[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,
op dit moment vanwege een andere strafzaak verblijvende op [forensisch psychiatrische afdeling] .
Hoger beroep
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank.
Onderzoek van de zaak
Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat is besproken op de zitting van het hof van 29 januari 2026 en op de zitting van de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat is aangevoerd door de verdachte en zijn raadsman, mr. F. Ben-Saddek.
Vonnis rechtbank
De rechtbank heeft bewezen verklaard dat de verdachte aangeefster [slachtoffer] door geweld heeft gedwongen tot het dulden van een aantal ontuchtige handelingen, namelijk het vastpakken van de aangeefster en het (over de kleding) betasten van haar buik, borsten en billen. De rechtbank heeft dat feit juridisch gekwalificeerd als feitelijke aanranding van de eerbaarheid.
De rechtbank heeft de verdachte voor dat feit veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar en met (naast de algemene voorwaarde) een aantal bijzondere voorwaarden.
Oordeel hof
Het hof bevestigt het vonnis van de rechtbank met overneming van gronden wat betreft de bewezenverklaring, de juridische kwalificatie van het bewezenverklaarde en de strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de verdachte. In zoverre is het hof van oordeel dat de rechtbank op de juiste wijze en op goede gronden heeft beslist.
Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank wat betreft de opgelegde gevangenisstraf. In zoverre doet het hof opnieuw recht. Net als de rechtbank legt het hof een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf op, maar de duur daarvan verschilt van de gevangenisstraf die de rechtbank heeft opgelegd. Daarnaast verbindt het hof andere bijzondere voorwaarden aan het voorwaardelijke strafdeel dan de rechtbank.
Oplegging van straf
Standpunt advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf van 12 maanden (met aftrek van de duur van het voorarrest), waarvan 7 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar, met de bijzondere voorwaarden die zijn geadviseerd door de reclassering.
Standpunt verdachte
De raadsman heeft bepleit dat het hof de duur van de onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal beperken tot de duur van het voorarrest en dat het hof daarnaast een taakstraf en voorwaardelijke gevangenisstraf zal opleggen, met de bijzondere voorwaarden die zijn geadviseerd door de reclassering. Ter onderbouwing van dit standpunt is aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat het huidige behandel- en resocialisatietraject kan worden voortgezet, wat bijdraagt aan de stabiliteit van de verdachte en daarmee aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Oordeel hof
Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan aanranding van een voor hem onbekende vrouw. De aanranding vond plaats toen het slachtoffer in het centrum van Nijmegen ‘s nachts alleen naar huis liep. De verdachte heeft haar achtervolgd, kwam naast haar lopen, begon tegen haar te praten en blokkeerde haar looprichting. Vervolgens pakte de verdachte haar stevig vast om haar middel en betastte haar borsten en billen. Toen de aangeefster zich losmaakte, heeft de verdachte haar op de grond geduwd. Met dit seksueel geweld heeft de verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en het seksuele zelfbeschikkingsrecht van de aangeefster. De situatie moet voor de aangeefster zeer beangstigend zijn geweest. Bovendien heeft zij door het geweld lichamelijk letsel opgelopen.
Het hof is van oordeel dat dit feit zodanig ernstig is dat daarop in beginsel moet worden gereageerd met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden. Met de combinatie van een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf, zoals bepleit door de raadsman, zou onvoldoende recht worden gedaan aan de ernst van het feit. Wel is het hof van oordeel dat er redenen zijn om de gevangenisstraf gedeeltelijk voorwaardelijk op te leggen. Die redenen zijn kort gezegd dat daarmee recht wordt gedaan aan de verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte en dat een voorwaardelijk strafdeel (met bijzondere voorwaarden) naar verwachting zal bijdragen aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten door de verdachte. Dit wordt hierna verder toegelicht.
Uit het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 22 december 2025 (hierna te noemen: strafblad) blijkt dat de verdachte de afgelopen jaren meerdere geweldsmisdrijven heeft gepleegd, zowel vóór als na dit feit. Op 9 februari 2024 is de verdachte door de politierechter in de rechtbank Rotterdam veroordeeld voor (onder meer) een mishandeling met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg, gepleegd op 28 november 2023. Vervolgens is de verdachte op 14 oktober 2024 door de rechtbank Rotterdam veroordeeld voor een poging tot zware mishandeling, gepleegd op 2 juni 2024. In die laatste zaak heeft de rechtbank Rotterdam een gevangenisstraf opgelegd van 200 dagen waarvan 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. Aan het voorwaardelijke strafdeel heeft de rechtbank een aantal bijzondere voorwaarden verbonden, waaronder een klinische behandeling. Uit het strafblad blijkt dat de verdachte gedetineerd is geweest van 4 juni 2024 tot en met 21 november 2024.
Uit het adviesrapport van [de reclassering] van 16 januari 2026 blijkt dat de verdachte sinds zijn vrijlating in november 2024 in een kliniek verblijft, aanvankelijk in een forensisch psychiatrische kliniek (FPK) en vervolgens op een forensisch psychiatrische afdeling (FPA). Over de psychische gesteldheid van de verdachte houdt dat reclasseringsrapport onder meer in dat bij de verdachte sprake is van chronische psychiatrische problematiek, waaronder een verstandelijke beperking. Uit dat rapport blijkt verder dat op 27 augustus 2024 een rapport is opgemaakt naar aanleiding van psychologisch onderzoek naar de verdachte (in het kader van een andere strafzaak), met daarin de volgende passage:
“Bij betrokkene is sprake van een combinatie van pathologie; een posttraumatische stressstoornis (PTSS), een psychotische stoornis/kwetsbaarheid en verslavingspathologie in de vorm van een stoornis in het gebruik van alcohol en cocaïne[.] (…) Betrokkene had, buiten de traumatisering (PTSS), frustraties en teleurstellingen in het leven, veel stress en problemen doordat hij uit de opvang was gezet en op straat zwierf. Als gevolg van betrokkenes gebrekkige coping is hij niet in staat deze problemen op een adequate wijze het hoofd te bieden en het lukt hem niet om tot adequate oplossingen te komen. In een poging de oplopende stress en problemen het hoofd te bieden gebruikt betrokkene -passend bij zijn alcohol- en drugsverslaving- middelen, hetgeen als een gemankeerd copingmechanisme dient te worden beschouwd bij betrokkene. Het is bij betrokkene bekend dat de combinatie van de psychiatrische ontregeling (PTSS/psychosegevoeligheid), de sociaal-maatschappelijke problematiek en zijn drugs-/alcoholgebruik leidt tot een zeer gebrekkige beheersing van zijn impulsen/agressie waardoor het komt tot acting-out in de brede zin van het woord en daarmee tot delictgedrag. Dit lijkt nu ook aan de hand te zijn geweest, ondanks dat niet exact te achterhalen is wat zich nu precies heeft afgespeeld (…) Betrokkene was aldus onvoldoende in staat om zijn gedrag op een meer gezonde wijze bij te sturen en andere gedragskeuzes te maken. Vanuit deze redenatie adviseert onderzoeker om betrokkene vanuit gedragskundig oogpunt het ten laste gelegde (…) in verminderde mate toe te rekenen. Hierbij dient te worden opgemerkt dat betrokkene dus wel weet wat de nadelige gevolgen zijn van zijn gebruik, maar hij is door zijn pathologie onvoldoende in staat om nog in volledige vrijheid over zijn middelengebruik te kunnen beschikken[.]”
Hoewel dat psychologisch onderzoek is verricht in een andere strafzaak en het rapport ruim twee jaar na het bewezenverklaarde is opgemaakt, is het hof van oordeel dat de weergegeven bevindingen ook van toepassing zijn op deze strafzaak. Mede gelet op het chronische karakter van de psychiatrische problematiek, de wijze waarop de verdachte is beschreven door de aangeefster (op basis van zijn manier van praten en lopen leek hij wel onder invloed van alcohol of drugs) en de opmerking in het reclasseringsrapport dat de verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde dakloos was en financiële problemen had, is naar het oordeel van het hof in voldoende mate komen vast te staan dat de in het rapport van 27 augustus 2024 genoemde combinatie van psychiatrische problematiek, sociaal-maatschappelijke problematiek en drugs-/alcoholgebruik in meer of mindere mate ook aanwezig was ten tijde van het bewezenverklaarde, en een negatieve invloed had op de mate waarin de verdachte toen in staat was zijn gedrag bij te sturen en betere gedragskeuzes te maken. Het hof verbindt hieraan de conclusie dat het bewezenverklaarde in verminderde mate aan de verdachte moet worden toegerekend, omdat ten tijde van het bewezenverklaarde bij de verdachte sprake van een psychische stoornis en/of verstandelijke handicap waardoor de verdachte in verminderde mate in staat was te handelen in overeenstemming met zijn begrip van de wederrechtelijkheid van het bewezenverklaarde. Zoals eerder overwogen, houdt het hof hiermee rekening door een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen.
Over het verloop van de klinische behandeling houdt het reclasseringsrapport in dat de verdachte die positief heeft afgerond. De verdachte is in afwachting van doorstroming naar een passende woonvoorziening. Mede door recent middelengebruik (van alcohol in september 2025 en van qat in december 2025) wordt die doorstroming bemoeilijkt, omdat de verdachte door een instelling voor beschermd wonen is geaccepteerd onder de voorwaarde dat hij gedurende een halfjaar geen verdovende middelen heeft gebruikt. Op die twee incidenten na heeft de verdachte zich gehouden aan de voorwaarden. Geweldsincidenten hebben zich niet voorgedaan.
Het hof overweegt dat de positieve afronding van de klinische behandeling en de aanzienlijke periode zonder geweldsincidenten erop duiden dat de verdachte het afgelopen jaar een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt, wat ook gunstig is met het oog op het voorkomen van nieuwe strafbare feiten. Daarbij plaatst het hof wel de kanttekening dat de reclassering inschat dat er een hoge kans is op agressief gedrag als de verdachte terugvalt in middelengebruik. Mede daarom heeft de reclassering geadviseerd het huidige toezicht voort te zetten, door opnieuw een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf op te leggen met een proeftijd van 3 jaar en met een aantal bijzondere voorwaarden, waaronder een ambulante behandeling, verblijf in een voorziening voor begeleid wonen of maatschappelijk opvang en een verbod op het gebruik van alcohol en drugs (met controles op de naleving daarvan). Het hof neemt dat advies van de reclassering volledig over en verbindt aan het voorwaardelijke strafdeel de bijzondere voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd.
Het hof is zich ervan bewust dat de tenuitvoerlegging van (het onvoorwaardelijke deel van) de op te leggen gevangenisstraf het huidige behandel- en resocialisatietraject kan verstoren. Het kan bijvoorbeeld meebrengen dat de verdachte dan inmiddels is doorgestroomd naar een voorziening voor begeleid wonen en daar zijn plek verliest als gevolg van zijn detentie. Het door de raadsman genoemde gevaar van destabilisatie die gepaard gaat met een toename van het recidiverisico, wordt naar het oordeel van het hof echter voldoende ondervangen doordat er na de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf nog steeds toezicht en ondersteuning zullen zijn voor de verdachte. Dat kader is gebaseerd op het lopende reclasseringstoezicht in andere strafzaken, dat na die periode van detentie wordt hervat, en/of op de bijzondere voorwaarden die het hof in deze strafzaak stelt. In beginsel zal de verdachte na zijn detentie vanuit de penitentiaire inrichting (PI) geplaatst worden in een voorziening voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang. Voor het geval de reclassering en/of het openbaar ministerie (al dan niet op basis van het functioneren van de verdachte in detentie) meent dat de stap van de PI naar begeleid wonen te groot is en dat het wenselijk is dat de verdachte na zijn detentie opnieuw wordt opgenomen in een forensische kliniek, wijst het hof op de mogelijkheid van het openbaar ministerie om te vorderen dat de voorwaarden worden gewijzigd.
In deze strafzaak is de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM in hoger beroep aangevangen met het instellen van hoger beroep door verdachte op 26 januari 2024. Het hof doet uitspraak op 12 februari 2026. Er is daarom sprake van een overschrijding van de redelijke termijn van ongeveer een halve maand. Gelet op deze beperkte overschrijding volstaat het hof met de enkele constatering van de termijnoverschrijding.
Alles overziende veroordeelt het hof de verdachte tot een gevangenisstraf van 12 maanden (met aftrek van de duur van het voorarrest), waarvan 7 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar en met (naast de algemene voorwaarde) de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering in het adviesrapport van 16 januari 2026. Met deze straf beoogt het hof een goede balans te vinden tussen enerzijds recht doen aan de ernst van het bewezenverklaarde en de verminderde toerekening daarvan aan de verdachte, en anderzijds bijdragen aan het voorkomen van nieuwe door verdachte te plegen strafbare feiten.
Wetsartikelen
De straf die het hof oplegt is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 63 en 246 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis van de rechtbank ten aanzien van de straf en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 7 (zeven) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte:
‒ zich voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of
‒ gedurende de proeftijd ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of
‒ gedurende de proeftijd geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht daaronder begrepen, of
‒ gedurende de proeftijd de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.
Stelt de volgende bijzondere voorwaarden.
1. Meldplicht bij reclassering
De verdachte meldt zich op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen de verdachte zich zal melden. De eerste keer meldt de verdachte zich binnen vijf werkdagen nadat de proeftijd is ingegaan. De verdachte meldt zich dan bij [de reclassering] .
2. Ambulante behandeling
De verdachte laat zich behandelen door een GGZ-instelling, te bepalen door de reclassering. Die behandeling duurt zolang de reclassering die behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op verdachtes psychische problematiek, verslavingsproblematiek, sociale vaardigheden en seksueel grensoverschrijdend gedrag. De verdachte houdt zich aan de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek van de verdachte kan het innemen van medicijnen een onderdeel zijn van de behandeling.
3. Begeleid wonen of maatschappelijke opvang
De verdachte verblijft in een voorziening voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang. De reclassering bepaalt welke voorziening dat zal zijn. Dat verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de woonvoorziening in overleg met de reclassering opstelt.
4. Drugsverbod en controles
De verdachte gebruikt geen verdovende middelen (drugs), tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Deze voorwaarde geldt onder meer voor cocaïne, cannabis en qat, maar ook voor alle andere middelen die worden genoemd op lijst I of lijst II van de Opiumwet. Ook geldt deze voorwaarde voor substanties die deel uitmaken van de stofgroepen die worden genoemd op lijst Ia van de Opiumwet. Met het oog op de naleving van deze voorwaarde zal de verdachte meewerken aan controles op het gebruik van drugs. Mogelijke controlemiddelen zijn urineonderzoek, ademonderzoek (blaastest) en een speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak wordt gecontroleerd en welk controlemiddel wordt ingezet.
5. Alcoholverbod
De verdachte gebruikt geen alcohol, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Met het oog op de naleving van deze voorwaarde zal de verdachte meewerken aan controles op het gebruik van alcohol. Mogelijke controlemiddelen zijn urineonderzoek, ademonderzoek (blaastest) en een speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak wordt gecontroleerd en welk controlemiddel wordt ingezet.
6. Dagbesteding
De verdachte spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.
Geeft [de reclassering] de opdracht tot het houden van toezicht op de naleving van die bijzondere voorwaarden en om de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Bevestigt het vonnis van de rechtbank voor het overige.
Dit arrest is gewezen door mr. N.I.S. Boers, mr. K. Gilhuis en mr. I.C.E. Draisma, in aanwezigheid van de griffier mr. D. van der Geld en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 12 februari 2026.