen die de drugs kwam brengen, en hebben verdachte en een aantal van zijn medeverdachten geïdentificeerd als personen uit die groep. Enkele afnemers wijzen verdachte aan als leider van de groep, en wanneer verdachte in het buitenland was moesten de afnemers 'het regelen' met medeverdachten. Uit de tapgesprekken volgt dat medeverdachte [medeverdachte 1] door verdachte is geïnstrueerd om zijn rol als leider van de criminele organisatie over te nemen wanneer hij in buitenland zat. Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft hieraan gevolg gegeven en medeverdachten aangestuurd door hen onder meer naar adressen van afnemers te sturen en opdracht te geven tot bevoorrading. Ook medeverdachte [medeverdachte 2] had op sommige momenten een aansturende rol. Zij hebben beiden zelf ook drugs rondgebracht. Uit de tapgesprekken volgt verder dat, wanneer verdachte terugkeerde uit het buitenland, hij de leiding weer overnam. Uit de tapgesprekken blijkt ook dat medeverdachten [medeverdachte 4] en [medeverdachte 6] een vaste rol hadden als `rijders', en dat zij door verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] werden aangestuurd. Zij kregen betaald voor het afleveren van de drugs door verdachte en — in zijn afwezigheid — door zijn zus, [medeverdachte 1] . Soms vouwden [medeverdachte 8] en [medeverdachte 6] ook ponypacks, die vervolgens door henzelf, of door een ander lid van de organisatie werden verkocht.
Veel van de afgetapte zogeheten `dealerlijnen', waarover verdachte heeft verklaard dat die van hem waren, waren ook in gebruik bij verschillende medeverdachten. Wanneer naar deze nummers werd gebeld kregen afnemers verdachte of een van de medeverdachten aan de telefoon, waarna zij drugs konden bestellen. Vervolgens kwamen verdachte of één of meerdere van zijn medeverdachten de drugs bezorgen. In getapte gesprekken is te horen dat medeverdachte [medeverdachte 2] zich voordoet als verdachte (' [verdachte] '), en wanneer er een nieuw dealnummer in gebruik werd genomen werd naar afnemers een algemeen sms-bericht gestuurd met (ongeveer) de tekst: “dit is mijn nieuwe nr., gr. [verdachte] .” Verdachte en zijn medeverdachten traden hierdoor naar buiten toe op als een (crimineel) samenwerkingsverband. Gelet op de bewijsmiddelen waren de leden zich bewust van dit samenwerkingsverband en hadden zij als doel het plegen van opiumwetmisdrijven, namelijk het dealen van harddrugs. Dit samenwerkingsverband was gelet op de frequentie waarmee werd gedeald en de periode waarin het bestond duurzaam. Gelet op de vaste samenwerkingsverbanden (al dan niet in wisselende samenstelling), de vele dealerlijnen die door meerdere verdachten werden bemand, de interne communicatie waaruit een patroon van aansturing door vaste personen blijkt, de vaste rol die bijvoorbeeld medeverdachten [medeverdachte 8] en [medeverdachte 6] hadden als 'rijders', was dit samenwerkingsverband ook gestructureerd. De enkele reële mogelijkheid dat verdachte en/of een of meerdere medeverdachten naast hun rol in dit criminele samenwerkingsverband ook zelfstandig handelde( n ) in drugs, doet aan het bestaan van en de deelname aan het criminele samenwerkingsverband niet af.
Op grond van de bewijsmiddelen en het hiervoor overwogene acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte als leider heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk had het handelen in harddrugs, als strafbaar gesteld in artikel 11b van de Opiumwet. Het onder feit 1 ten laste gelegde kan daarmee wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.
Feit 3 Bezit harddrugs
Het hof stelt vast dat op 15 februari 2021 in de woning van verdachte, gelegen aan de [adres] te [plaats] , in totaal 109,04 gram cocaïne werd aangetroffen. Daarmee is het bezit van cocaïne, zoals tenlastegelegd onder feit 3 wettig en overtuigend bewezen.
Feit 4: Witwassen contant geldbedrag
Het hof stelt vast dat niet is gebleken dat verdachte ten tijde van dan wel in de periode voorafgaand aan het moment van aantreffen van contant geld in zijn woning legale inkomsten had. Wel acht het hof bewezen dat verdachte in de periode maart 2017 tot de dag waarop het geldbedrag in zijn woning is aangetroffen samen met anderen handelde in harddrugs, en dat hij sinds oktober 2019 leiding gaf aan een criminele organisatie die dergelijk handelen tot oogmerk had. Het hof gaat er daarom van uit - nu er ook geen andere legale herkomst aannemelijk is geworden - dat het contante geldbedrag dat op 15 februari 2021 in de woning van verdachte is aangetroffen afkomstig is uit een door hemzelf gepleegd misdrijf, namelijk drugshandel. Het impliciet subsidiair ten laste gelegde eenvoudig witwassen van het in de tenlastelegging genoemde geldbedrag is daarmee wettig en overtuigend bewezen.
Bewezenverklaring
Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 16-013184-21 onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
Zaak met parketnummer 16-013184-21:
1.hij in of omstreeks de periode van 1 december 2019 tot en met 15 februari 2021 te [plaats] , gemeente [gemeente] , en/of [plaats] , althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten (onder andere) [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 6] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van een of meerdere hoeveelheden harddrugs, zijnde, althans, een of meer misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde, vierde, vijfde lid, 10a eerste lid, 11 derde, vijfde lid en/of 11a Opiumwet;
2.hij, op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 maart 2017 tot en met 15 februari 2021 te [plaats] , gemeente [gemeente] , en/of [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, een of meer (gebruikers)hoeveelheden, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
3.hij op of omstreeks 15 februari 2021 te [plaats] , gemeente [gemeente] opzettelijk aanwezig heeft gehad (ongeveer) 109,04 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
4.hij op of omstreeks 15 februari 2021 te [plaats] , gemeente [gemeente] , in ieder geval in Nederland, één of meer een voorwerp(en), te weten een geldbedrag ter hoogte van (ongeveer) 3750 euro, althans (een) geldbedrag(en), de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, althans heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op die/dat voorwerp(en), te weten voornoemd(e) geldbedrag(en), was of wie bovenomschreven voorwerp, te weten voornoemd(e) geldbedrag(en) voorhanden had
en/of
(telkens) één of meer voorwerpen(en) te weten een geldbedrag ter hoogte van (ongeveer) 3750 euro, althans (een) geldbedrag(en), heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten voornoemd(e) voornoemd(e) geldbedrag(en), gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het in de zaak met parketnummer 16-013184-21 onder 1 bewezenverklaarde levert op:
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, vierde lid, van de Opiumwet.
Het in de zaak met parketnummer 16-013184-21 onder 2 bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.
Het in de zaak met parketnummer 16-013184-21 onder 3 bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
Het in de zaak met parketnummer 16-013184-21 onder 4 bewezenverklaarde levert op:
eenvoudig witwassen.
Strafbaarheid van verdachte
Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.
Oplegging van straf
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Verdachte heeft een deel van het onvoorwaardelijke deel van de eerder door het hof opgelegde gevangenisstraf van 54 maanden al ondergaan en is in vrijheid gesteld op de dag dat hij voor voorwaardelijke invrijheidsstelling in aanmerking kwam. De advocaat-generaal wenst met de gevorderde straf te bewerkstelligen dat verdachte niet meer gedetineerd raakt om te beoordelen of hij opnieuw voor voorwaardelijke invrijheidsstelling in aanmerking komt.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om verdachte bij een bewezenverklaring van de feiten tot een straf te veroordelen zoals door de advocaat-generaal gevorderd.
Oordeel van het hof
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
Verdachte heeft leiding gegeven aan een criminele organisatie die zich bezighield met de handel in cocaïne. Hij stuurde dealers aan en gebruikte zijn woning als afhaal- en verkooplocatie van cocaïne. Wanneer verdachte in het buitenland was, zorgde hij ervoor dat de criminele organisatie actief bleef door onder meer zijn zus voor hem te laten waarnemen. Voordat verdachte als leider deel is gaan uitmaken van de criminele organisatie, heeft hij zich gedurende bijna vier jaar ook schuldig gemaakt aan het in vereniging dealen van cocaïne. Verdachte heeft met zijn handelen een groot aantal personen langdurig van verdovende middelen voorzien. Naast de benadeling van de gezondheid van de afnemers, heeft verdachte met zijn handelen een niet geringe bijdrage geleverd aan de instandhouding van de cocaïnehandel, en alle daarmee gepaard gaande gevaren voor de openbare orde en de maatschappelijke veiligheid. Verdachte heeft zich ook schuldig gemaakt aan het in bezit hebben van ongeveer honderd gram cocaïne, het witwassen van enkele duizenden euro's en het benaderen van een nog bij de rechter-commissaris te horen getuige, om die getuige te bewegen om zijn eerder afgelegde belastende verklaring in te trekken of aan te passen.
De bewezenverklaarde feiten laten zien dat verdachte gedurende een aantal jaren op illegale wijze zijn geld heeft verdiend. Verdachte heeft zich daarvoor lange tijd in een crimineel milieu begeven, waarin zijn rol gegroeid is van medepleger naar leider van een criminele organisatie. Daarnaast heeft verdachte door te proberen een getuige te beïnvloeden er blijk van gegeven er niet voor terug te deinzen schade toe te willen brengen aan een eerlijk strafproces.
Het hof houdt rekening met straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd. Voor de handel in harddrugs en het als leider deelnemen aan een criminele organisatie alleen al geldt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enige duur als uitgangspunt. Gelet op de lange periode waarin en de intensiteit waarmee verdachte heeft gehandeld in harddrugs, de leidinggevende rol die hij vervulde in een criminele organisatie, alsmede de beïnvloeding van een nog te door een rechter-commissaris te horen getuige, is het hof dan ook van oordeel dat alleen de oplegging van een langdurige vrijheidsbenemende straf passend is.
Uit het uittreksel van de Justitiële Documentatie van 19 augustus 2026 blijkt dat verdachte twee keer eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten die verband houden met de Opiumwet. Nu deze veroordelingen van al langere tijd geleden zijn, weegt het hof dit niet in strafverzwarende zin mee.
Het hof weegt bij de strafoplegging wel in strafverzwarende zin mee dat verdachte slechts gedeeltelijk verantwoordelijkheid heeft genomen voor de bewezenverklaarde feiten. De rol van verdachte is groter geweest dan hij zelf wil doen voorkomen.
In beginsel acht het hof de door de advocaat-generaal gevorderde straf passend.
Anders dan de advocaat-generaal verbindt het hof rechtsgevolgen aan het geconstateerde vormverzuim. Met het onderzoek aan de telefoon van verdachte is een inbreuk gemaakt op verdachte zijn persoonlijke levenssfeer, zonder dat voorafgaand daaraan de vereiste rechterlijke machtiging was gegeven. Vanwege dit verzuim zal het hof twee maanden gevangenisstraf op de op te leggen straf in mindering brengen.
Verder constateert het hof dat de redelijke termijn voor de behandeling van strafzaken gedurende de procedure bij de rechtbank en in de cassatiefase is overschreden. Vanwege de geringe overschrijding in die beide fasen van het proces volstaat het hof met de enkele constatering daarvan.
Alles afwegend komt het hof tot de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 46 maanden, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Verdachte heeft het onvoorwaardelijke deel van deze gevangenisstraf in voorarrest uitgezeten.
Beslag
De advocaat-generaal en de raadsman hebben geen opmerkingen gemaakt over het beslag.
Het hof overweegt dat de op de beslaglijst vermelde verdovende middelen en de weegschalen met wit poeder van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang. De verdovende middelen en de weegschalen worden daarom onttrokken aan het verkeer.
De zwarte en witte Nokia-telefoon en de iPhone XS worden verbeurd verklaard, omdat een of meer bewezenverklaarde feiten met behulp van deze telefoons zijn begaan. Ook de Toyota met kenteken [kenteken] , die op naam staat van medeverdachte [medeverdachte 6] , wordt verbeurd verklaard. Er is voldaan aan het bepaalde in artikel 33a, tweede lid en onder a Wetboek van Strafrecht.
Het slaapmedicijn, liet notitieblok, de overige telefoons, de usb-stick en micro-SD-kaart en de sleutel zullen worden teruggegeven aan de verdachte.
Wetsartikelen
De straffen en maatregel zijn gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36b, 36c, 47, 63, 285a en 420bis.1 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 11b van de Opiumwet.
Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 16-013184-21 onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het in de zaak met parketnummer 16-013184-21 onder 1, 2, 3 en 4 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 16-013184-21 onder 1, 2, 3 en 4 en in de zaak met parketnummer 16-033814-22 onder 1 bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 46 (zesenveertig) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 12 (twaalf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Verklaart de volgende voorwerpen verbeurd:
Verklaart de volgende voorwerpen onttrokken aan het verkeer:
Gelast de teruggave aan verdachte van de volgende voorwerpen:
Dit arrest is gewezen door mr. O.G. Schuur, mr. N .I.S. Boers en mr. F.J.W.M. Tas, in aanwezigheid van de griffier mr. B. van Leeuwen en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 16 oktober 2026.