ECLI:NL:GHARL:2026:6984

ECLI:NL:GHARL:2026:6984

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 25-09-2026
Datum publicatie 30-10-2026
Zaaknummer 200.374.547
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Hoger beroep, kort geding. Geen vernietiging selectiebesluit karatebond.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.374.547

zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht 616638

arrest in kort geding van 25 september 2026

in de zaak van

[appellante] ( [appellante] )

die woont in [woonplaats]

advocaat: mr. N. Poggenklaas

en

Karate-Do Bond Nederland (KBN)

die is gevestigd in Bunschoten-Spakenburg

advocaten: mrs. S.C. Grippo en I.V. Batelaan

1. Het verloop van de procedure in hoger beroep

[appellante] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (het hof) tegen het vonnis dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, (de voorzieningenrechter) op 11 september 2026 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:

de dagvaarding in hoger beroep met daarin de grieven

de memorie van antwoord

Het hof heeft een mondelinge behandeling bepaald, die op 23 september 2026 heeft plaatsgevonden. Na afloop van de mondelinge behandeling heeft het hof arrest bepaald. Gezien de spoedeisendheid is op 25 september 2026 een verkort arrest gewezen, waarbij is bepaald dat de motivering van deze beslissing volgt op 9 oktober 2026 (of zoveel eerder als mogelijk). Deze motivering is hieronder opgenomen.

2. De kern van de zaak

[appellante] is een karateka en wil uitkomen op het Wereldkampioenschap Jeugd Karate dat in oktober 2026 in Polen plaatsvindt (het WJK 2026). KBN is de nationale karatebond van Nederland. KBN heeft een andere karateka ( [naam1] ) geselecteerd voor de categorie waarin [appellante] wil uitkomen.

[appellante] heeft bij de voorzieningenrechter gevorderd dat KBN wordt veroordeeld om het besluit om [naam1] voor te dragen en te selecteren voor het WJK 2026 per direct in te trekken en KBN te veroordelen om te besluiten dat [appellante] wordt voorgedragen en geselecteerd. De voorzieningenrechter heeft deze vorderingen afgewezen en daartegen komt [appellante] in hoger beroep op.

Het hof volgt het oordeel van de voorzieningenrechter. Hierna wordt toegelicht waarom.

3. De toelichting op de beslissing van het hof

Feiten

Het hof gaat uit van de volgende feiten.

De criteria voor selectie voor het WJK 2026 staan in het door KBN opgestelde “Selectiedocument: Kwalificatiecriteria Kumite – WJK 2026 & EJK 2027” (het selectiedocument). De selectiecriteria gelden voor alle gewichtsklassen en voor zowel mannen als vrouwen. KBN moet zich bij de selectiebeslissingen aan die criteria houden.

In deze zaak gaat het om Fase 2 van het selectiedocument (kwalificatie via de Youth League). Het selectiedocument bepaalt daarover:

● Een sporter komt in aanmerking voor een voordracht voor het eerstvolgende eindtoernooi in zijn of haar bepaalde categorie, als hij of zij:

● een top-5 klassering behaalt op vastgestelde Youth League-tournooien of een top 5 plaats op het EJK binnen het traject naar het volgende EJK en/of WJK waarbij een medaille op een EJK en/of WJK zwaarder telt in de kwalificatie reeks.

En:

Toelichting op deze selectiecriteria:

Voorwaarden bij categorieverandering:

● Als een sporter tijdens het traject van categorie verandert (door leeftijds- of gewichtswijzigingen), kan hij of zij niet de plek van een andere sporter innemen die al aan de kwalificatienormen heeft voldaan.

● Uitzondering: wanneer niemand anders in de nieuwe categorie voldoet aan de norm, kan de bondscoach besluiten om een sporter die in zijn oorspronkelijke categorie wél aan de norm voldeed, alsnog voor te dragen in zijn of haar nieuwe categorie.

Niemand heeft voldaan aan de selectiecriteria in de categorie U21 +68 kg. [appellante] voldeed in haar oorspronkelijke categorie wel aan de selectiecriteria. Zij kan echter niet in haar oorspronkelijke categorie uitkomen, omdat zij van gewichtsklasse is veranderd en inmiddels 18 jaar is geworden en is overgegaan naar de leeftijdscategorie U21.

Binnen iedere leeftijds- en gewichtscategorie mag per land slechts één karateka deelnemen aan het WJK 2026.

De bondcoaches hebben zowel [appellante] als [naam1] overwogen om voor te dragen om uit te komen in de categorie U21 +68 kg. De bondscoaches hebben unaniem de keuze op [naam1] laten vallen en haar voorgedragen aan het bestuur van KBN. De voordracht is als volgt toegelicht door de bondscoaches:

In deze gewichtsklasse kiezen wij unaniem voor [naam1] in onze voordracht. Dit jaar is zij teruggekeerd van een knieoperatie na een zware blessure. Na een sterk optreden tijdens de GP Slowakije waar zij meervoudig prijswinnaar op EJK en WJK wist te verslaan verloor zij vlak daarna, voornamelijk op gebrek aan conditie / wedstrijdritme. Zij liet zien nog steeds op kwaliteit met de besten in haar categorie mee te kunnen. Op het WJK 2024 wist zij de kwartfinale te bereiken. Tijdens de Polish Open 2026 (meetmoment voor senioren in lopende kwalificatietraject naar EK 2027) behaalde zij de gouden medaille. Ook tijdens de CT in Rotterdam heeft zij volledige toewijding, inzet, groei en ontwikkeling laten zien. In deze categorie geven wij [naam1] de voorkeur in onze voordracht boven [appellante] . Zij is in het lopende traject 18 geworden en doorgestroomd vanuit de U18 -66 kg. Hier wist zij een top 5 te behalen op de YL in Venetië. Door de gouden medaille van [naam1] tijdens een senioren toernooi en wat beide dames hebben laten zien tijdens de KBN trainingen in Rotterdam hebben wij deze keuze gemaakt. In de U21 +68kg toernooien is er formeel geen karateka die aan de criteria heeft voldaan tijdens de meetmomenten in de U21 categorie. Vanwege bovenstaande toelichting zien wij in [naam1] een kandidaat die op het WJK met de top mee kan en gezien haar ontwikkeling en resultaat tijdens de Polish Open 2026 en haar terugkeer na een lange revalidatie de kans verdient Nederland te vertegenwoordigen op het WJK.

In deze toelichting is ten onrechte opgenomen dat [naam1] op het WJK 2024 de kwartfinale heeft behaald.

Na ontvangst van de voordracht heeft het bestuur van KBN medio juli 2026 besloten [naam1] te selecteren. [appellante] en haar trainer hebben hiertegen bezwaren geuit en [appellante] is vervolgens deze procedure begonnen.

Uitgangspunten in kort geding

Het hof zal zich eerst een voorlopig oordeel vormen over de feiten en het daarop toe te passen recht en zal daarna beoordelen of de gevraagde voorlopige voorzieningen moeten worden gegeven. Het hof zal daarbij de belangen van partijen tegen elkaar afwegen en in ieder geval rekening houden met (i) het voorlopige karakter van zijn oordeel, (ii) de spoedeisendheid, (iii) de ingrijpendheid of onomkeerbaarheid van de gevraagde voorzieningen en (iv) de voor- en nadelen van het uitblijven daarvan. Uitgangspunt daarbij is dat de kort geding rechter zich moet richten naar de waarschijnlijke uitkomst van de bodemprocedure.

Spoedeisend belang

[appellante] heeft ook in hoger beroep nog een spoedeisend belang bij de gevraagde voorlopige voorzieningen. Het besluit van KBN brengt voor [appellante] mee dat zij niet kan deelnemen aan het WJK 2026. Dit heeft een grote impact op haar als sporter. Een bodemprocedure kan niet worden afgewacht, omdat de inschrijving op 29 september 2026 sluit en het toernooi in oktober 2026 plaatsvindt.

Juridisch kader en beoordeling

Artikel 2:15 lid 1 BW bepaalt dat een besluit van een orgaan van een rechtspersoon vernietigbaar is wegens strijd met a) wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen, of b) de redelijkheid en billijkheid die door artikel 8 worden geëist of c) een reglement.

Artikel 2:8 lid 1 BW bepaalt dat een rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken, zich als zodanig jegens elkaar moeten gedragen naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd.

Uitgangspunt bij de toepassing van art. 2:15 lid 1 BW is dat de rechter terughoudendheid past bij de beoordeling of een orgaan van een rechtspersoon bij het nemen van een besluit alle in aanmerking komende belangen naar redelijkheid en billijkheid heeft afgewogen en daarbij de nodige zorgvuldigheid in acht heeft genomen. Verder geldt dat de mate van beleids- en beoordelingsruimte die toekomt aan een orgaan van een rechtspersoon bij het nemen van een besluit, en daarmee de mate van indringendheid waarmee de rechter de vernietigbaarheid van besluiten van een dergelijk orgaan op de voet van art. 2:15 lid 1 BW beoordeelt, afhankelijk is van de omstandigheden van het geval.

KBN is niet verplicht [appellante] voor te dragen

Partijen verschillen van inzicht over de uitleg van het selectiedocument. Zij zijn het er wel over eens dat de daarin opgenomen selectiecriteria in onderlinge samenhang en volgens de CAO-norm moeten worden uitgelegd, zoals de voorzieningenrechter ook terecht heeft gedaan.

Partijen zijn het er niet over eens of [appellante] aan de geformuleerde uitzondering in het selectiedocument voldoet. [appellante] meent van wel, KBN van niet omdat zij zowel van leeftijdscategorie als van gewichtscategorie is gewisseld en in de uitzonderingsbepaling staat “door leeftijds- of gewichtswijzigingen” en niet “door leeftijds- en/of gewichtswijzigingen”. Het hof laat dit discussiepunt vooralsnog in het midden en gaat bij de verdere beoordeling uit van de hypothese dat [appellante] aan de uitzondering voldoet. Het hof komt nu toe aan de uitleg van het selectiedocument, voorzover relevant voor deze zaak.

Volgens [appellante] laat het selectiedocument geen ruimte aan KBN voor het besluit om [naam1] voor te dragen en te selecteren. [appellante] redeneert dat de categoriewissel de enige uitzondering is die in het selectiedocument is opgenomen, dat dit een limitatieve uitzondering is en dat zij, nu zij als enige aan de uitzondering voldoet, dient te worden geselecteerd. Dat er in de uitzondering “kan” staat, is alleen relevant als zich een situatie voor zou doen waardoor [appellante] niet zou kunnen worden voorgedragen. Daarbij dient gedacht te worden aan een situatie waarin [appellante] geblesseerd is of gestopt is met karate. Een dergelijke situatie doet zich niet voor zodat KBN verplicht is [appellante] te selecteren, aldus [appellante] .

KBN wijst erop dat het woord “kan” in de uitzonderingsbepaling duidt op beoordelingsruimte voor de bondscoaches en het bestuur van KBN en niet op een verplichting. Het bestuur is ook niet verplicht om een voordracht over te nemen. Als KBN een verplichting had beoogd, had ze formuleringen gekozen als “dient” of “moet”. Het selectiedocument laat ruimte om ook een ander voor te dragen die niet aan de selectiecriteria en niet aan de uitzondering voldoet. Het is ook gebruikelijk in de sport dat bondscoaches beoordelen wie in aanmerking komt voor selectie waarbij gekeken wordt naar sportieve prestaties, ervaring, ontwikkeling en potentie. In de uitleg van [appellante] zou iedere afweging achterwege moeten blijven, terwijl het gaat om de selectie van degene die de grootste kans heeft op een succesvol optreden. Het is niet goed mogelijk om alle mogelijke situaties in het selectiedocument op te nemen, aldus KBN.

Het hof komt tot het voorlopige oordeel dat het voldoen aan de uitzondering niet betekent dat de bondscoaches verplicht waren [appellante] voor te dragen en KBN vervolgens verplicht was om deze voordracht te volgen. Dit volgt in de eerste plaats uit het gebruik van het woord “kan” in de uitzonderingsbepaling. Dat doelt op een mogelijkheid, op beleidsvrijheid, en niet op een verplichting. Uit de tekst van het selectiedocument volgt bovendien niet dat de uitzondering limitatief bedoeld is. De door [appellante] voorgestane uitleg zou ertoe leiden dat in het geval er niemand kwalificeert en niemand aan de uitzondering voldoet, er geen sporter kan worden voorgedragen en geselecteerd. In het geval er wel een sporter geschikt is om te worden voorgedragen en geselecteerd, zou die uitleg tot onwenselijke situatie leiden, zowel voor de sporter als voor KBN. Nu naar het voorlopig oordeel van het hof de uitzondering niet limitatief is betekent dit dat, als niemand kwalificeert, ook een sporter voorgedragen en geselecteerd kan worden die niet aan de uitzondering voldoet.

In de tweede plaats sluit de uitleg die KBN voorstaat, beter aan bij het gebruik in de topsport dat bondscoaches een rol spelen in het beoordelen van wie in aanmerking komt om voorgedragen en vervolgens mogelijk geselecteerd te worden. Dit gebruik in de sport is als zodanig niet betwist door [appellante] . De uitleg die [appellante] voorstaat, zou de rol van de bondscoaches in de voorliggende situatie tot nul reduceren. Het ligt niet voor de hand dat dat bedoeld is met het selectiedocument. Ook ligt niet voor de hand dat de sporter die voldoet aan de uitzondering, voorrang zou krijgen op sporters die niet aan de uitzondering voldoen en (volgens de bondscoaches) een grotere kans op een medaille hebben, zoals [appellante] subsidiair betoogt. Ook deze uitleg zou immers de rol van de bondscoaches beperken en maken dat andere sporttechnische factoren dan de behaalde resultaten in de oorspronkelijke categorie van een sporter geen rol kunnen spelen.

Gelet op het voorgaande is het hof voorshands van oordeel dat het besluit van KBN om [naam1] te selecteren, niet in strijd is met het selectiedocument. Het hof komt gelet op het voorgaande niet toe aan beantwoording van de vraag of [appellante] aan de uitzondering voldoet.

Het besluit is niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid

Het hof kan het besluit van KBN slechts marginaal toetsen. Het hof sluit zich aan bij het oordeel van de voorzieningenrechter dat [appellante] geen doorslaggevende redenen heeft aangevoerd waarom de bondscoaches [naam1] niet hebben kunnen voordragen en waarom KBN in redelijkheid niet tot het besluit om [naam1] te selecteren heeft kunnen komen. Het door KBN genomen besluit is gebaseerd op een gemotiveerde voordracht van de bondscoaches waarin zij de prestaties van [naam1] en [appellante] tegen elkaar hebben afgewogen. Uit de opbouw en bewoordingen van de motivering leidt het hof af dat de gouden medaille van [naam1] tijdens de Polish Open 2026, een seniorentoernooi, zwaar heeft meegeteld evenals wat [naam1] en [appellante] hebben laten zien tijdens de KBN trainingen. Het hof ziet niet in dat de prestatie van [naam1] op de Polish Open 2026 niet zou mogen worden meegewogen. Het is juist dat dit geen kwalificatietoernooi voor het WJK 2026 is, maar uit het selectiedocument volgt niet dat die prestatie niet kan meewegen als niemand zich kwalificeert. Het is eerder logisch en zeker niet onredelijk dat de bondscoaches ervaringen op een seniorentoernooi betrekken bij hun keuze tot voordracht. De motivering van de voordracht is ook voldoende dragend voor de beslissing tot voordracht en de daaropvolgende selectie. De onjuiste vermelding van het behalen van de kwartfinale door [naam1] op het WJK 2024 doet hier niet aan af.

Gelet op het voorgaande acht het hof het niet aannemelijk dat een bodemrechter zal oordelen dat het besluit om [naam1] te selecteren vernietigbaar is.

Belangenafweging

Voor de vraag of de gevraagde voorzieningen worden toegewezen, moeten ten slotte de belangen van partijen worden afgewogen naar de toestand op dit moment. Het belang van [appellante] om deel te nemen aan het WJK 2026 is evident. Daartegenover staan het belang van KBN om de meest geschikte karateka te selecteren en haar belang dat haar beoordelingsruimte niet in het geding komt. Naar het oordeel van het hof wegen de belangen van KBN bij afwijzing van de gevraagde voorzieningen bij deze stand van zaken zwaarder dan de belangen van [appellante] en maakt de belangenafweging de beslissing dus niet anders.

De conclusie

Het hoger beroep van [appellante] slaagt niet. Omdat [appellante] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof [appellante] tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.

De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

4. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht van 11 september 2026;

veroordeelt [appellante] tot betaling van de volgende proceskosten van KBN:

€ 851 aan griffierecht;

€ 2.580 aan salaris van de advocaat van KBN (2 procespunten x het toepasselijke tarief II).

bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af wat verder is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mrs. G.J. Meijer, J.P.H. van Driel van Wageningen en M.G. van ‘t Westeinde en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 25 september 2026. Dit arrest is aangevuld met een motivering op 7 oktober 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand