ECLI:NL:GHARL:2026:698

ECLI:NL:GHARL:2026:698

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 03-02-2026
Datum publicatie 06-02-2026
Zaaknummer 24/1176 en 24/1177
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

IB/PVV. Winst uit onderneming. Huurkosten niet aftrekbaar omdat geen sprake is van een zelfstandige werkruimte.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummers BK-ARN 24/1176 en 24/1177

uitspraakdatum: 3 februari 2026

Uitspraak van de vijfde enkelvoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 12 april 2024, nummers ARN 23/3761 en ARN 23/3763, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Doetinchem (hierna: de Inspecteur)

1. Ontstaan en loop van het geding

Aan belanghebbende zijn voor het jaar 2020 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een inkomen uit werk en woning van € 17.547 en een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) voor datzelfde jaar uitgaande van een bijdrage-inkomen van € 3.438. Bij beschikkingen is bij beide aanslagen belastingrente berekend.

De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar het bezwaar gegrond verklaard, de aanslag IB/PVV 2020 verminderd naar een inkomen uit werk en woning van € 16.174, de aanslag Zvw 2020 verminderd naar een bedrag winst uit onderneming van € 2.065 en de beschikkingen belastingrente zijn dienovereenkomstig verminderd.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft op 15 november 2024 een conclusie van repliek ingediend. De Inspecteur heeft met dagtekening 5 december 2024 een conclusie van dupliek ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 januari 2026. Daarbij zijn verschenen en gehoord mr. A.P. Flinterman, als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede [naam1] namens de Inspecteur, bijgestaan door mr. [naam2] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.

2. Vaststaande feiten

Belanghebbende is huurder van een appartement aan de [adres1] in [woonplaats] . Zij heeft in privé de huurovereenkomst van het appartement getekend. De huursom bedraagt € 700 per maand. Het appartement beschikt over één toilet en één badkamer. De ruimtes in het appartement zijn, met uitzondering van de open keuken, van elkaar af te scheiden door middel van binnendeuren.

Belanghebbende heeft een eenmanszaak, met als handelsnaam [handelsnaam] , die actief is in het lesgeven in alle vormen van Zumba, Yoga, Barre en Pilates bij diverse sportscholen en organisaties. Daarnaast geeft belanghebbende Indonesische kookworkshops. De eenmanszaak is sinds 1 februari 2010 actief.

Na ontvangst van de uitnodiging tot het doen van aangifte heeft belanghebbende de aangifte IB/PVV 2020 ingediend. Het in de aangifte aangegeven verzamelinkomen bedraagt € 4.332 en bestaat uit:

- Belastbare winst uit onderneming € 9.777 -/-

- Uitkering € 6.909

- Ontvangen alimentatie € 7.200

Bij het bepalen van haar winst uit onderneming heeft belanghebbende onder andere € 5.400 aan kosten voor een werkruimte tot het ondernemingsvermogen behorend huurrecht (hierna: huurkosten) ten laste van de winst gebracht. De Inspecteur heeft deze kosten gecorrigeerd.

3. Geschil

In geschil is of de winst uit onderneming van belanghebbende kan worden verminderd met de huurkosten.

4. Beoordeling van het geschil

Winst uit een onderneming is het bedrag van de gezamenlijke voordelen die, onder welke naam en in welke vorm ook, worden verkregen uit een onderneming (artikel 3.8 van de Wet op de Inkomstenbelasting 2001, hierna: Wet IB 2001).

In artikel 3.16 Wet IB 2001 zijn een aantal kosten van aftrek uitgesloten bij het bepalen van de winst. Deze bepaling luidt, voor zover hier relevant, als volgt:

“1. Bij het bepalen van de winst komen mede niet in aftrek kosten en lasten die verband houden met een werkruimte, de inrichting daaronder begrepen, ten behoeve van de belastingplichtige zelf in zijn niet tot zijn ondernemingsvermogen behorende woning, tenzij de werkruimte een naar verkeersopvatting zelfstandig gedeelte van de woning vormt en:

a. ingeval hij tevens een werkruimte buiten die woning ter beschikking heeft, hij het gezamenlijke bedrag van zijn winst uit een of meer ondernemingen, belastbaar loon en belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden hoofdzakelijk in de werkruimte in die woning verwerft, of

b. ingeval hij niet tevens een werkruimte buiten die woning ter beschikking heeft, hij het gezamenlijke bedrag van zijn winst uit een of meer ondernemingen, belastbaar loon en belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden hoofdzakelijk in of vanuit de werkruimte in die woning verwerft en in belangrijke mate in de werkruimte in die woning verwerft.

[…]

13. Bij het bepalen van de winst komen mede niet in aftrek kosten en lasten die verband houden met een tot het ondernemingsvermogen van de belastingplichtige behorend huurrecht of soortgelijk recht met betrekking tot een woning, kosten en lasten van de inrichting daaronder begrepen, ten behoeve van de belastingplichtige zelf, met uitzondering van kosten en lasten die verband houden met een werkruimte, de inrichting daaronder begrepen, die een naar verkeersopvatting zelfstandig gedeelte van de woning vormt en ter zake waarvan de belastingplichtige voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b.”

Belanghebbende stelt dat haar winst uit onderneming kan worden verminderd met de huurkosten omdat zij vanuit de woonkamer van haar appartement podcasts/instructievideos heeft gemaakt ten tijde van de lockdownperiode ten gevolge van de coronapandemie. De woonkamer heeft een eigen deur en fungeert als studioruimte voor de door haar verzorgde, digitale lessen. Belanghebbende woont in de keuken en slaapkamer van het appartement. Voorts stelt belanghebbende dat de verkeersopvattingen gedurende de coronacrisis zijn veranderd, omdat toentertijd veelal werd thuisgewerkt. Als de aftrek van kosten is uitgesloten op basis van artikel 3.16, lid 1 en/of 13 Wet IB 2001 beroept belanghebbende zich op het vertrouwensbeginsel. Aan een door haar ingevuld formulier op de site van de Belastingdienst ontleent zij het vertrouwen dat haar huurkosten voor aftrek in aanmerking komen.

De Inspecteur betwist dat dat haar winst uit onderneming kan worden verminderd met de huurkosten omdat belanghebbende, zo stelt de Inspecteur, niet beschikt over een zelfstandige werkruimte. Evenmin zijn de verkeersopvattingen door de coronacrisis dusdanig gewijzigd dat een woonkamer als de onderhavige als zelfstandige werkruimte zou kunnen worden aangemerkt. Belanghebbende kan om die reden evenmin vertrouwen ontlenen aan het door haar ingevulde formulier op de website van de Belastingdienst, nu zij dat op basis van een onjuist uitgangspunt (de aanwezigheid van een zelfstandige werkruimte) heeft ingevuld.

Tijdens de parlementaire behandeling van het wetsontwerp dat heeft geleid tot aanpassing van artikel 3.16. van de Wet IB 2001 is het volgende opgemerkt:

“De voorgestelde wijzigingen hebben zoals gezegd tot doel een systematische en gelijke behandeling van de werkruimte in de onderscheiden situaties. Tegelijkertijd wordt vastgehouden aan de doelstelling die ten grondslag ligt aan de bestaande fiscale behandeling van de werkruimte: zoveel mogelijk werkruimtes dienen niet onder de terbeschikkingstellingsregeling te vallen maar mee te lopen in de fiscale behandeling van de eigen woning. Daarom is er in de voorstellen voor gekozen om een werkruimte ook fiscaal pas als zodanig te erkennen - en dus geen onderdeel meer te laten zijn van de eigen woning - als de werkruimte naar verkeersopvatting een zelfstandig gedeelte van een woning vormt en intensief wordt gebruikt voor de verwerving van inkomen. Hiermee wordt bedoeld dat de werkruimte een zodanige zelfstandigheid bezit dat de ruimte duidelijk te onderscheiden is door uiterlijke kenmerken. Daarbij kan gedacht worden aan een eigen opgang of ingang, maar daarnaast kunnen ook de voorzieningen in de werkruimte van belang zijn ter bepaling van de zelfstandigheid. Gedacht kan in dat verband bijvoorbeeld worden aan eigen sanitair. Een werkruimte die een dusdanige zelfstandigheid bezit, zou ook als zodanig verhuurd kunnen worden aan derden. In feite is er nauwelijks meer een verschil met de verhuur van een pand, bijvoorbeeld aan de eigen B.V. In dergelijke situaties is box III of de terbeschikkingstellingsregeling van toepassing, zodat het wenselijk is om de zelfstandige werkruimte op overeenkomstige wijze te behandelen.”

Naar het oordeel van het Hof vormt de woonkamer niet een naar verkeersopvatting zelfstandig gedeelte van het appartement. Ter zitting van het Hof is komen vast te staan dat de sanitaire voorzieningen van het appartement geen onderdeel uitmaken van de woonkamer. Zij vormen een niet te onderscheiden onderdeel van het appartement als geheel en niet van de woonkamer als zodanig. Zonder een eigen toilet bezit de woonkamer onvoldoende zelfstandigheid ten opzichte van de rest van het appartement om als zelfstandig gedeelte te kunnen worden aangemerkt. Dat gedurende de coronacrisis vaker vanuit huis moest worden gewerkt, maakt niet dat de verkeersopvattingen dusdanig zijn gewijzigd dat de woonkamer van belanghebbende naar verkeersopvatting alsnog als zelfstandig zou worden aangemerkt. Dat maakt immers niet dat de behoefte aan de aanwezigheid van eigen sanitaire voorzieningen, die van belang zijn om een ruimte zelfstandigheid te kunnen geven, van minder belang zijn geworden.

Gelet op vorenstaande zijn de door belanghebbende opgevoerde huurkosten niet aftrekbaar.

Nu de woonkamer niet kwalificeert als zelfstandige werkruimte, kan belanghebbende geen vertrouwen ontlenen aan het door haar ingevulde formulier op de site van de Belastingdienst met de uitkomst dat de kosten aftrekbaar zijn. Zij heeft op het formulier namelijk ingevuld dat de ruimte zelfstandig zou zijn. Daarmee is het formulier ingevuld aan de hand van een onjuist uitgangspunt en is de uitkomst, voor zover dat een toezegging is, gedaan op basis van onjuiste gegevens.

Belastingrente

Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op belastingrente. Belanghebbende heeft hiertegen geen zelfstandige grieven aangevoerd. Het hoger beroep is ook in zoverre ongegrond.

Slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5. Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

6. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E. Keulemans, lid van de vijfde enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. G.J. van de Lagemaat en mr. J. Hollander als griffier.

De beslissing is op 3 februari 2026 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(G.J. van de Lagemaat) (A.E. Keulemans)

Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. A

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026021001 Sdu Nieuws Belastingzaken 2026/161 V-N Vandaag 2026/240
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?