ECLI:NL:GHARL:2026:681

ECLI:NL:GHARL:2026:681

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 12-02-2026
Datum publicatie 05-02-2026
Zaaknummer 21-002330-23
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Arnhem
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBGEL:2023:2514

Samenvatting

Deelneming aan groepsgeweld op een plein in Doetinchem, waarbij de verdachte een van de slachtoffers met een koevoet tegen het hoofd heeft geslagen. Het hof legt de volgende straffen op: - een gevangenisstraf van 92 dagen waarvan 90 dagen voorwaardelijk en - een taakstraf van 200 uur. Daarnaast legt het hof de verdachte een betalingsverplichting op ter vergoeding van de schade van beide slachtoffers. Aanverwante vonnissen: - ECLI:NL:RBGEL:2023:2511 (mededader 3) - ECLI:NL:RBGEL:2023:2512 (mededader 1) - ECLI:NL:RBGEL:2023:2513 (mededader 2)

Uitspraak

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,

wonende op [adres] .

Hoger beroep

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat is besproken op de zitting van het hof van 29 januari 2026 en op de zitting van de rechtbank.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.

Ook heeft het hof kennisgenomen van wat is aangevoerd door de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. F.S. Baardman.

Verder heeft het hof kennisgenomen van wat is aangevoerd door mr. B. Pernot, advocaat van [benadeelde partij 1] .

Vonnis rechtbank

De rechtbank heeft bewezen verklaard dat de verdachte openlijk en in vereniging met anderen geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 1] , terwijl het door de verdachte gepleegde geweld zwaar lichamelijk letsel voor [benadeelde partij 1] tot gevolg heeft gehad.

De rechtbank heeft dat feit juridisch gekwalificeerd als openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl dat geweld zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

De rechtbank heeft de verdachte voor dat misdrijf veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Verder heeft de rechtbank beslist op de vorderingen van benadeelde partij [benadeelde partij 2] en benadeelde partij [benadeelde partij 1] . De rechtbank heeft beide vorderingen gedeeltelijk toegewezen, bepaald dat de toegewezen bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente en telkens de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

Oordeel hof

Het hof bevestigt het vonnis van de rechtbank met overneming van gronden wat betreft de bewezenverklaring, de juridische kwalificatie van het bewezenverklaarde en de strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de verdachte. In zoverre is het hof van oordeel dat de rechtbank op de juiste wijze en op goede gronden heeft beslist.

Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank wat betreft de gevangenisstraf en de beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen (telkens inclusief de schadevergoedingsmaatregel). In zoverre doet het hof opnieuw recht. Anders dan de rechtbank beperkt het hof de duur van het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf tot de duur van het voorarrest. Daarnaast legt het hof een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf op.

De redenen voor het vernietigen van de beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen komen telkens aan bod bij de behandeling van de betreffende vordering.

Oplegging van straf

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof dezelfde straf zal opleggen als de rechtbank, met in aanvulling daarop een contactverbod met betrekking tot zowel aangever [benadeelde partij 2] als aangever [benadeelde partij 1] .

Standpunt verdachte

De raadsvrouw heeft bepleit dat – als het hof tot een bewezenverklaring komt – een taakstraf in dit geval passend is.

Oordeel hof

De verdachte heeft samen met een aantal anderen geweld gepleegd tegen twee personen. Daarbij heeft de verdachte zelf met een koevoet geslagen tegen het hoofd van aangever [benadeelde partij 1] , die daardoor zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Daarmee heeft de verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangever [benadeelde partij 1] . Daar komt bij dat de geweldshandelingen plaatsvonden op een plein in Doetinchem, waardoor ook toevallige voorbijgangers daarmee werden geconfronteerd. De verdachte heeft dus ook bijgedragen aan een verstoring van de openbare orde. De verdachte was zelf niet de initiatiefnemer tot het geweld, maar heeft er dus wel een kwalijke bijdrage aan geleverd.

Het hof heeft kennisgenomen van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie (ook wel strafblad genoemd) van 22 december 2025. Daaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Het strafblad bevat ook geen aantekeningen die erop duiden dat de verdachte na het bewezenverklaarde opnieuw met de politie of justitie in aanraking is gekomen.

Binnen de rechtspraak zijn oriëntatiepunten ontwikkeld voor de straftoemeting, met als doel het bevorderen van een consistent landelijk straftoemetingsbeleid. Die oriëntatiepunten kunnen dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de op te leggen straf. Het oriëntatiepunt voor deelneming aan openlijke geweldpleging die voor (een van) de slachtoffers zwaar lichamelijk letsel tot gevolg heeft gehad, is een gevangenisstraf van 6 maanden. Naar het oordeel van het hof zou dat ook in dit geval een passende straf zijn, op basis van de ernst van het bewezenverklaarde.

Bij het opleggen van de straf houdt het hof echter ook rekening met het aanzienlijke tijdverloop sinds het bewezenverklaarde, dat ruim 5,5 jaar geleden heeft plaatsgevonden. Artikel 6 van het EVRM schrijft voor dat een strafzaak wordt behandeld binnen een redelijke termijn. Het hof stelt vast dat dit voorschrift in hoger beroep niet is nageleefd. Dit arrest wordt namelijk gewezen nadat 2 jaar en 9 maanden zijn verstreken sinds het hoger beroep is ingesteld, terwijl er geen omstandigheden zijn die rechtvaardigen dat de behandeling van de zaak langer dan 2 jaar heeft geduurd. Ook de behandeling van de zaak door de rechtbank heeft meer dan 2 jaar geduurd nadat de redelijke termijn is aangevangen door de inverzekeringstelling van de verdachte. Anders dan de raadsvrouw is het hof echter van oordeel dat de behandeling van de zaak door de rechtbank niet onredelijk lang heeft geduurd, gegeven de getuigenverhoren die na de aanvang van het onderzoek op de terechtzitting nog zijn verricht op verzoek van de verdediging.

Het hof compenseert die overschrijding van de redelijke termijn door de duur van het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf te beperken tot de duur van het voorarrest. Daarnaast heeft het hof in aanmerking genomen dat er geen aanwijzingen zijn dat de verdachte in die periode sinds het bewezenverklaarde opnieuw in aanraking is gekomen met de politie of justitie. Verder heeft het hof in aanmerking genomen dat de verdachte tijdens het bewezenverklaarde pas 19 jaar oud was en in de periode daarna een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt op maatschappelijk gebied, door een zorgopleiding af te ronden.

Alles overziende veroordeelt het hof de verdachte tot:

‒ een gevangenisstraf van 92 dagen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, en

‒ een taakstraf van 200 uur.

Het hof is van oordeel dat deze combinatie van een (grotendeels) voorwaardelijke gevangenisstraf en een omvangrijke taakstraf voldoende recht doet aan de ernst van het bewezenverklaarde. Met de voorwaardelijke gevangenisstraf brengt het hof niet alleen die ernst van het feit tot uitdrukking, maar beoogt het hof ook te voorkomen dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt. In dat geval riskeert de verdachte namelijk dat de voorwaardelijke gevangenisstraf alsnog ten uitvoer wordt gelegd.

Rekening houdend met het zogenoemde taakstrafverbod (als bedoeld in artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht) bevat de op te leggen gevangenisstraf een onvoorwaardelijk deel dat gelijk is aan de duur van het voorarrest.

Contactverbod m.b.t. [benadeelde partij 1]

Het hof verbindt aan de voorwaardelijke gevangenisstraf de voorwaarde dat de verdachte geen direct en/of indirect contact zal leggen of laten leggen met [benadeelde partij 1] , ook niet via social media. Ter onderbouwing hiervan overweegt het hof dat [benadeelde partij 1] in zijn slachtofferverklaring in hoger beroep (uitgesproken door zijn advocaat) heeft laten weten dat in november 2025 opnieuw een incident heeft plaatsgevonden met de verdachte. [benadeelde partij 1] zegt daarover zich toen zeer bedreigd te hebben gevoeld. Ook de verdachte heeft op de zitting van het hof verklaard dat hij [benadeelde partij 1] toevallig tegenkwam (bij een tankstation) en dat toen een akkefietje plaatsvond.

Vordering van [benadeelde partij 2]

heeft zich in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding tot het bedrag van € 4.145,-. De rechtbank heeft de vordering toegewezen tot het bedrag van € 1.125,-. Voor het overige heeft de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.

Het hof is niet gebleken dat de benadeelde partij in hoger beroep de volledige vordering wenst te handhaven. Dit brengt mee dat de vordering in hoger beroep deel uitmaakt van het strafproces voor zover de vordering door de rechtbank is toegewezen.

De vordering bestaat in hoger beroep nog uit de volgende onderdelen.

Oordeel hof

Het hof vernietigt de beslissing van de rechtbank op de vordering van de benadeelde partij, omdat het hof op andere gronden tot dezelfde beslissing komt wat betreft de omvang van de immateriële schade. Daarnaast beslist het hof anders dan de rechtbank wat betreft de duur van de gijzeling die kan worden toegepast als drukmiddel om te voldoen aan de betalingsverplichting die voortvloeit uit het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht). Dit verschil met betrekking tot de duur van die gijzeling is het gevolg van een wijziging op dat punt van de (eerder genoemde) oriëntatiepunten voor straftoemeting die binnen de rechtspraak zijn ontwikkeld.

Materiële schade

Wat betreft de materiële schade wijst het hof de vordering toe. De verdediging heeft de vordering niet betwist en dit onderdeel van de vordering komt het hof niet onrechtmatig of ongegrond voor.

Immateriële schade

Ook wat betreft de immateriële schade wijst het hof de vordering toe. De benadeelde partij heeft door het bewezenverklaarde lichamelijk letsel opgelopen, in de vorm van blauwe plekken, schaafwonden en pijnlijke ribben. Daarmee is sprake van een aantasting in de persoon als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Naar het oordeel van het hof is € 1.000,- een billijke vergoeding voor de immateriële schade die de benadeelde partij door het bewezenverklaarde heeft geleden. Hierbij heeft het hof gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde en de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij.

Hoofdelijke aansprakelijkheid

De verdachte is samen met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk voor het volledige schadebedrag (€ 1.125,-).

Wettelijke rente

Dat bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente. Die vermeerdering met de wettelijke rente gaat in op 22 mei 2020.

Schadevergoedingsmaatregel

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op (als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht).

Vordering van [benadeelde partij 1]

heeft zich in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding tot het bedrag van € 16.661,84. De rechtbank heeft de vordering toegewezen tot het bedrag van € 3.760,-. Voor het overige heeft de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.

De advocaat van de benadeelde partij heeft bij bericht van 26 januari 2026 laten weten dat de vordering in hoger beroep wordt gehandhaafd voor zover die is toegewezen door de rechtbank.

Hierdoor bestaat de vordering in hoger beroep nog uit de volgende onderdelen.

Oordeel hof

Het hof vernietigt de beslissing van de rechtbank op de vordering van de benadeelde partij. Anders dan de rechtbank wijst het hof de vordering af, omdat de schade van de benadeelde partij in de tussentijd al is vergoed. Dit wordt verderop in het arrest nader toegelicht.

Wel is het hof van oordeel dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden en dat de verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor die schade. Op basis daarvan legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op. Ook voor deze schadevergoedingsmaatregel geldt dat het hof anders dan de rechtbank beslist met betrekking tot de duur van die gijzeling, als gevolg van een wijziging van het toepasselijke oriëntatiepunt.

Materiële schade

Het hof stelt vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde de gestelde materiële schade heeft geleden. Wat betreft de schade aan de telefoon heeft de verdachte de vordering niet betwist en komt de vordering het hof niet onrechtmatig of ongegrond voor. Wat betreft de medische kosten is naar het oordeel van het hof in voldoende mate komen vast te staan dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde medische kosten heeft gemaakt tot het bedrag van € 385,‑. Uit bijlage 5 bij de stukken van 6 april 2023 waarmee de vordering is onderbouwd, blijkt namelijk dat de benadeelde partij op 2 juni 2020 en 4 juni 2020 medische zorg heeft ontvangen en dat de kosten daarvan € 385,- bedroegen.

Immateriële schade

Verder stelt het hof vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde immateriële schade heeft geleden. Zoals vastgesteld op pagina 4 van het vonnis van de rechtbank, heeft de benadeelde partij door het bewezenverklaarde (zwaar) lichamelijk letsel opgelopen. Daarmee is sprake van een aantasting in de persoon als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Naar het oordeel van het hof is € 3.250,- een billijke vergoeding voor de immateriële schade die de benadeelde partij door het bewezenverklaarde heeft geleden. Hierbij heeft het hof gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde en de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij.

Hoofdelijke aansprakelijkheid

De verdachte is samen met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk voor het volledige schadebedrag (€ 3.760,-).

Wettelijke rente

Dat bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente. Die vermeerdering met de wettelijke rente gaat in op 22 mei 2020.

Schade al vergoed door de staat

De rechtbank heeft de strafzaak tegen de verdachte gelijktijdig behandeld met de strafzaken tegen mededaders [mededader 1] , [mededader 2] en [mededader 3] . De benadeelde partij heeft in alle vier die strafzaken een vordering tot schadevergoeding ingediend en de rechtbank heeft die telkens toegewezen tot het bedrag van € 3.760,- en daarbij de schadevergoedingsmaatregel opgelegd. De verdachte is de enige van de vier verdachten die hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank.

De advocaat van de benadeelde partij heeft in het bericht van 26 januari 2026 opgemerkt dat de benadeelde partij de gestelde schade al vergoed heeft gekregen op grond van de schadevergoedingsmaatregel die (inmiddels onherroepelijk) is opgelegd in de strafzaken tegen mededaders [mededader 3] , [mededader 1] en [mededader 2] . Het is niet bekend of de mededaders al hebben voldaan aan hun betalingsverplichtingen aan de staat.

De omstandigheid dat de benadeelde partij de schade al vergoed heeft gekregen, brengt mee dat er geen grond meer is om de verdachte een betalingsverplichting op te leggen tegenover de benadeelde partij. Om die reden wijst het hof de vordering tot schadevergoeding af.

Naar het oordeel van het hof staat die omstandigheid niet in de weg aan het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel, waarbij het gaat om een betalingsverplichting tegenover de staat. Het is immers niet bekend of de staat het aan de benadeelde partij uitgekeerde bedrag al heeft ontvangen van (een van) de mededaders die ook hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de geleden schade.

Schadevergoedingsmaatregel

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op (als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht).

Wetsartikelen

De straf en maatregelen die het hof oplegt zijn gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f en 141 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis van de rechtbank ten aanzien van

‒ de gevangenisstraf en

‒ de beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen (telkens inclusief de schadevergoedingsmaatregel)

en doet in zoverre opnieuw recht.

Voorwaardelijke gevangenisstraf

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 92 (tweeënnegentig) dagen.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 90 (negentig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte:

‒ zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of

‒ gedurende de proeftijd ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of

‒ gedurende de proeftijd geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht daaronder begrepen, of de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Contactverbod

Stelt de bijzondere voorwaarde dat de verdachte geen direct en/of indirect contact zal leggen of laten leggen, ook niet via social media, met [benadeelde partij 1] .

Taakstraf

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 200 (tweehonderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 100 (honderd) dagen hechtenis.

Vordering van [benadeelde partij 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van [benadeelde partij 2] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.125,00 (duizend honderdvijfentwintig euro), waarvan € 125,00 (honderdvijfentwintig euro) ter vergoeding van materiële schade en € 1.000,00 (duizend euro) ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, waarbij de verdachte met de mededaders hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van [benadeelde partij 2] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.125,00 (duizend honderdvijfentwintig euro) bestaande uit € 125,00 (honderdvijfentwintig euro) ter vergoeding van materiële schade en € 1.000,00 (duizend euro) ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 11 (elf) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededaders aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 22 mei 2020.

Vordering van [benadeelde partij 1]

Wijst de vordering tot schadevergoeding van [benadeelde partij 1] af.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van [benadeelde partij 1] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.760,00 (drieduizend zevenhonderdzestig euro), bestaande uit € 510,00 (vijfhonderdtien euro) ter vergoeding van materiële schade en € 3.250,00 (drieduizend tweehonderdvijftig euro) ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatums tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 37 (zevenendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededaders aan de betalingsverplichting hebben voldaan, deze in zoverre vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente op 22 mei 2020.

Bevestiging vonnis

Bevestigt het vonnis van de rechtbank voor het overige.

Dit arrest is gewezen door mr. N.I.S. Boers, mr. K. Gilhuis en mr. I.C.E. Draisma, in aanwezigheid van de griffier mr. D. van der Geld en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 12 februari 2026.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. N

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?