GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
ZITTINGSPLAATS LEEUWARDEN
Raadkamernummer: 000844-26
Parketnummer eerste aanleg: 16-142012-26
12 oktober 2026
Voorlopige hechtenis
Blijkens de akte van de griffier van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad , van
21 september 2026 is namens:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
thans verblijvende in de P.I. [locatie P.I.] ,
hoger beroep ingesteld van de beschikking van voormelde rechtbank d.d. 17 september 2026,
waarbij het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis is afgewezen.
Het hof heeft gezien de beschikking, waarvan beroep.
Voorafgaand aan de zitting heeft het hof de gewenste wijze van behandeling afgestemd met de raadsman van verdachte, mr. A.J. Admiraal, advocaat te Amsterdam. De raadsman heeft aangegeven dat hijzelf fysiek ter zitting aanwezig zal zijn en dat verdachte via videoverbinding ter zitting aanwezig wenst te zijn.
Het hof heeft gehoord de advocaat-generaal, de verdachte (via videoverbinding) en zijn raadsman.
Overwegingen
Standpunt verdediging:
De raadsman stelt zich op het standpunt dat het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis toegewezen dient te worden, zodat verdachte in een andere zaak een onherroepelijk opgelegde straf uit kan zitten.
Standpunt advocaat-generaal:
De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis dient te worden afgewezen. Schorsing ten behoeve van het uitzitten van een andere straf is in beginsel mogelijk, maar alleen als er sprake is van bijzondere persoonlijke omstandigheden. Hiervan is niet gebleken. In onderhavige zaak zijn ernstige feiten ten laste gelegd: geweldshandelingen en een poging tot doodslag. Bovendien liep verdachte nog in een proeftijd.
Oordeel van het hof:
Het hof is van oordeel, dat de rechtbank in de beschikking, waarvan beroep, op juiste gronden heeft geoordeeld en beslist, zodat het hoger beroep zal worden afgewezen en de beroepen beschikking zal worden bevestigd.
Artikel 1:4 van de Regeling tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (hierna: de Regeling) bepaalt wat de volgorde van de tenuitvoerlegging van straffen is. Daaruit volgt dat de tenuitvoerlegging van de voorlopige hechtenis voorgaat op de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf. Artikel 1:9 van de Regeling bepaalt dat van de executievolgorde kan worden afgeweken als uit een persoonsgerichte beoordeling volgt dat dit bijdraagt aan een persoonsgerichte invulling van de tenuitvoerlegging. De toelichting op artikel 1:9 van de Regeling houdt in dat slechts in uitzonderlijke gevallen kan worden besloten om van de volgorde af te wijken. Dat betekent dat een verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis voor het uitzitten van een onherroepelijke gevangenisstraf alleen in uitzonderlijke gevallen kan worden toegewezen. Bij de beoordeling van een dergelijk verzoek worden de persoonlijke belangen van de verdachte afgezet tegen het belang om de bestaande executievolgorde te handhaven. Bij de afweging van die belangen spelen verschillende factoren een rol, waaronder de veiligheid van de samenleving, de belangen van slachtoffers en nabestaanden en de resocialisatie van de verdachte. Dat volgt uit de toelichting op artikel 1:9 van de Regeling waarin verwezen wordt naar artikel 6:1:3 Wetboek van Strafvordering. In dit verband verdient opmerking dat het schorsen van de voorlopige hechtenis voor het uitzitten van een onherroepelijk opgelegde gevangenisstraf in zijn algemeenheid niet zelden gepaard gaat met een aantal zwaarwegende praktische bezwaren, die in voorkomende gevallen ook (maatschappelijk ongewenste) risico’s met zich kunnen brengen. Omdat alleen in uitzonderingsgevallen van de executievolgorde kan worden afgeweken, moeten de belangen van de verdachte zwaarwegend zijn om een wijziging in de volgorde te kunnen rechtvaardigen. Zoals de omstandigheid dat een verdachte bij het uitzitten van een onherroepelijke gevangenisstraf in een ander en wellicht voor verdachte gunstiger regime terecht komt dan wanneer hij in voorlopige hechtenis zit, naar het oordeel van het hof niet zonder meer een dergelijk zwaarwegend persoonlijk belang is, is ook de door de verdediging aangevoerde omstandigheid dat verdachte in dat geval in hetzelfde regime kan blijven, dat niet. Het hof neemt bij de beoordeling van het verzoek tot schorsing ook de jurisprudentie van het EHRM ten aanzien van het zogenoemde subsidiariteitsbeginsel in aanmerking.
Beslissing
Het gerechtshof,
beschikkende in hoger beroep:
bevestigt de beschikking, waarvan beroep.
Aldus gewezen op 12 oktober 2026 door mr. T.H. Bosma als voorzitter, mrs. W. Foppen en G.A. Versteeg, in tegenwoordigheid van mr. L. Dijkman als griffier, en ondertekend door de voorzitter en de griffier voornoemd.