[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 2009 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
[verdachte] , heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland.
Onderzoek van de zaak
Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 21 januari 2026 en wat er op de zitting bij de rechtbank besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat [verdachte] en zijn raadsvrouw, mr. M.R. Rauwerda, hebben aangevoerd.
Het vonnis waarvan beroep
De rechtbank heeft bij vonnis van 5 juni 2025, waartegen het hoger beroep is gericht, [verdachte] voor 2 pogingen tot afpersing en een overtreding van de Leerplichtwet 1969 veroordeeld tot 210 dagen jeugddetentie, met aftrek van het voorarrest, waarvan 72 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met oplegging van bijzondere voorwaarden. De bijzondere voorwaarden houden in dat [verdachte] :
Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste wijze heeft beslist. De bewijsverweren die in hoger beroep zijn gevoerd, zijn in de kern gelijk aan die bij de rechtbank naar voren zijn gebracht. Op grond van de bewijsmiddelen zoals die in het vonnis zijn uitgewerkt, kan wettig en overtuigend bewezen worden dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan 2 pogingen tot afpersing en een overtreding van de Leerplichtwet 1969 (spijbelen). Het hof zal dat deel van het vonnis bevestigen. Het hof komt tot een andere straf dan de rechtbank, dat deel van het vonnis zal dan ook worden vernietigd.
Oplegging van straf en/of maatregel
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat [verdachte] wordt veroordeeld tot 210 dagen jeugddetentie, met aftrek van voorarrest, waarvan 72 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met oplegging van bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad), met uitzondering van de gesloten plaatsing in [instelling 1] en de elektronische monitoring. Voor wat betreft de ITB Harde Kern heeft de advocaat-generaal gevorderd dat deze voor de duur van 3 maanden wordt opgelegd. Verder heeft de advocaat-generaal de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden gevorderd.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht dat [verdachte] wordt veroordeeld tot een straf gelijk aan de duur van het voorarrest, te weten 138 dagen jeugddetentie, en tot een voorwaardelijke werkstraf met een proeftijd van 1 jaar en met oplegging van bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad, met uitzondering van de ITB Harde Kern. Daartoe heeft zij aangevoerd dat [verdachte] zich de laatste tijd op een positieve manier heeft ontwikkeld en dat hij een kans verdient om te laten zien dat hij geen begeleiding (in de vorm van een ITB Harde Kern) meer nodig heeft.
Oordeel van het hof
Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
[verdachte] heeft zich op 15 december 2024 schuldig gemaakt aan 2 pogingen tot afpersing, waarbij hij heeft geprobeerd de slachtoffers onder bedreiging van een (nep)vuurwapen geld afhandig te maken. Door op deze manier te handelen heeft [verdachte] de slachtoffers veel angst aangejaagd en hen een gevoel van onveiligheid gegeven dat zij in de toekomst bij zich zullen blijven dragen. Ook heeft hij geen enkel respect getoond voor andermans eigendommen. Daarnaast heeft [verdachte] in de periode van 31 oktober 2023 tot en met 22 oktober 2024 gespijbeld van school, zonder dat daarvoor een geldige reden was.
Het hof heeft gelet op het strafblad van [verdachte] van 8 december 2025. Daaruit blijkt dat hij nog niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.
Het hof heeft ook gelet op het psychologische Pro Justitia-rapport van 3 april 2025, opgemaakt door GZ-psycholoog drs. [naam] . Uit het rapport blijkt dat bij [verdachte] sprake is van een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling. Er is sprake van ADHD-problematiek, een normoverschrijdende gedragsstoornis en een ongespecificeerde cannabisgerelateerde stoornis. Bij [verdachte] waren deze stoornissen aanwezig tijdens de pogingen tot afpersing. Hoewel de psycholoog geen inzicht heeft gekregen in de motieven van [verdachte] en een delictanalyse is uitgebleven, is de verwachting dat de psychische stoornissen van invloed zijn geweest op de gedragskeuzes en de gedragingen van [verdachte] op 15 december 2024. Daarbij heeft de psycholoog zich niet uitgelaten over de mate waarin de feiten aan [verdachte] kunnen worden toegerekend. Gelet op de inhoud van het Pro Justitia-rapport komt het hof - net als de rechtbank - tot de conclusie dat de pogingen tot afpersing in verminderde mate aan [verdachte] zijn toe te rekenen. Het hof zal hiermee rekening houden bij het bepalen van de straf. De kans op herhaling wordt door de psycholoog ingeschat als hoog. Om de kans op herhaling te verminderen wordt geadviseerd tot plaatsing in een jeugdzorgplus-instelling. [verdachte] is gebaat bij een kleinschalige en gestructureerde groep met een klein team dat voorspelbaar en consequent is, zodat hij kan werken aan zijn emotieregulatie- en ADHD-problematiek. Ook is [verdachte] gebaat bij individuele begeleiding. Indien de gesloten plaatsing goed verloopt, kan [verdachte] vanuit een strafrechtelijk traject gaan toewerken naar een besloten en open plaatsing. Door de psycholoog wordt geadviseerd om een voorwaardelijke straf op te leggen met bijzondere voorwaarden.
Verder heeft het hof gelet op het rapport van de Raad van 24 december 2025. Uit het rapport blijkt dat [verdachte] vanaf mei 2025 bij [instelling 1] verblijft en het verblijf moeizaam verloopt. Zo is hij 2 keer weggelopen (en uit zichzelf weer teruggekomen), waarbij onbekend is gebleven wat hij op dat moment deed. Ook zijn de doelen uit het behandelplan van [instelling 1] nog niet behaald omdat [verdachte] heeft aangegeven geen behandeling te willen. Daarnaast hebben zich meerdere incidenten voorgedaan waarbij [verdachte] verbale en/of fysieke agressie gebruikte en zich niet aan de regels hield. In oktober 2025 heeft de kinderrechter de machtiging tot plaatsing in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp verlengd tot 23 februari 2026. Op 17 februari 2026 zal er een nieuw beoordelingsmoment plaatsvinden.
Ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat sinds [verdachte] bij [instelling 1] in een één-op-één groep is geplaatst, waarbij er minder prikkels zijn, het een stuk beter met hem gaat. Naar eigen zeggen is er na de plaatsing in deze groep ‘een knop bij hem omgegaan’. Wat [verdachte] betreft mag de machtiging tot plaatsing in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp verlengd worden. Hij volgt therapie en gaat weer naar school. Ook heeft hij plannen voor de toekomst. De Raad ziet nog wel risico’s zodra [verdachte] meer vrijheden krijgt. Omdat de kans op een terugval dan groot is en omdat de positieve ontwikkeling van [verdachte] nog maar pril is, adviseert de Raad oplegging van een voorwaardelijk strafdeel met oplegging van bijzondere voorwaarden, inhoudende dat [verdachte] :
Daarnaast heeft de Raad geadviseerd tot dadelijke uitvoerbaarheid van de hiervoor genoemde bijzondere voorwaarden.
Tot slot heeft het hof bij het bepalen van de straf gekeken naar welke straffen meestal door rechters worden opgelegd voor soortgelijke strafbare feiten. Dit staat in de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (hierna: LOVS).
Het hof is van oordeel dat vanwege de ernst van de feiten, oplegging van jeugddetentie op zijn plaats is. Vanwege de tijd die [verdachte] al in voorarrest heeft doorgebracht en de LOVS-oriëntatiepunten zal het hof een jeugddetentie van kortere duur opleggen dan door de advocaat-generaal is gevorderd, namelijk een straf die gelijk is aan het voorarrest, te weten 138 dagen jeugddetentie. Het hof is van oordeel dat dit een passende en noodzakelijke bestraffing is. Daarnaast zal het hof aan [verdachte] een voorwaardelijke werkstraf opleggen voor de duur van 60 uren, bij niet voldoen te vervangen door 30 dagen jeugddetentie. Deze voorwaardelijke straf is bedoeld om [verdachte] ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken. Het hof verbindt aan deze voorwaardelijke werkstraf een proeftijd van 2 jaren en de hierna vermelde bijzondere voorwaarden, waaronder de ITB Harde Kern voor de duur van 3 maanden. De reden dat het hof deze bijzondere voorwaarden en (langere) proeftijd oplegt, is omdat de kans op herhaling als hoog wordt ingeschat en de positieve ontwikkeling van [verdachte] nog pril is. Dit maakt ook dat het hof de dadelijke uitvoerbaarheid van de hiervoor genoemde bijzondere voorwaarden zal bevelen. Het hof vindt het in het belang van [verdachte] en zijn positieve ontwikkeling dat deze voorwaarden meteen ingaan. Het hof acht de ITB Harde Kern noodzakelijk, omdat [verdachte] nog een belangrijke en mogelijk moeilijke stap moet zetten naar meer vrijheden, minder structuur en minder begeleiding. Het is belangrijk dat [verdachte] met zijn begeleiders een vertrouwensband opbouwt en dat iemand anders (de jeugdreclasseringsmedewerker) in de gaten houdt of [verdachte] de regels wel goed nakomt en gemaakte afspraken goed nakomt. Via ITB Harde Kern kan de jeugdreclassering daar meer tijd aan besteden. Als het goed gaat met [verdachte] , hij zich goed laat begeleiden en hij zich goed aan de regels houdt, dan kan het aantal contactmomenten minder worden en zal [verdachte] minder ‘last’ van deze intensieve vorm van toezicht hebben.
Wetsartikelen
De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 2 en 26 van de Leerplichtwet 1969 en de artikelen 45, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg en 317 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de door de rechtbank opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 138 (honderdachtendertig) dagen.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen jeugddetentie.
Bepaalt dat de werkstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn/haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dat noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich bij beëindiging van de gesloten plaatsing bij [instelling 1] binnen zeven dagen meldt bij de gecertificeerde [instelling 2] te [plaats] , aan [adres 2] en dat hij zich vervolgens gedurende de proeftijd zal blijven melden zo lang en zo vaak als deze instelling dat nodig vindt.
Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde aansluitend aan de gesloten plaatsing bij [instelling 1] in het kader van reclasseringstoezicht gedurende drie maanden zijn medewerking verleent aan het toezicht van en de begeleiding door de jeugdreclassering in het kader van Intensieve Trajectbegeleiding Harde Kern (ITB Harde Kern).
Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich, gedurende de proeftijd of zoveel korter als de jeugdreclassering nodig vindt, onder behandeling zal stellen van [instelling 1] of een soortgelijke instelling, zulks ter beoordeling van de jeugdreclassering. De veroordeelde houdt zich daarbij aan de regels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling.
Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde aansluitend aan de gesloten plaatsing bij [instelling 1] gedurende de proeftijd of zoveel korter als de jeugdreclassering nodig vindt, meewerkt aan de hulp die de jeugdreclassering nodig acht.
Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde gedurende de proeftijd, of zoveel korter als de jeugdreclassering nodig vindt, geen drugs en alcohol gebruikt en meewerkt aan controle daarop door middel van urinecontroles.
Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde gedurende de proeftijd onderwijs volgt of een andere dagbesteding heeft, zulks ter beoordeling van de jeugdreclassering.
Beveelt dat voormelde voorwaarde(n) en het uit te oefenen reclasseringstoezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.
Geeft opdracht aan [instelling 2] te [plaats] tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde(n) en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door mr. H.J. Deuring, mr. J.A.M. Kwakman en mr. L. Pieters, in aanwezigheid van de griffier mr. A.M.J. Flach en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 4 februari 2026.