ECLI:NL:GHARL:2026:6662

ECLI:NL:GHARL:2026:6662

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 15-10-2026
Datum publicatie 16-10-2026
Zaaknummer P25/380
Rechtsgebied Strafrecht; Penitentiair strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Omzetting PIJ-maatregel in tbs (art. 6:6:33 Sv)? Het hof beslist tot afwijzing van de vordering van het openbaar ministerie (OM) tot omzetting van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (PIJ-maatregel) in de maatregel van terbeschikkingstelling (tbs). De wetgever heeft de omzetting van de PIJ-maatregel in een tbs slechts voor ogen gehad in uitzonderlijke gevallen waarbij sprake is van een zeer recidivegevaarlijke adolescent. Daarbij gaat het volgens de wetgever om een adolescent met zeer ernstige psychische problematiek, wat in de regel gepaard gaat met ernstige agressieregulatiestoornissen. Ondanks de zorgen die er zijn over de jeugdige, kan naar het oordeel van het hof niet worden vastgesteld dat de jeugdige een dergelijke zeer recidivegevaarlijke adolescent is. Dit betekent dat de hoge drempel die voor een omzetting van een PIJ-maatregel naar een terbeschikkingstelling geldt, naar het oordeel van het hof niet wordt gehaald.

Uitspraak

Overwegingen

Tussenbeslissing van 12 maart 2026

Het hof heeft op 12 maart 2026 een tussenbeslissing gewezen. Daarin heeft het hof opdracht gegeven tot een (kort gezegd) aanvullend onderzoek naar de jeugdige, te verrichten door twee door het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP), aan te wijzen externe gedragsdeskundigen, een psychiater en een psycholoog, gespecialiseerd op het gebied van zeden- en persoonlijkheidsproblematiek. Die opdracht heeft geleid tot het gezamenlijke rapport van psychiater Smallenburg en psycholoog Gaertner van 31 juli 2026. Daarnaast heeft het hof in die tussenbeslissing de opdracht gegeven om (nadat de psychiater en psycholoog gerapporteerd hebben) een aanvullend rapport te laten opstellen door de reclassering. Deze opdracht heeft geleid tot het reclasseringsadvies van 17 augustus 2026.

Het standpunt van de jeugdige

Het hof heeft bij tussenbeslissing van 12 maart 2026 opdracht gegeven een onderzoek te verrichten door een psychiater en een psycholoog met een specialisatie op het gebied van onder meer zedenproblematiek. Psychiater Smallenburg is echter naar eigen zeggen een generalist en dus geen specialist op dit terrein. De psychiater heeft ter zitting namelijk verklaard algemeen te zijn opgeleid en niet specifiek op het gebied van zedenproblematiek.

De omzetting van de PIJ-maatregel in een terbeschikkingstelling is de zwaarste beslissing die tegen een jeugdige kan worden genomen, zo blijkt ook uit de parlementaire geschiedenis. De belangrijkste reden voor de vordering tot omzetting lijkt het incident dat in maart 2023 heeft plaatsgevonden in de bioscoop. De jeugdige heeft dat incident zelf gemeld, bij een mentor die hij vertrouwde. Op zijn telefoon zijn toen naaktfoto’s aangetroffen. De jeugdige wordt verweten veel stiekem te doen, maar als dat zou kloppen, zou hij dit incident niet hebben gemeld. Naar aanleiding van dat incident is zijn verlof stilgelegd, wat goed te begrijpen is, en is zijn telefoon de kluis ingegaan. Niet goed te begrijpen is dat daarna geen aangepaste behandeling is ingezet.

In 2024 is na een gedragskundig onderzoek geconcludeerd dat mogelijk het behandelplafond bereikt was en dat alle mogelijkheden in de jeugdinrichting zijn benut. Onder druk van de rechtbank is toen het verlof weer opgestart om het traject vlot te trekken. Een van de verlofvoorwaarden was dat de jeugdige een telefoon had. Zijn telefoon is toen weer uit de kluis gehaald en gecontroleerd. Daarop zijn de foto’s aangetroffen en mocht dat verlof niet doorgaan.

De rapporteurs van het PBC stellen in hun rapport van 23 september 2025 dat kinderpornografisch materiaal is aangetroffen op de telefoon van de jeugdige, terwijl de behandeling al zes of zeven jaar liep. Bij die stelling hoort een kanttekening, want uit de behandelaantekeningen blijkt weliswaar dat naaktfoto’s op die telefoon zijn aangetroffen, maar uit die aantekeningen blijkt niet duidelijk wat op die foto’s te zien is. Ook kan op basis van die informatie niet worden gesteld dat de foto’s die bij die controle zijn aangetroffen kort daarvóór op die telefoon zijn gezet, aangezien niet duidelijk is of het gaat om andere foto’s dan die al waren aangetroffen in 2023.

Wat betreft behandeling van de jeugdige is in 2023 niet gedaan wat nodig was, terwijl toen al het nodige bekend was over de aanwezigheid van persoonlijkheidsproblematiek. Er is onvoldoende gehandeld naar de toen geldende wetenschappelijke inzichten en er zijn onvoldoende inspanningen verricht om de behandeling vlot te trekken.

Volgens rapporteurs Smallenburg en Gaertner is beveiligingsniveau 4 noodzakelijk voor het benodigde risicomanagement, maar het is niet duidelijk waarop dat is gebaseerd. De benodigde controles op digitaal apparaatgebruik kunnen ook plaatsvinden in beveiligingsniveau 1 of zelfs in een ambulant kader, als voorwaarde te verbinden aan de voorwaardelijke beëindiging van de PIJ-maatregel. Ook op het gebied van risico-inschatting is dat rapport vaag. De risico’s die genoemd worden, halen niet de drempel die in de wet wordt genoemd. Van extreem gevaar en onvermijdelijke recidive blijkt niet.

Concluderend heeft de raadsman bepleit dat het hof zal beslissen tot vernietiging van de beslissing van de rechtbank en tot afwijzing van de vordering van het openbaar ministerie die strekt tot het omzetten van de PIJ-maatregel in de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege. Indien het hof overweegt de beslissing van de rechtbank te bevestigen, wordt verzocht om nader onderzoek door een andere, nog te benoemen psychiater die gespecialiseerd is in zedenproblematiek, alsmede om de reclassering dan opnieuw te laten onderzoeken waar de jeugdige terecht zou kunnen in het geval van een afwijzing van de vordering tot omzetting en wat dan de mogelijkheden zijn voor de benodigde controles op het gedrag van de jeugdige.

Het standpunt van het openbaar ministerie

Het openbaar ministerie had ter zitting van 26 februari 2026 al het standpunt ingenomen dat is voldaan aan alle voorwaarden voor omzetting van de PIJ-maatregel in een terbeschikkingstelling met verpleging. Toen volgde een tussenbeslissing waarin het hof opdracht gaf tot aanvullend onderzoek naar de jeugdige. Dat heeft geleid tot het rapport van psychiater Smallenburg en psycholoog Gaertner, die adviseren tot omzetting van de PIJ-maatregel in een terbeschikkingstelling met verpleging. Dat advies verstevigt de onderbouwing van het standpunt dat het openbaar ministerie op de vorige zitting heeft ingenomen. Dat standpunt wordt gehandhaafd. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot bevestiging van de beslissing van de rechtbank.

De advocaat-generaal heeft zich verzet tegen toewijzing van het verzoek van de raadsman tot een aanvullend onderzoek naar jeugdige, te verrichten door een psychiater die gespecialiseerd is in zedenproblematiek. De raadsman heeft onvoldoende onderbouwd dat psychiater Smallenburg onvoldoende deskundig zou zijn om het onderzoek te verrichten waartoe het hof opdracht had gegeven.

Overwegingen van het hof

Verzoeken tot nader onderzoek

Het hof begrijpt dat de verzoeken tot nader onderzoek door de raadsman zijn gedaan onder de voorwaarde dat het hof op basis van het huidige dossier niet beslist tot afwijzing van de vordering tot omzetting van de PIJ-maatregel in een terbeschikkingstelling. Die voorwaarde wordt – zoals hierna wordt toegelicht – niet vervuld, zodat het hof aan een beoordeling van die verzoeken niet toekomt.

Vernietiging beslissing rechtbank

Het hof vernietigt de beslissing van de rechtbank. Anders dan de rechtbank beslist het hof tot afwijzing van de vordering van het openbaar ministerie tot het omzetten van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (PIJ-maatregel) in de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege. Deze beslissing wordt als volgt onderbouwd.

Oplegging PIJ-maatregel

Bij vonnis van 31 oktober 2019 heeft de rechtbank Noord-Nederland de jeugdige de PIJ-maatregel opgelegd voor ‒ kort gezegd ‒ een gewoonte maken van het vervaardigen en in bezit hebben van kinderporno en het opzettelijk bewegen van minderjarigen tot ontuchtige handelingen door misleiding.

Verloop PIJ-maatregel

De tenuitvoerlegging van de PIJ-maatregel is aangevangen op 15 november 2019. Op 23 maart 2020 is de jeugdige opgenomen in [jeugdinrichting] (hierna: de jeugdinrichting). Daar heeft het grootste deel plaatsgevonden van de tenuitvoerlegging van de PIJ-maatregel. De maatregel is een aantal keer verlengd, voor het laatst bij beslissing van 28 mei 2025 van de rechtbank Noord-Nederland. Toen is de maatregel verlengd met 200 dagen tot een totale duur van zeven jaar, wat wettelijk de maximale duur van de maatregel is. Door die verlenging zou het onvoorwaardelijke deel van de maatregel eindigen op 13 november 2025. Op 1 oktober 2025 heeft het openbaar ministerie een vordering ingediend tot omzetting van de PIJ-maatregel in de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege.

Beoordelingskader

Bij de beoordeling van een vordering tot omzetting van de PIJ-maatregel in een terbeschikkingstelling geldt het wettelijke criterium dat de rechter de vordering kan toewijzen als de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen de omzetting in een terbeschikkingstelling eist (artikel 6:6:33, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv)).

Voorwaarden voor de omzetting

Het hof stelt vast dat aan een aantal voorwaarden voor omzetting van de PIJ-maatregel in een terbeschikkingstelling is voldaan. De PIJ-maatregel is verlengd tot de maximale duur van zeven jaren (artikel 6:6:33 eerste lid Sv).

Ook is voldaan aan de eisen van artikel 37a, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) (artikel 6:6:33, tweede lid Sv). Bij de jeugdige bestond ten tijde van het feit waarvoor de PIJ-maatregel is opgelegd een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Verder betreffen de door de rechtbank Noord-Nederland in het vonnis van 31 oktober 2019 bewezenverklaarde feiten, feiten waarvoor de maatregel van terbeschikkingstelling kan worden opgelegd. Het gaat immers om misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld.

Verder beschikt het hof over met redenen omklede adviezen van ten minste twee gedragsdeskundigen van verschillende disciplines, waaronder een psychiater, die de jeugdige hebben onderzocht en over de stukken als bedoeld in artikel 6:6:33 vijfde lid Sv.

Noodzaak voor de omzetting

Vervolgens dient het hof te beoordelen of de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen de omzetting van de PIJ-maatregel in een terbeschikkingstelling eist.

Het hof stelt voorop dat een dergelijke omzetting een ingrijpende beslissing is. De op opvoeding en ontwikkeling gerichte PIJ-maatregel is wezenlijk anders van karakter dan de terbeschikkingstelling. Bovendien heeft de omzetting tot gevolg dat een vrijheidsbeneming die op jonge leeftijd is begonnen nog lang, zelfs onbeperkt kan voortduren. De terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege kent immers geen wettelijke beperking in duur als die is opgelegd voor een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen (artikel 38e, eerste lid, Sr). Daar is bij een omzetting per definitie sprake van, omdat alleen bij zo een misdrijf de PIJ-maatregel tot de maximale duur kan worden verlengd (artikel 6:6:31, derde lid, Sv).

De wetgever is zich bewust geweest van de zwaarte van deze beslissing. Volgens de wetgever is de omzetting dan ook bedoeld voor jeugdigen die ‘nog steeds zeer recidivegevaarlijk’ zijn en waarbij wordt aangenomen ‘dat bij invrijheidstelling onvermijdelijk recidive zal volgen’. Dit zal slechts in ‘uitzonderlijke gevallen’ aan de orde zijn (Kamerstukken II 2012/13, 33498, nr. 3, p. 40). In alle andere gevallen, zo begrijpt het hof, blijft de situatie zoals die was voorafgaand aan de invoering van de omzettingsmogelijkheid. De PIJ-maatregel loopt dan na de maximale verlenging af en de jeugdige krijgt een nieuwe kans conform de uitgangspunten van het jeugdstrafrecht.

Bij de beoordeling van een vordering tot omzetting van de PIJ-maatregel in een terbeschikkingstelling dient de rechter dus na te gaan of de jeugdige op het moment van die beoordeling lijdt aan een stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens en of van de jeugdige een zodanig groot gevaar uitgaat dat dit de omzetting naar terbeschikkingstelling rechtvaardigt. Daarin is begrepen een toets op de proportionaliteit en subsidiariteit van die omzetting.

Bij de vaststelling van het recidiverisico dient in dat verband niet alleen gekeken te worden naar de hoogte van het risico, maar ook naar de aard van het gevaar, de omstandigheden waaronder en de termijn waarop zich dit gevaar naar verwachting zal verwezenlijken. Verder kan in het geheel van de afweging enige betekenis toekomen aan de inspanningen die de Staat heeft geleverd om de jeugdige te behandelen.

Advies Pieter Baan Centrum (PBC)

De jeugdige is van 22 april 2025 tot 11 juli 2025 opgenomen geweest in het PBC voor een gedragskundig onderzoek. Op basis daarvan hebben psychiater M.D. van Ekeren en psycholoog M.D. Beijer-Holtman op 23 september 2025 een rapport uitgebracht over de jeugdige.

De rapporteurs beschrijven dat zij in hun onderzoek de persoonlijkheidsproblematiek van de jeugdige nader konden onderzoeken en specificeren, wat ertoe leidt dat thans twee verschillende persoonlijkheidsstoornissen dienen te worden vastgesteld, namelijk een narcistische persoonlijkheidsstoornis en een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Daarnaast is sprake van borderline trekken in de persoonlijkheid. Tevens is, blijkens de hoge score op de PCL-r, sprake van een hoge mate van psychopathische trekken bij de jeugdige.

Wat betreft de seksualiteit kan volgens de onderzoekers het volgende worden gezegd:

“[I]n eerdere onderzoeken is steeds vastgesteld dat er onvoldoende zicht gekomen is op de seksualiteitsbeleving van [de jeugdige]. Op grond van het huidig onderzoek kan op basis van de collaterale informatie worden gezegd dat er meer zicht is gekomen op [het] seksueel gedrag [van de jeugdige], maar niet op de onderliggende seksuele drijfveren, waarover hij ‒ ondanks vele pogingen van onderzoekers daartoe ‒ niets met onderzoekers heeft willen delen. (…) Evenmin is duidelijk geworden of er sprake is van ‘seks als coping’ bij het omgaan met (afgeweerde) spanningen of onlustgevoelens van welke aard dan ook. Derhalve wordt in classificerende zin (…) gesproken van een ongespecificeerde parafiele stoornis.”

De onderzoekers concluderen dat in het onderzoek geen primair agressiegestoorde jongeman wordt gezien. Er is geen sprake van een agressief gedragspatroon. De kern van de problematiek van [de jeugdige] ligt niet in agressie, maar meer in de persoonlijkheidsproblematiek en seksualiteit. Aldus kan het onderzoekend team geen uitspraak doen over het risico van toekomstig geweld in bredere zin op basis van gedragskundige argumenten voortkomend uit de stoornissen van de jeugdige.

De rapporteurs concluderen dat een statistisch bepaald risico op seksueel gewelddadige recidive niet kan worden berekend. Dit geldt zowel voor de Static-99R als de Stable-2007.

Het rapport houdt verder in:

“Op grond van de Stable-2007 (die dynamische veranderbare risicofactoren in kaart brengt) komen (…) de volgende zorgelijke factoren naar voren:

Er is een gebrek aan (positieve en negatieve) sociale contacten en [de jeugdige] heeft geen stabiele relatie. Er is een emotionele identificatie met kinderen in die zin dat [de jeugdige] zich erkend en bevestigd voelt bij jonge meisjes en niet bij volwassenen. (…) Er is sprake van sociale afwijzingen en eenzaamheid (…), zijn probleemoplossingsvaardigheden schieten tekort (…), er is sprake van negatieve emotionaliteit en vijandigheid (…). [G]ezien [het] gedrag [van de jeugdige] op de ESP-afdeling zijn er aanwijzingen dat er sprake is van seksuele preoccupatie en seksuele deviantie, er is geen sprake van samenwerking met toezichthouders (…).

Indien bovenstaande risicofactoren, in samenhang met een klinische analyse van de huidige problematiek worden geanalyseerd, dan komt er een hoog risico op seksuele recidive naar voren.

Naast de bovengenoemde zorgelijke factoren dient nog een aantal bijkomende factoren te worden genoemd: afgaande op wat [de jeugdige] vertelt is het voor hem moeilijk leeftijden in te schatten. Er is sprake van beperkte emotieregulatievaardigheden. [De jeugdige] heeft een tamelijk dwingende contactname waarbij hij volwassenen weet te overrompelen, laat staan kinderen. [De jeugdige] is egocentrisch, heeft een gebrekkige empathie en schuift de toch al gebrekkige gewetensfuncties gemakkelijk terzijde. Alles samennemend is er sprake van een hoog risico op recidive van seksuele delicten, waarbij het des te zorgelijker wordt geacht dat [de jeugdige] dit grensoverschrijdend gedrag ook laat zien, terwijl hij verblijft in een setting waar hij behandeld wordt op een ESP-afdeling en (bijna) voortdurend onder toezicht staat. (…)

Een voortzetting van het gedwongen kader is blijvend van belang teneinde seksuele recidive te voorkomen. De verwachting is dat de behandeling van [de jeugdige] complex en langdurig zal zijn en kan alleen vorm gegeven worden indien het huidig PIJ-kader wordt omgezet in [een] tbs-kader.”

De rapporteurs hebben geadviseerd om de PIJ-maatregel om te zetten in een terbeschikkingstelling.

Advies jeugdinrichting

In haar adviesrapport van 20 oktober 2025 heeft de jeugdinrichting geconcludeerd dat het kader van de PIJ-maatregel niet toereikend is gebleken voor de jeugdige. Dat kader, in het bijzonder de tijdelijkheid daarvan, bood onvoldoende mogelijkheden om te komen tot bewerking van de problematiek van de jeugdige. Er is sprake geweest van het voortzetten van risicogedrag binnen het kader van de PIJ-maatregel. Omdat de aanwezige persoonlijkheidsstoornissen een lange behandelduur hebben, is een langdurig gedwongen en veilig kader nodig. Ook is er nog onvoldoende inzicht in de seksuele problematiek. Voor het bereiken van een zekere mate van behandelbereidheid bij de jeugdige worden meerdere jaren nodig geacht. Het recidiverisico, in het bijzonder wat betreft seksuele delicten, wordt ingeschat als onverminderd hoog als de PIJ-maatregel eindigt en dat gepaard gaat met het wegvallen van ondersteuning, toezicht en controle. Voortzetting van intensieve, langdurige, intramurale zorg en behandeling, binnen een in eerste instantie gedwongen veilig kader waarbinnen controle en toezicht aanwezig zijn, wordt noodzakelijk geacht.

Ter zitting van 26 februari 2026 heeft deskundige [naam 2] namens de jeugdinrichting dit advies gehandhaafd.

Advies psychiater Smallenburg en psycholoog Gaertner

Naar aanleiding van de opdracht van het hof in de tussenbeslissing van 12 maart 2026 hebben psychiater L.C.S. Smallenburg en psycholoog W.J.P. Gaertner een onderzoek verricht naar de jeugdige. Op basis daarvan hebben de psychiater en psycholoog gezamenlijk een rapport uitgebracht op 31 juli 2026.

Wat betreft de aanwezigheid van een stoornis hebben de rapporteurs het volgende geconcludeerd:

“Binnen onderhavig onderzoek wordt de diagnostiek zoals deze door het PBC is gesteld, in grote lijnen bevestigd. Weliswaar wordt er classificerend niet gesproken van twee afzonderlijke persoonlijkheidsstoornissen maar zowel onderzoekend psychiater als psycholoog komen uit op cluster B-persoonlijkheidsproblematiek. In DSM-5-TR classificerende zin stellen zowel de psychiater als de psycholoog een antisociale-persoonlijkheidsstoornis met narcistische kenmerken. Tevens is het vermoeden dat er sprake is van een verhoogde mate van psychopathie. Zowel onderzoekend psychiater als psycholoog zien op basis van alle collaterale informatie opvallende seksuele gedragingen en achten het waarschijnlijk dat er sprake is van een parafiele stoornis. Echter deze blijft wat betreft onderzoekers niet met zekerheid in DSM-5-TR-classificerende zin te stellen. (Meer) zicht op (seksuele) drijfveren en motivaties is uitgebleven. Benadrukt wordt dat het noch aantonen noch uitsluiten van een seksuele stoornis niet samenhangt met de expertise van voormalige of huidige onderzoekers noch behandelaars. Het benadrukt wel de ernst van de persoonlijkheidspathologie met tal van primaire afweermechanismen. Zoals ook in het PBC-rapport genoteerd, zien onderzoekers noodzaak om de seksuele problematiek nader te specificeren tijdens een verder behandeltraject, en daarbij onder meer vast te stellen in welke mate er sprake is van ‘seksuele coping’ bij de afweer van emoties of andersoortige seksuele motieven. Daarnaast kan het behandeltraject nader specificeren of het zoeken van contacten met jonge meisjes ook voortkomt uit een bij de persoonlijkheidsproblematiek passende behoefte aan erkenning, bevestiging en/of opportunisme, en/of behoefte aan dominantie. Tot slot dient opgemerkt te worden dat het ook tot de mogelijkheden behoort dat [de jeugdige] informatie (deels) weghoudt vanuit een procespositie in onderhavig onderzoek.”

Over het recidiverisico rapporteren de deskundigen dat zij inschatten dat het risico op toekomstig geweld laag is, maar dat het risico op seksuele delicten met minderjarige meisjes zoals bij de indexdelicten, hoog is wanneer de PIJ-maatregel nu zou eindigen. De jeugdige heeft gedurende zijn behandeling binnen de jeugdinrichting delictgerelateerd gedrag laten zien en is bekend met het vertonen van heimelijk gedrag.

Gezien het beloop tot nu toe en de responsiviteit die tot op heden nihil is gebleken, verwachten de onderzoekers net zoals het PBC-team dat de behandeling van de jeugdige complex en langdurig zal zijn. Een hoog beveiligingsniveau (niveau 4) wordt noodzakelijk geacht om zowel de behandeling als het risicomanagement vorm te kunnen geven. Alleen op dat beveiligingsniveau kan voldoende controle geboden worden waardoor de schijnaanpassing doorbroken kan worden.

Concluderend hebben de rapporteurs geadviseerd tot omzetting van de PIJ-maatregel in een terbeschikkingstelling met verpleging.

Advies reclassering

De reclassering heeft in het kader van deze zaak adviezen uitgebracht op 14 oktober 2025, 9 februari 2026 en 17 augustus 2026. Daarin heeft de reclassering geconcludeerd dat een voorwaardelijke beëindiging van de PIJ-maatregel, bestaande uit een klinische behandeling en vervolgens begeleid wonen, niet uitvoerbaar is en niet het benodigde kader biedt om langdurig te kunnen werken aan vermindering van de kans op recidive.

Oordeel hof

De PIJ-maatregel is opgelegd voor misdrijven die de jeugdige heeft gepleegd in de periode van 1 oktober 2018 tot en met 19 maart 2019. In die periode was hij 15 of 16 jaar oud. In maart 2019 is de jeugdige aangehouden in verband met die strafbare feiten. Sindsdien is sprake van vrijheidsbeneming op grond van voorarrest of de huidige PIJ-maatregel. Die vrijheidsbeneming duurt op dit moment dus al 7,5 jaar.

Over het gevaar dat van de jeugdige uitgaat, overweegt het hof het volgende.

De PIJ-maatregel is opgelegd voor seksuele misdrijven met minderjarige meisjes. Dat waren delicten waarbij de jeugdige niet zelf fysiek seksueel contact heeft gehad met de slachtoffers (zogenoemde ‘hands-off-delicten’). Alhoewel het hof oog heeft voor de zorgen die de diverse rapporteurs over de jeugdige uiten, dient het hof een afweging te maken tussen de belangen van de jeugdige en die van de maatschappij. Dat de omzetting van een PIJ-maatregel naar een terbeschikkingstelling met verpleging van overheidsweg een zeer ingrijpende beslissing is, weegt daarbij zwaar.

Het hof stelt vast dat gedurende de PIJ-maatregel geen sprake is geweest van strafrechtelijke veroordelingen of vervolgingen. Wel wordt gerapporteerd over incidenten die kunnen worden aangemerkt als gerelateerd aan de misdrijven waarvoor de PIJ-maatregel is opgelegd. Zo zou het behandelteam in maart 2023 signalen hebben ontvangen over mogelijk (seksueel) contact tussen de jeugdige en een minderjarig meisje. Naar aanleiding van die signalen is de jeugdige hierover bevraagd en hij heeft daarover verteld dat hij met een ‒ naar hem later bleek ‒ meisje van dertien jaar oud naar de bioscoop is gegaan en dat zij hem daar oraal heeft bevredigd. Daarnaast heeft de jeugdige toegegeven dat op zijn telefoon foto’s stonden van het betreffende meisje met ontbloot bovenlichaam, evenals foto’s van haar geslachtsdelen. Bij een controle van de telefoon van de jeugdige zijn foto’s gezien van een meisje/jonge vrouw met ontbloot bovenlichaam. Er is geen aangifte gedaan van dit incident, zodat de precieze feiten en omstandigheden van het voorval niet zijn komen vast te staan. Er zijn in ieder geval geen aanwijzingen dat de jeugdige bij dat incident gebruik heeft gemaakt van geweld of het meisje op een andere manier heeft gedwongen tot die seksuele handelingen.

In 2024 zijn bij een telefooncontrole, die is gedaan bij het opnieuw opstarten van begeleid verlof, vermoedelijk kinderpornografische afbeeldingen/video’s aangetroffen op de telefoon van de jeugdige. De precieze aard en omvang hiervan is ook niet vast komen te staan. Door de deskundige van de jeugdinrichting is ter zitting van het hof op 26 februari 2026 verklaard dat hij niet weet of dit dezelfde afbeeldingen zijn als die ten tijde van het incident met het meisje in 2023 in de telefoon van de jeugdige zijn aangetroffen. Het blijft dus onduidelijk of het nieuwe kinderpornografische afbeeldingen betreft of de afbeeldingen die reeds in 2023 op de telefoon van de jeugdige zijn aangetroffen.

Zowel de PBC-rapporteurs (psychiater Van Ekeren en psycholoog Beijer-Holtman) als de jeugdinrichting en psychiater Smallenburg en psycholoog Gaertner zijn gekomen tot de inschatting dat er een hoog risico is op recidive van seksuele delicten. Het rapport van psychiater Smallenburg en psycholoog Gaertner houdt specifiek in dat er een hoog risico is op recidive in soortgelijk delictgedrag als het indexdelict. Het risico op geweld wordt door die rapporteurs ingeschat als laag. De PBC-rapporteurs hebben in verband met geweldgebruik door de jeugdige gerapporteerd dat geen sprake is van een agressief gedragspatroon en dat de kern van zijn problematiek niet gelegen is in agressie.

Bij deze inschattingen van het recidiverisico op seksuele delicten zijn de rapporteurs uitgegaan van de door de jeugdinrichting gerapporteerde incidenten uit maart 2023. Zij zijn daarbij ‒ zo begrijpt het hof ‒ ook uitgegaan van hernieuwde kinderpornografie op de telefoon van de jeugdige in 2024.

Het hof stelt vast dat de incidenten uit maart 2023 en uit 2024 in algemene zin zijn beschreven en er nog veel onduidelijkheid bestaat over de precieze toedracht van de feiten. Dat wil niet zeggen dat het hof geen recidiverisico aanwezig acht, maar de mate van dit risico is hierdoor moeilijker vast te stellen.

Gelet op de verstrekkende en ingrijpende gevolgen voor de jeugdige van een beslissing om de omzetting van de PIJ-maatregel in een terbeschikkingstelling te gelasten, acht het hof het niet verantwoord om een dergelijke omzetting te baseren op incidenten waarvan onvoldoende vast is komen te staan wat er precies is gebeurd en onder welke omstandigheden.

Zonder te beschikken over nadere informatie over deze incidenten, zoals een aangifte en/of andere informatie uit politieonderzoek, kan naar het oordeel van het hof niet worden aangenomen dat het onvermijdelijk is dat de jeugdige opnieuw tot (seksueel) delictgedrag zal vervallen. De wetgever heeft de omzetting van de PIJ-maatregel in een terbeschikkingstelling slechts voor ogen gehad in uitzonderlijke gevallen waarbij sprake is van een zeer recidivegevaarlijke adolescent. Daarbij gaat het volgens de wetgever om een adolescent met zeer ernstige psychische problematiek, wat in de regel gepaard gaat met ernstige agressieregulatiestoornissen. Van dat laatste is volgens de onderzoekers geen sprake. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen kan het hof, ondanks de zorgen die er zijn, niet vaststellen dat de jeugdige een dergelijke zeer recidivegevaarlijke adolescent is. Dit betekent dat de hoge drempel die voor een omzetting van een PIJ-maatregel naar een terbeschikkingstelling geldt, naar het oordeel van het hof niet wordt gehaald.

Concluderend beslist het hof tot afwijzing van de vordering van het openbaar ministerie tot omzetting van de PIJ-maatregel in een terbeschikkingstelling.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt de beslissing van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Leeuwarden, van 11 november 2025 met betrekking tot [de jeugdige] .

Wijst af de vordering van het openbaar ministerie tot het omzetten van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (PIJ-maatregel) in de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege.

Aldus gedaan door

mr. M. Keppels, voorzitter,

mr. A.H. Garos en mr. M.J. Vos, raadsheren,

drs. I. van Outheusden en dr. E.L.M. Klein Haneveld, raden,

in tegenwoordigheid van mr. D. van der Geld, griffier,

en op 15 oktober 2026 in het openbaar uitgesproken.

Mr. Garos en de raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. M. Keppels
  • mr. A.H. Garos
  • mr. M.J. Vos

Griffier

  • mr. D. van der Geld

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand