ECLI:NL:GHARL:2026:6907

ECLI:NL:GHARL:2026:6907

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 27-10-2026
Datum publicatie 27-10-2026
Zaaknummer 200.357.300/01
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Leeuwarden
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBMNE:2025:1854

Samenvatting

Verzoek tot vaststelling beheersregeling art. 3:168 lid 2 BW met betrekking tot hypotheekrecht. Geen belang bij hoger beroep wegens tenietgegaan hypotheekrecht.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.357.300/01

zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 576796 / 591697

beschikking van 27 oktober 2026

in de zaak van

[verzoekster] ( [verzoekster] )

die woont in [woonplaats]

advocaat: aanvankelijk mr. R. Zwiers, thans mr. M.G. Blokziel

en

ING Bank N.V. (ING)

die is gevestigd in Amsterdam

advocaat: mr. D.J. Posthuma

met als belanghebbenden

1. [belanghebbende1] ( [belanghebbende1] )

die woont in [woonplaats]

2. [belanghebbende2] ( [belanghebbende2] )

die woont in [woonplaats]

beiden niet verschenen in hoger beroep

1. Het verloop van de procedure in hoger beroep

[verzoekster] heeft bij dit hof hoger beroep ingesteld tegen de beschikking die de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, op 16 april 2025 heeft gegeven. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:

• het beroepschrift (met gewijzigd verzoek)

• het verweerschrift

• het verslag van de mondelinge behandeling die op 24 juni 2026 is gehouden (het proces-verbaal)

De beschikking is bepaald op vandaag.

2. De kern van de zaak

Deze zaak is verwant aan de zaak met zaaknummer 200.358.308/01, die bij het hof gevoegd met deze zaak is behandeld, die tussen dezelfde partijen speelt en waarin het hof vandaag eveneens uitspraak doet.

De rechtsvoorgangster van ING heeft in 2006 een geldlening aan [belanghebbende1] verstrekt en in verband daarmee een hypotheekrecht verkregen op een appartement dat indertijd aan [belanghebbende1] toebehoorde. Het appartement is later, nadat dit eerst aan [verzoekster] is verkocht maar niet is geleverd, door [belanghebbende2] in eigendom verkregen. In 2021 is de hypothecaire geldlening volledig afgelost, en in 2024 zijn de vorderingen voldaan die ING stelde op [belanghebbende1] te hebben uit hoofde van een betaalrekening en een krediet. [verzoekster] stelt die betalingen te hebben verricht en daardoor te zijn gesubrogeerd in de hypotheekrechten van ING, waardoor een gemeenschap met ING zou zijn ontstaan.

[verzoekster] heeft de rechtbank verzocht om een beheersregeling in de zin van artikel 3:168 lid 2 BW vast te stellen die de partijen bij de regeling – ING en hijzelf – verbiedt om zonder overleg en/of toestemming van de ander de executoriale verkoop van het appartement door te zetten of aan te vangen. [verzoekster] heeft de rechtbank daarnaast verzocht om in de regeling te bepalen dat beide partijen moeten wachten met executiemaatregelen totdat er is beslist op de vraag of de vorderingen van ING uit hoofde van de betaalrekening en het krediet van in totaal € 17.069,62 onder het hypotheekrecht vallen en of bedragen aan buitengerechtelijke incassokosten waarop ING aanspraak maakt verschuldigd zijn. [verzoekster] heeft de rechtbank verder verzocht om in de beheersregeling te bepalen dat het appartement in geval van openbare verkoop omschreven moet worden als woonruimte en niet als bedrijfsruimte. ING heeft bij de rechtbank een tegenverzoek ingesteld voor het geval de rechtbank toekomt aan het vaststellen van een beheersregeling als door [verzoekster] verzocht. In dat geval verzoekt ING dat zij, kort gezegd, de openbare verkoop van het appartement op grond van haar hypotheekrecht mag aanvangen, voortzetten en voltooien en subsidiair te bepalen dat, kort gezegd, zij en [verzoekster] elk zelfstandig het recht van parate executie van het appartement mogen uitoefenen.

De rechtbank heeft deze verzoeken afgewezen. De bedoeling van het hoger beroep is dat de afgewezen verzoeken alsnog worden toegewezen, evenals een in hoger beroep gedaan subsidiair verzoek dat het hof voor recht verklaart dat [verzoekster] is gesubrogeerd in het op het appartement gevestigde hypotheekrecht van ING.

Het hof zal beslissen dat het hoger beroep van [verzoekster] niet slaagt. Hierna licht het hof dit oordeel toe, nadat het eerst de feiten uiteen heeft gezet.

3. De feiten

[belanghebbende1] is de stiefzoon van [verzoekster] . [belanghebbende2] is de dochter van [verzoekster] .

In 2006 is [belanghebbende1] eigenaar geworden van het appartementsrecht dat recht geeft op het gebruik en de bewoning van de onroerende zaak aan het [adres] in [woonplaats] (hierna: het appartement).

Voor de aanschaf van het appartement heeft [belanghebbende1] in 2006 bij Postbank N.V. (hierna: Postbank) een hypothecaire geldlening afgesloten. In de hypotheekakte zijn de algemene hypotheekvoorwaarden van 7 augustus 1996 van Postbank van toepassing verklaard.

Met ingang van 7 februari 2009 is Postbank gefuseerd met ING.

Op 29 oktober 2009 heeft [belanghebbende1] het appartement aan [verzoekster] verkocht. Het appartementsrecht is toen niet aan [verzoekster] geleverd.

Enkele jaren na de fusie van Postbank en ING heeft [belanghebbende1] bij ING een betaalrekening (hierna ook: de betaalrekening) geopend. In of omstreeks 2016 heeft [belanghebbende1] bij ING een rekening-courant krediet (hierna ook: het krediet) verkregen.

Op 14 en 15 december 2021 is vanaf de bankrekening van [belanghebbende2] in totaal € 78.381,97 aan ING betaald. Met deze betalingen is de hypothecaire geldlening van [belanghebbende1] voor het appartement volledig afgelost.

Op 1 augustus 2022 heeft [verzoekster] het appartement aan [belanghebbende2] verkocht.

In een brief van 18 oktober 2022 heeft de incassogemachtigde van ING [belanghebbende1] gesommeerd om uit hoofde van de betaalrekening en het krediet binnen veertien dagen € 17.069,62 te betalen. [belanghebbende1] is toen niet tot betaling overgegaan.

Het appartement is op 27 juli 2023 door [belanghebbende1] (vertegenwoordigd door [verzoekster] ) onder handhaving van het hypotheekrecht aan [belanghebbende2] geleverd, die sindsdien daarvan eigenaar is. Het appartement wordt verhuurd.

Bij exploot van 16 augustus 2023 aan [belanghebbende1] heeft ING de openbare verkoop van het appartement aangezegd. De openbare verkoop stond gepland op 26 oktober 2023.

Op 20 oktober 2023 is via de derdengeldrekening van mr. Zwiers € 45.076,63 aan ING betaald. In de omschrijving bij deze betaling staat vermeld dat de betaling onder protest en onder voorbehoud van alle rechten is gedaan, ter voorkoming van de executieverkoop van het appartement.

ING heeft de executieveiling na de betaling van 20 oktober 2023 opgeschort.

Op 5 februari 2024 heeft ING de betaling van geldbedrag teruggeboekt op de derdengeldrekening van mr. Zwiers.

Op 15 februari 2024 heeft [verzoekster] de vorderingen van ING op [belanghebbende1] uit hoofde van de betaalrekening en het krediet van in totaal € 17.069,62 aan ING betaald.

In een brief aan de advocaat van [belanghebbende1] van 12 maart 2024 heeft ING gerefereerd aan een brief die [verzoekster] aan haar heeft gestuurd, waarin hij aangeeft dat zijn dochter [belanghebbende2] wordt belemmerd door het hypotheekrecht van ING. ING geeft in de brief verder aan dat in verband met de later afgelaste veiling kosten van € 16.038,61 zijn gemaakt en wordt [belanghebbende1] gesommeerd die te betalen. Aangegeven wordt dat na betaling het hypotheekrecht wordt doorgehaald, en ING bij niet-betaling bevoegd blijft het appartement openbaar te verkopen.

Op enig moment vóór 9 mei 2025 heeft [verzoekster] de in 3.16 bedoelde kosten aan ING betaald. In een brief van 9 mei 2025 aan de advocaat van ING schrijft [verzoekster] onder meer:

“Uiteraard is de betaling van 16.038,61 euro door mij gedaan tengevolge van het vonnis van de rechtbank om executie te voorkomen. Mijn betaling is dan ook onherroepelijk onvoorwaardelijk en zonder protest gedaan ter voldoening van hetgeen [belanghebbende1] opeisbaar aan ING is verschuldigd.”

Begin juli 2025 heeft ING de hypotheek op het appartement laten doorhalen.

4. De toelichting op de beslissing van het hof

Gewijzigd verzoek in hoger beroep (verklaring voor recht)

[verzoekster] heeft in zijn beroepschrift zijn oorspronkelijke verzoeken in die zin gewijzigd, dat hij die aanvult met een subsidiair verzoek, namelijk dat het hof voor recht verklaart dat [verzoekster] door de betalingen aan ING van € 78.381,97 (aflossingen hypothecaire geldlening) en € 17.069,62 (vorderingen uit betaalrekening en krediet) is gesubrogeerd in het op het appartement gevestigde (hypotheek)recht van ING.

Het hof stelt voorop dat moet worden aangenomen dat, ondanks de woordkeuze van artikel 3:302 BW dat spreekt van een ‘vordering’, ook in een verzoekschriftprocedure als deze kan worden verzocht om een verklaring voor recht, mits deze blijft binnen de grenzen van de wetsbepaling waarover de procedure gaat en de verzochte verklaring zich beperkt tot de vaststelling van de rechtsverhouding in geschil tussen de verzoeker en de verweerder.

Het hof is van oordeel dat de verklaring voor recht waar [verzoekster] – subsidiair – om heeft verzocht de reikwijdte van artikel 3:168 lid 2 BW te buiten gaat. Ingeval deelgenoten in een gemeenschap niet tot overeenstemming kunnen komen over een regeling met betrekking tot het genot, gebruik of beheer van een gemeenschappelijk goed, kan de meest gerede partij op grond van lid 2 van artikel 3:168 BW de kantonrechter verzoeken een zodanige regeling te treffen. Een zodanig verzoek heeft [verzoekster] in eerste aanleg ook gedaan. De rechtsgang die artikel 3:168 lid 2 BW mogelijk maakt is niet bedoeld om andere geschillen tussen partijen – al zouden zij tevens deelgenoten zijn – te beslechten over wat rechtens is tussen hen; artikel 3:168 lid 2 BW is bedoeld om de kantonrechter te verzoeken een beheersregeling te treffen, waar de deelgenoten er zelf niet uitkomen. Daarbij verdient opmerking dat de kantonrechter een ruime discretionaire bevoegdheid heeft in dit verband; hij of zij kan ook aanleiding vinden daarvan af te zien. Bij een rechtsgang met contouren als zojuist geschetst, past niet dat de rechter ook onderzoek zou moeten doen naar de vraag of in het verleden gedane betalingen tot gevolg gehad hebben dat de ene partij is gesubrogeerd in de rechten van de ander. Met het beantwoorden van die vraag zou de rechter zich naar het oordeel van het hof moeten begeven buiten de grenzen van artikel 3:168 lid 2 BW – dat immers enkel van de rechter vraagt al dan niet een beheersregeling vast te stellen – en aldus is de verzochte verklaring voor recht niet toelaatbaar. Het hof zal de wijziging van verzoek dan ook weigeren en de gevraagde verklaring voor recht buiten beschouwing laten.

Belang in hoger beroep

Het hoger beroep van [verzoekster] strekt ertoe dat het hof alsnog zijn primaire, door de rechtbank afgewezen, verzoeken toewijst, te weten (i) dat de rechtbank een beheersregeling in de zin van artikel 3:168 lid 2 BW vaststelt die partijen verbiedt om zonder overleg en/of toestemming van de andere partij in de gemeenschap de executoriale verkoop van het appartement door te zetten of aan te vangen; (ii) dat de rechtbank in de beheersregeling bepaalt dat beide partijen moeten wachten met executiemaatregelen totdat er is beslist op de vraag of welke vorderingen van ING onder het hypotheekrecht vallen en of bedragen aan buitengerechtelijke incassokosten waarop ING aanspraak maakt verschuldigd zijn; en (iii) dat de rechtbank in de beheersregeling bepaalt dat het appartement in geval van openbare verkoop omschreven moet worden als woonruimte en niet als bedrijfsruimte.

[verzoekster] heeft er in zijn beroepschrift zelf al op gewezen dat de restschuld aan ING inmiddels geheel is afgelost en de inschrijving van het hypotheekrecht op het appartement is doorgehaald. Volgens [verzoekster] heeft hij (nog steeds) belang bij een oordeel van dit hof, onder meer omdat zijn hoger beroep de vraag aan de orde stelt of hij is gesubrogeerd in de hypotheekrechten van ING en een bevestigende beantwoording van die vraag impliceert dat ING door in 2023 de executie van het appartement in gang te zetten tegenover hem onrechtmatig zou hebben gehandeld. ING stelt zich in hoger beroep op het standpunt dat het tenietgaan van het hypotheekrecht tot gevolg heeft dat er geen belang bestaat bij een beheersregeling, en dat daarmee ook het belang aan het hoger beroep van [verzoekster] is ontvallen. Het hof is het met ING op dit punt eens.

Tussen partijen staat vast dat het hypotheekrecht niet langer bestaat. Dit betekent naar het oordeel van het hof dat [verzoekster] inderdaad belang mist bij zijn verzoeken. Die verzoeken betreffen immers de vaststelling van (de inhoud van) een beheersregeling en veronderstellen daarmee het bestaan van een hypotheekrecht dat er niet meer is. Dit heeft de advocaat van [verzoekster] tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep ook opgemerkt: aan de primaire verzoeken is het belang ontvallen, en dat bestaat enkel nog, in de visie van [verzoekster] , bij de gevraagde verklaring voor recht (die echter, zoals overwogen, door het hof is geweigerd). Daarmee staat dus vast dat het hoger beroep van [verzoekster] niet kan slagen.

[verzoekster] heeft zich in hoger beroep niet op het standpunt gesteld dat zijn belang bij een beoordeling in hoger beroep (mede) is gelegen in het aanvechten van de proceskosten van ING waartoe hij in eerste aanleg is veroordeeld. Dat belang is er overigens naar het oordeel van het hof ook niet (meer), nu ING tijdens de mondelinge behandeling bij het hof verklaard heeft af te zien van haar aanspraken op proceskosten. Uit de gang van zaken tijdens die zitting maakt het hof op dat [verzoekster] dit aanbod heeft aanvaard, en gaat het ervan uit dat ING in navolging van deze toezegging de proceskosten van de procedure bij de rechtbank aan [verzoekster] zal terugbetalen, voor zover dat nog niet is gebeurd.

Het hof wijst er voor de goede orde nog op dat ook het zelfstandig tegenverzoek dat ING in eerste aanleg heeft gedaan, en waartegen [verzoekster] geen inhoudelijk verweer heeft gevoerd, het zonder behandeling kan stellen. De voorwaarde die aan dit verzoek is verbonden – toewijzing van een primair verzoek van [verzoekster] – is immers niet vervuld en kan ook niet meer worden vervuld, zodat in zoverre ook geen belang meer bestaat bij behandeling van dit verzoek.

De conclusie

Het hoger beroep slaagt niet. Het hof is van oordeel dat aanleiding bestaat voor partijen om elk hun eigen kosten van deze procedure in hoger beroep te dragen. Immers, voor een veroordeling van ING in de kosten bestaat gelet op de uitkomst van het hoger beroep geen aanleiding. Maar voor het omgekeerde evenmin, aangezien ING, als gezegd, van iedere aanspraak op proceskosten heeft afgezien.

5. De beslissing

Het hof:

verwerpt het hoger beroep van [verzoekster] tegen de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 16 april 2025;

compenseert de kosten van het hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af wat verder is verzocht.

Deze beschikking is gewezen door mrs. M.A.M. Essed, P.S. Bakker en J.E. Wichers, is ondertekend door de rolraadsheer en is in het openbaar uitgesproken op 27 oktober 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand