GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummers gerechtshof 200.336.014/01 en 200.336.014/02
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 183984)
beschikking van 27 oktober 2026
in de zaak van
[verzoekster] (de moeder),
die woont in [woonplaats] ,
verzoekster in het principaal hoger beroep,
verweerster in het incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. M.J. Buitenhuis te Leeuwarden,
en
[verweerder] (de vader),
die woont in [woonplaats] ,
verweerder in het principaal hoger beroep,
verzoeker in het incidenteel hoger beroep,
advocaat: P. Sipma te Drachten.
Het hof heeft als overige belanghebbende aangemerkt:
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering (de GI),
die is gevestigd in Amsterdam.
In zijn toetsende en/of adviserende taak is gekend:
de raad voor de kinderbescherming (de raad),
regio Noord-Nederland, locatie Leeuwarden.
1. Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep
Voor het verloop van de procedure tot 4 juli 2024 verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van die datum.
Het verdere verloop blijkt uit:
een journaalbericht namens de vader van 28 januari 2025 met bijlage(n);
een journaalbericht namens de moeder van 29 januari 2025 met bijlage(n);
een journaalbericht namens de moeder van 11 juli 2025 met bijlage(n);
een journaalbericht namens de vader van 31 juli 2025 met bijlage(n);
een e-mail van de GI van 29 januari 2026;
een journaalbericht namens de moeder van 29 januari 2026 met bijlage(n);
een journaalbericht namens de vader van 30 januari 2026 met bijlage(n);
een journaalbericht namens de moeder van 13 februari 2026 met bijlage(n);
een journaalbericht namens de vader van 9 maart 2026 met bijlage(n);
een journaalbericht namens de moeder van 10 maart 2026 met bijlage(n);
een journaalbericht namens de moeder van 9 september 2026 met bijlage(n);
een journaalbericht namens de vader van 10 september 2026 met bijlage(n);
een e-mail van de GI van 15 september 2026 met bijlage(n).
Op 17 september 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De vader en de moeder zijn verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Verder zijn een medewerker van de GI en een medewerker van de raad verschenen.
2. De motivering van de beslissing
Het hof blijft bij wat is overwogen en beslist in de (tussen)beschikking van 4 juli 2024, voor zover hierna niet anders wordt overwogen of beslist. In die beschikking heeft het hof de beschikking van de rechtbank bekrachtigd voor zover daarin is bepaald dat de ouders voortaan gezamenlijk met de uitoefening van het ouderlijk gezag over [de minderjarige] zijn belast.
Tussen partijen is op dit moment nog de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] en de zorgregeling in geschil. Het hof zal eerst de zorgregeling bespreken en daarna het hoofdverblijf.
De zorgregeling
De moeder heeft tijdens de mondelinge behandeling bij het hof verzocht de huidige zorgregeling voor [de minderjarige] zo aan te passen dat hij maximaal twee nachten achter elkaar bij de vader is. De vader heeft gevraagd de huidige zorgregeling voorlopig vast te stellen en de beslissing verder aan te houden in afwachting van het traject bij [naam] .
Het hof zal de beslissing niet aanhouden, omdat het hof voldoende informatie heeft om een beslissing te nemen. Het hof zal een zorgregeling vaststellen. Daarbij heeft het hof het volgende betrokken.
Partijen zijn verwezen naar het gebiedsteam. Zij zijn vervolgens bij het KKE in mediation gegaan. Dat heeft er in mei 2025 toe geleid dat partijen een proefzorgregeling zijn overeengekomen waarbij [de minderjarige] van zondag 9.00 uur tot woensdag naar school bij de vader is en van woensdag na school tot zondag 9.00 uur bij de moeder is. Die proefregeling is voortgezet en loopt inmiddels al 17 maanden.
De GI, die sinds eind oktober 2025 betrokken is, heeft aangegeven dat het goed gaat met [de minderjarige] op school en bij beide ouders.
De moeder stelt dat de regeling te belastend is. Volgens haar is [de minderjarige] één nacht per week te veel bij de vader, omdat [de minderjarige] na een periode bij de vader vermoeid terugkomt. Hoewel anderen dit niet direct bij [de minderjarige] waarnemen, maakt de moeder zich daar wel zorgen over. In het begin miste [de minderjarige] zijn moeder als hij bij de vader was en sliep hij minder goed, omdat hij dan niet bij de moeder maar alleen op een kamer sliep. Inmiddels slaapt hij ook bij moeder op zijn eigen kamer en gaat het slapen beter.
Volgens de GI ziet de onrust bij [de minderjarige] niet primair op het slapen maar vooral op het schakelen tussen de twee huishoudens en de strijd en spanning tussen de ouders. Bij kinderen van gescheiden ouders is bovendien vaak sprake van enige vermoeidheid. Het hof ziet daarin geen aanleiding om de regeling aan te passen naar een nacht minder, zoals de moeder tijdens de mondelinge behandeling heeft gevraagd, omdat [de minderjarige] hoe dan ook moet schakelen tussen (de opvoedstijlen in) de twee huishoudens, ongeacht of hij drie of twee nachten bij de vader is. Ook als [de minderjarige] één nacht minder bij de vader zou slapen, zou hij nog moeite kunnen hebben met het wisselen tussen de ouders. De omstandigheid dat [de minderjarige] - zoals de moeder aangeeft - zijn moeder mist terwijl hij bij de vader is, betekent niet dat hij daarom minder tijd bij de vader kan verblijven.
Wel rijst de vraag of het voor [de minderjarige] op langere termijn het meest wenselijk is dat hij ieder weekend op zondagmorgen om 9.00 uur moet wisselen of dat een andere verdeling, waarbij [de minderjarige] ook hele weekenden bij een ouder kan doorbrengen, mogelijk beter zou zijn. Dit is tijdens de mondelinge behandeling ook aan de orde geweest. Of de zorgregeling in het belang van [de minderjarige] uiteindelijk aanpassing behoeft, kan verder worden besproken binnen het traject bij [naam] . Partijen volgen daar een traject ‘complexe scheiding’ om samen tot een ouderschapsplan te komen, te werken aan hun gezamenlijk ouderschap en hun communicatie te verbeteren. Het is onduidelijk hoelang dit traject, dat nog maar kortgeleden van start is gegaan, gaat duren. Gelet daarop en omdat de huidige regeling al bijna anderhalf jaar loopt en niet gebleken is van een noodzaak tot wijziging, ziet het hof geen aanleiding om de uitkomsten van dat traject af te wachten, maar zal het hof de huidige regeling vastleggen in lijn met het advies van de GI en de raad. Partijen kunnen uiteraard in onderling overleg samen tot nieuwe afspraken komen over (onder meer) de zorgregeling voor [de minderjarige] . Als dat niet lukt, heeft de GI toegezegd bereid te zijn om - als dat voor [de minderjarige] nodig blijkt - de juridische stappen te zetten om een wijziging van de zorgregeling te bewerkstelligen. De GI verdeelt de vakanties tussen partijen. Het is niet nodig om dat aan te passen, zodat het hof dat zo zal laten.
Het hof zal de beschikking van de rechtbank over de zorgregeling vernietigen en de huidige regeling vastleggen.
De vader heeft tijdens de mondelinge behandeling laten weten dat hij zijn verzoek om een dwangsom te verbinden aan de zorgregeling intrekt. Het hof hoeft daarom niet meer te beslissen op dat verzoek.
Het hoofdverblijf
De vader heeft verzocht de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij hem te bepalen. Daar is de moeder het niet mee eens.
Het hof ziet geen aanleiding om de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] te wijzigen en zal het verzoek van de vader daartoe afwijzen. Het gaat namelijk goed met [de minderjarige] bij beide ouders. Dat heeft de GI laten weten. Anders dan bij aanvang van de procedure tussen de ouders is er bovendien inmiddels een goed lopende zorgregeling. Dat geeft het hof dan ook geen aanleiding om de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] te wijzigen. Ook overigens is niet gebleken van feiten en omstandigheden die een wijziging rechtvaardigen.
3. De beslissing
Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 20 september 2023 voor zover het de zorgregeling voor [de minderjarige] betreft, en in zoverre opnieuw beschikkende:
verdeelt de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders aldus dat:
- [de minderjarige] bij de vader is van zondag 9.00 uur tot woensdagochtend naar school;
- [de minderjarige] bij de moeder is van woensdagmiddag na school tot zondag 9.00 uur;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. Coster, mr. C. Koopman en mr. A.K. Oostlander-Vos, bijgestaan door mr. E.L.K. Bijma als griffier, en is op 27 oktober 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.