[verdachte] ,
geboren op [geboortedag 1] 1987 in [geboorteplaats 1] ,
momenteel gedetineerd in de PI [locatie] .
Hoger beroep
Namens de verdachte is tegen het hiervoor vermelde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de zitting van het hof van 17 september 2026 en het onderzoek op de zitting bij de politierechter.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voordracht aan het hof overgelegd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat namens de verdachte door zijn raadsman, mr. B.M.C.F. de Groen, advocaat te Breda, is aangevoerd.
Het vonnis
De politierechter heeft de verdachte wegens mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn levensgezel (het onder 1 tenlastegelegde) en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht (het onder 2 tenlastegelegde) veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 weken met een proeftijd van 3 jaar, met aftrek van voorarrest. De politierechter heeft hieraan de volgende bijzondere voorwaarden gekoppeld: een contactverbod voor 3 jaar met [benadeelde] , [naam 1] en [naam 2] en een gebiedsverbod voor 3 jaar ten aanzien van het adres [adres] . Ten slotte heeft de politierechter de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] deels toegewezen en ten behoeve van haar de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
Het hof komt in dit arrest (op onderdelen) tot een andere bewijsbeslissing dan de politierechter, een andere strafoplegging en andere beslissing ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 25 januari 2025 te [plaats] , [gemeente] [benadeelde] , heeft mishandeld, door een of meerdere malen:
- in het gezicht van die [benadeelde] te slaan en/of te stompen en/of
- aan de haren van [benadeelde] te trekken,
terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn levensgezel;
2. hij op een of meerdere momenten op of omstreeks 25 januari 2025 te [plaats] , [gemeente] [benadeelde] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door:
- met een mes tegenover/voor die [benadeelde] te gaan staan en/of
- door haar dreigend de woorden toe te voeggen:"ik maak je dood samen met [motorclub 1] . Ik leer je dan wel een lesje", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in zijn verdediging.
Bewijsoverweging
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal acht beide feiten wettig en overtuigend bewezen. Het vonnis kan volgens hem worden bevestigd.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit van beide feiten. Volgens hem is er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor de bedreiging, omdat alleen één van de kinderen over een mes heeft verklaard en enkel aangeefster over de verbale uitlating heeft verklaard. Ten aanzien van de mishandeling heeft hij betoogd dat overtuigend bewijs ontbreekt. Er moet terughoudend worden omgegaan met de verklaring van [naam 2] , omdat het om een achtjarig kind gaat dat in een loyaliteitsconflict zit. Het is van belang dat op de camerabeelden niets te zien of te horen is en de politie die ter plaatse kwam enkel een lichte streep op de wang waarneemt.
Oordeel van het hof
Met de raadsman is het hof van oordeel dat het dossier onvoldoende bewijs bevat om vast te kunnen stellen dat de verdachte aangeefster heeft bedreigd door met een mes tegenover aangeefster te gaan staan. Het hof spreekt de verdachte vrij van dit onderdeel van de tenlastelegging.
Op basis van de gebruikte bewijsmiddelen, waaronder in ieder geval de aangifte van [benadeelde] , de verklaring van [getuige] over het heen en weer bewegen van de schutting en het relaas van [verbalisant 1] en [verbalisant 2] over de waargenomen emoties bij [benadeelde] en de lichte rode streep over haar wang, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte [benadeelde] heeft mishandeld en bedreigd. Dat de politie ‘enkel’ een lichte rode streep op het gezicht van aangeefster heeft gezien, geeft het hof geen aanleiding te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster, omdat een vuistslag in het gezicht niet noodzakelijkerwijs gepaard gaat met meer zichtbaar letsel. Dat geldt ook voor de omstandigheid dat de RING-camera geen geluid of beweging heeft vastgelegd, omdat niet is gebleken dat deze camera op de plek van het voorval stond gericht.
Het hof verwerpt de verweren van de verdediging en acht het onder 1 en 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen op de hierna te vermelden wijze.
Gebruikte bewijsmiddelen
In het geval tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, neemt het hof de gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring op in een aanvulling op dit arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Bewezenverklaring
Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
2.
hij op of omstreeks 25 januari 2025 te [plaats] , [gemeente] ,
[benadeelde] , heeft mishandeld, door een of meerdere malen :
- in het gezicht van die [benadeelde] te slaan en/of te stompen en /of
- aan de haren van [benadeelde] te trekken,
terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn levensgezel;
2. hij op een of meerdere momenten op of omstreeks 25 januari 2025 te [plaats] , [gemeente] , [benadeelde] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door:
- met een mes tegenover/voor die [benadeelde] te gaan staan en/of
- door haar dreigend de woorden toe te voegen: "ik maak je dood samen met [motorclub 1] . Ik leer je dan wel een lesje" , althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking .
Het hof spreekt de verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel.
Het onder 2 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.
Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Strafbaarheid van verdachte
De verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.
Oplegging van straf
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis zal bevestigen.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft het hof - in geval van strafoplegging - verzocht om geen contactverbod op te leggen ten aanzien van de kinderen van de verdachte en zich voor het overige gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Oordeel van het hof
De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. Het hof heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de mishandeling van zijn toenmalige levensgezel en hij heeft haar bedreigd met de dood. Dit vond plaats in en rondom hun woning, in het bijzijn van de twee kinderen. De verdachte heeft het slachtoffer pijn toegebracht en vrees aangejaagd. Dat de jonge kinderen erbij aanwezig waren, voor wie de gebeurtenissen op onaangename wijze indrukwekkend moeten zijn geweest, maakt het extra kwalijk.
Het hof heeft ook kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 13 augustus 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte voorafgaand aan het bewezenverklaarde meermalen is veroordeeld wegens soortgelijke strafbare feiten. Het hof weegt dat in zijn nadeel mee in de strafoplegging.
Verder heeft het hof kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 13 november 2025. Hieruit blijkt dat uit diagnostiek uit het voorafgaande jaar is gebleken dat de verdachte kampt met impulsiviteit, boosheid, ADHD en een licht verstandelijke beperking. Ingezette hulpverlening heeft niet de gewenste uitwerking gehad en heeft niet geleid tot gedragsverandering. De verdachte heeft een geschiedenis van het niet nakomen van afspraken en voorwaarden. De reclassering adviseert om de verdachte ‘af te straffen’.
Op de zitting in hoger beroep heeft de raadsman over de persoonlijke omstandigheden van de verdachte naar voren gebracht dat de verdachte in een andere strafzaak is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 jaar. Nadat de voorlopige hechtenis in die zaak is geschorst, is hij gaan werken. Hij heeft een nieuwe relatie, is getrouwd en inmiddels is een derde zoon is geboren. Tussen het moment van de zitting in hoger beroep en de uitspraak in onderhavige zaak is door ditzelfde hof op 21 september 2026 arrest gewezen in de hiervoor bedoelde zaak. De verdachte is in hoger beroep ook veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 jaar. Die veroordeling is nog niet onherroepelijk.
Het hof stelt vast dat artikel 63 Sr van toepassing is, maar is van oordeel dat de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten oplegging van een zelfstandige straf in deze zaak rechtvaardigen. Het hof legt de verdachte voor de twee bewezenverklaarde feiten een voorwaardelijke gevangenisstraf op van 2 weken, met een proeftijd van 2 jaar, met aftrek van voorarrest. Daarmee wordt de strafoplegging mede in dienst gesteld van het in de toekomst voorkomen van strafbare feiten. Het hof verbindt hieraan als bijzondere voorwaarde een contactverbod met [benadeelde] , zoals nader omschreven in het dictum. Het hof legt geen contactverbod op ten aanzien [naam 2] en [naam 1] , omdat de tenlastelegging is toegesneden op [benadeelde] en het bewezenverklaarde handelen van verdachte niet was gericht tegen de kinderen.
Gelet op het tijdsverloop sinds de bewezenverklaarde feiten en het feit dat niet van nieuwe incidenten is gebleken, zal het hof – anders dan de politierechter – de gestelde bijzondere voorwaarde niet dadelijk uitvoerbaar verklaren.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
De benadeelde partij [benadeelde] heeft in eerste aanleg een vordering ingediend tot schadevergoeding van € 3.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De politierechter heeft de vordering gedeeltelijk toegewezen tot € 1.000,- en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. De benadeelde partij heeft in hoger beroep niet aangegeven dat zij het oorspronkelijke bedrag nog steeds vordert. Het hof kan daarom alleen een beslissing nemen over het deel dat door de politierechter is toegewezen.
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard, gelet op de bepleite vrijspraak.
Het hof stelt vast dat de raadsman de vordering en hoogte daarvan niet inhoudelijk heeft betwist. Op grond van artikel 6:106 aanhef en onder b van het BW kan een benadeelde partij onder meer aanspraak maken op vergoeding van immateriële schade als de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen en/of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. In dat verband stelt het hof het volgende vast.
De bedreiging en mishandeling hebben plaatsgevonden rondom de eigen woning van de benadeelde partij en zijn begaan door haar toenmalige partner. Ter plaatse heeft de politie gezien dat één van de kinderen van de verdachte en aangeefster meermalen werd gebeld de verdachte, die nadat er werd opgenomen zei 'Wij moeten geen woutenbellers, je weet wat er dan gaat gebeuren he. We weten wat we met woutenbellers doen. Ales staat al op Facebook de beelden, dat je de wouten aan het bellen bent. Er rijdt al genoeg van mij in de buurt rond'. In combinatie met de in de bedreiging genoemde term ' [motorclub 1] ' en de omstandigheden dat de verdachte tijdens een eerdere verkeerscontrole is aangetroffen met een color van [motorclub 1] en dat hij tegenover de reclassering heeft aangegeven lid te zijn van [motorclub 2] , was naar het oordeel van het hof sprake van een serieus dreigende situatie die bij de benadeelde partij veel angst heeft veroorzaakt. Zij schrijft in haar schriftelijke slachtofferverklaring doodsbang te zijn dat haar iets wordt aangedaan, constant in angst te leven, te kampen met traumaklachten en emotioneel uitgeput te zijn. Het hof is van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor [benadeelde] in de huidige zaak meebrengen dat een aantasting in de persoon 'op andere wijze' kan worden aangenomen.
Het hof begroot de immateriële schade naar billijkheid en met inachtneming van alle omstandigheden van het geval en gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen worden toegekend, op € 700,-. Het hof zal de vordering voor het meer gevorderde niet-ontvankelijk verklaren. Nader onderzoek naar de vraag of ook het meerdere voor toewijzing in aanmerking komt zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. Het hof komt tot een lager bedrag dan de politierechter, omdat het zoals hiervoor overwogen niet bewezen acht dat de verdachte aangeefster ook met een mes heeft bedreigd.
Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 januari 2025, tot aan de dag der gehele voldoening. Het hof zal de verdachte, die als de overwegend in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, veroordelen in de kosten en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil.
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het onder 1 en 2 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde] is toegebracht tot een bedrag van € 700,-. De verdachte is daarvoor tegenover het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk. Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen tot een bedrag van € 700,-, te vermeerderen met de wettelijke rente op de wijze zoals hiervoor is vermeld, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 7 dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Wetsartikelen
De straf en maatregel is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 63, 285, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel gedurende de proeftijd de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.
Verdachte onthoudt zich gedurende de proeftijd van direct en/of indirect contact met [benadeelde] , geboren op [geboortedag 2] 1990 in [geboorteplaats 2] .
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 700,00 (zevenhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijker echter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging te maken kosten, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 700,00 (zevenhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 7 (zeven) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 25 januari 2025.
Dit arrest is gewezen door mr. R.H. Koning, mr. J.L.F. Groenhuijsen en
mr. D. Stikkelbroeck, in aanwezigheid van de griffier mr. T.G. Remmink en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 1 oktober 2026.