GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.353.528/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 209969)
beschikking van 8 januari 2026
in de zaak van
[verzoeker] (de vader),
die woont in [woonplaats] ,
die hoger beroep heeft ingesteld,
advocaat: mr. M.A.E. Dekens te Assen,
en
[verweerster] (de moeder),
die woont op een bij het hof bekend adres,
die zelf ook hoger beroep heeft ingesteld,
advocaat: mr. F.B. Flooren te Arnhem.
In zijn toetsende en/of adviserende taak is gekend:
de raad voor de kinderbescherming (de raad),
regio Noord Nederland, locatie Groningen.
1. Samenvatting
Het hof zal de beslissing van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 15 januari 2025, dat [de minderjarige] zijn hoofverblijf bij de moeder zal hebben, bekrachtigen. Het hof zal de zorgregeling voor [de minderjarige] aanpassen en bepalen dat [de minderjarige] – kort gezegd – drie van de vier weekenden van vrijdag na school tot maandag naar school bij de vader is, waarbij [de minderjarige] ieder vierde weekend bij de moeder zal zijn. De beslissing over de zorgregeling voor vakanties en feestdagen en de beslissing over de door de vader te betalen kinderalimentatie blijven hetzelfde.
Het hof zal hierna uitleggen waarom.
2. De feiten
De ouders zijn in 2020 getrouwd. Hun huwelijk is [in] 2022 ontbonden. Zij hebben samen een kind: [de minderjarige] , geboren [in] 2021.
De ouders hebben samen het gezag over [de minderjarige] .
Bij beschikking van 20 maart 2023 heeft de kinderrechter [de minderjarige] onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Noord en Veilig Thuis Groningen (de GI) voor de duur van zes maanden. Vervolgens is de ondertoezichtstelling steeds verlengd. De ondertoezichtstelling loopt nu tot 20 oktober 2026.
3. De procedure bij de rechtbank
De moeder heeft bij de rechtbank een verzoek ingediend om de echtscheiding tussen haar en de vader uit te spreken. In de echtscheidingsprocedure heeft zij verder onder meer verzocht de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij haar vast te stellen, alsmede een door de vader te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] (kinderalimentatie).
De vader heeft de rechtbank onder meer verzocht de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij hem te bepalen en een zorgregeling vast te stellen.
In de (tussen)beschikking van 25 mei 2022 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en een voorlopige zorgregeling voor [de minderjarige] vastgesteld, die - kort gezegd - inhoudt dat [de minderjarige] evenveel bij de ene ouder als bij de oudere ouder is. Vervolgens heeft de rechtbank tussenbeschikkingen van 20 juni 2023, 20 november 2023 en van 19 juni 2024 gegeven.
In de bestreden beschikking van 15 januari 2025 heeft de rechtbank een eindbeslissing gegeven over het hoofdverblijf, de zorgregeling en de kinderalimentatie. De rechtbank heeft bepaald dat [de minderjarige] zijn hoofdverblijf heeft bij de moeder. Daarnaast heeft de rechtbank een zorgregeling vastgesteld waarbij [de minderjarige] de ene week van donderdag 9.00 uur tot maandag 9.00 uur bij de vader verblijft en de andere week van vrijdag 9.00 uur tot maandag 9.00 uur. Vanaf het moment dat [de minderjarige] naar school gaat, verblijft hij de ene week van donderdagmiddag uit school tot maandagochtend naar school bij de vader en de andere week van vrijdagmiddag uit school tot maandagochtend naar school. De vader neemt in beginsel het halen en brengen voor zijn rekening. De vakanties en feestdagen worden bij helfte gedeeld, af te spreken in onderling overleg.
De rechtbank heeft ten slotte bepaald dat de vader vanaf het moment dat de moeder geen uitkering in het kader van de Participatiewet meer ontvangt, als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] een bedrag ter hoogte van de verhaalsbijdrage dient te betalen aan de moeder.
4. De procedure in hoger beroep bij het hof
De vader is het niet eens met de beschikking van de rechtbank van 15 januari 2025. Hij komt daarvan in hoger beroep. Hij heeft twee grieven in hoger beroep. Die gaan over het hoofdverblijf, de zorgregeling en de kinderalimentatie.
Hij vraagt het hof de beschikking te vernietigen en te bepalen dat [de minderjarige] zijn hoofdverblijf bij hem zal hebben. Daarnaast vraagt hij het hof om een zorgregeling vast te stellen waarbij [de minderjarige] de ene week van donderdag 9.00 uur tot maandag 9.00 uur en de andere week van vrijdag 9.00 uur tot maandag 9.00 uur bij de moeder verblijft. Voor de periode vanaf het moment dat [de minderjarige] naar school gaat, vraagt de vader te bepalen dat [de minderjarige] de ene week van donderdagmiddag uit school tot maandagochtend naar school en de andere week van vrijdagmiddag uit school tot maandagochtend naar school bij de moeder verblijft. Hij vraagt daarbij te bepalen dat hij [de minderjarige] naar de moeder zal brengen en de moeder [de minderjarige] naar school (of de vader) zal brengen. De vakanties en feestdagen moeten bij helfte worden gedeeld, af te spreken in onderling overleg.
Subsidiair vraagt de vader de beschikking te vernietigen voor zover daarin is bepaald dat hij het halen en brengen voor zijn rekening neemt en opnieuw te bepalen dat de moeder [de minderjarige] naar de vader zal brengen en dat de vader [de minderjarige] naar de moeder/school brengt.
Het hof begrijpt dat de vader ten slotte vraagt het verzoek om kinderalimentatie af te wijzen als het hoofdverblijf van [de minderjarige] bij hem wordt bepaald.
De moeder is het niet eens met het hoger beroep van de vader en wil dat die verzoeken worden afgewezen. Zij is zelf ook in hoger beroep gekomen (incidenteel hoger beroep) van de bestreden beschikking. Haar grief gaat over de zorgregeling. De moeder verzoekt de beschikking op dat punt te vernietigen en een zorgregeling vast te stellen waarbij [de minderjarige] drie weekenden achter elkaar bij de vader verblijft van vrijdag vanuit school tot maandag naar school en waarbij [de minderjarige] een weekend per vier weekenden en op de doordeweekse dagen bij haar is.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 14 april 2025;
- het bericht namens de vader van 16 april 2025 met bijlage(n);
- het bericht namens de vader van 24 april 2025 met bijlage(n);
- het bericht namens de vader van 11 juni 2025 met bijlage(n);
- het verweerschrift en incidenteel hoger beroepschrift met bijlage(n);
- het bericht namens de moeder van 16 juli 2025 met bijlage(n);
- het verweerschrift van de vader in het incidenteel beroep met bijlage(n);
- het bericht namens de vader van 24 november 2025 met bijlage(n);
- het bericht namens de moeder van 1 december 2025 met bijlage(n);
- het bericht namens de vader van 9 december 2025 met bijlage(n).
Op de zitting van 9 december 2025 heeft het hof de zaak behandeld. Verschenen zijn:
- de advocaat van de vader,
- de moeder met haar advocaat,
- een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (de raad),
- twee vertegenwoordigers van de GI, die door het hof in deze procedure is aangemerkt als informant.
5. Het oordeel van het hof
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Uit de stukken blijkt dat de moeder de Vietnamese nationaliteit had ten tijde van het indienen van het inleidende verzoek. Het hof zal daarom eerst beoordelen of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en welk recht van toepassing is.
Ten aanzien van de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling - kwesties van ouderlijke verantwoordelijkheid - komt de Nederlandse rechter op grond van artikel 8 lid 1 Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van de Europese Unie van 27 november 2003 (hierna: Brussel II-bis) rechtsmacht toe, omdat [de minderjarige] op het tijdstip van het indienen van het verzoek zijn gewone verblijfplaats in Nederland had.
De Nederlandse rechter komt rechtsmacht toe ten aanzien van de echtscheiding, omdat de ouders hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden op het moment dat het verzoek tot echtscheiding werd ingediend (artikel 3 Brussel II-bis) en daarom is de Nederlandse rechter op grond van artikel 3, aanhef en sub c van de Alimentatieverordening (Verordening (EG) 4/2009) ook bevoegd te oordelen over het verzoek tot vaststelling van kinderalimentatie.
Tegen de toepassing van Nederlands recht zijn geen grieven gericht, zodat ook het hof daarvan uitgaat.
Het hoofdverblijf en de zorgregeling
Wat staat in de wet
Op grond van artikel 827, lid 1, aanhef en onder c van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan de rechter als nevenvoorziening in een echtscheidingsprocedure onder meer een beslissing nemen over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de vaststelling van de hoofdverblijfplaats. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
Hoe oordeelt het hof?
Tussen de ouders geldt vanaf mei 2022 een zorgregeling waarbij ieder de helft van de tijd voor [de minderjarige] zorgt oftewel een co-ouderschapsregeling. Op basis van die regeling is [de minderjarige] door de week voornamelijk bij de moeder en in het weekend bij de vader. Het hoofdverblijf van [de minderjarige] is door de rechtbank bij de moeder vastgesteld.
De vader vraagt de zorgregeling om te draaien, waardoor [de minderjarige] de doordeweekse dagen bij hem zal zijn. Hij heeft, via zijn advocaat, ter zitting laten weten dat hij zich op zichzelf wel kan vinden in de huidige zorgregeling. De wijziging verzoekt hij enkel en alleen omdat hij wil dat het hoofdverblijf van [de minderjarige] bij hem wordt bepaald. De reden daarvoor is dat hij zich achtergesteld voelt terwijl het ouderschap gelijkwaardig zou moeten zijn. De vader geeft aan dat hij als minderwaardige ouder op afstand wordt gehouden door de moeder. Hij vindt dat de moeder het hoofdverblijf gebruikt als machtsmiddel om eenzijdig beslissingen over [de minderjarige] te nemen zonder de vader daarbij te betrekken. Hij wil op dezelfde manier als de moeder betrokken worden bij [de minderjarige] .
Naar het oordeel van het hof biedt een vaststelling van het hoofdverblijf van [de minderjarige] bij de vader en de daarbij gevraagde omdraaiing van de zorgregeling niet een oplossing voor het door de vader ervaren probleem. De vader wil graag gelijkwaardigheid tussen de ouders in de zorg voor [de minderjarige] ervaren. De sleutel daarvoor ligt in een goede verstandhouding en communicatie tussen ouders. Die zijn nog steeds niet goed ondanks de inzet van hulpverlening en de ondertoezichtstelling. Het is voor [de minderjarige] van groot belang dat de ouders niet langer (in en buiten rechte) met elkaar de strijd aangaan, maar daadwerkelijk gaan werken aan verbetering van hun communicatie met de andere ouder en met de jeugdbeschermers en hulpverlening en dat zij daarbij gebruik gaan maken van en goed samenwerken met de (geboden) hulpverlening. Het is aan de ouders om [de minderjarige] en zijn belangen te stellen boven de eigen belangen en wensen, zoals bijvoorbeeld dat [de minderjarige] exact evenveel contact heeft met elk van beide ouders. De ouders moeten [de minderjarige] (en de gevolgen voor hem) centraal stellen en leren om te accepteren en om te gaan met het feit dat hun opvattingen over wat goed is voor [de minderjarige] niet hetzelfde zullen zijn. Het hof ziet in dat wat de vader heeft aangevoerd dan ook geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. [de minderjarige] heeft baat bij rust, stabiliteit en duidelijkheid en het hof is niet gebleken dat de verzochte wijziging in het belang van [de minderjarige] is. Er zijn geen zorgen over de opvoedsituatie van [de minderjarige] bij de moeder thuis, net zoals er overigens geen zorgen zijn over de opvoedsituatie van [de minderjarige] bij de vader thuis. Hierin kan dus geen reden worden gevonden om de situatie ten aanzien van het hoofdverblijf, waaraan [de minderjarige] al geruime tijd gewend is, te wijzigen. Dat de vader – zoals hij heeft aangevoerd – niet minder beschikbaar is dan de moeder, is op zichzelf geen reden om het hoofdverblijf van [de minderjarige] te wijzigen. Dat geldt ook voor de angst van de vader dat de moeder mogelijk met [de minderjarige] zal verhuizen. Het aanpassen van het hoofdverblijf van [de minderjarige] zal – zoals gezegd – er niet toe leiden dat er een meer gelijkwaardig ouderschap, zal zijn.. Het hof zal daarom de beslissing over het hoofdverblijf van [de minderjarige] bekrachtigen.
Het hof zal de door de moeder verzochte zorgregeling voor [de minderjarige] vaststellen en daartoe de beschikking van de rechtbank op dat punt vernietigen. Het belang van [de minderjarige] is naar het oordeel van het hof het meest gediend met de door de moeder voorgestelde zorgregeling. De moeder heeft verzocht de zorgregeling zo aan te passen dat [de minderjarige] drie van de vier weekenden vanaf vrijdagmiddag bij de vader is en eens in de vier weekenden een weekend en alle doordeweekse dagen bij haar is. Het is het hof gebleken dat [de minderjarige] momenteel eens per twee weken op de vrijdag niet naar school gaat, omdat hij in die week vanaf donderdagmiddag bij de vader is. [de minderjarige] wordt komende zomer vijf jaar en is vanaf dan leerplichtig. Hij zal dan niet meer op vrijdagen overdag bij de vader thuis kunnen blijven, maar zal ook dan heen en weer naar school moeten, wat volgens de vader een 45 minuten (enkele reis) rijden is. Het hof acht het een te grote belasting voor [de minderjarige] wanneer hij meerdere keren per week een dergelijke reisafstand moet afleggen om ’s ochtends op school te komen of ’s middags weer thuis te komen. Daarom is het hof van oordeel dat het in het belang van [de minderjarige] is wanneer de vader [de minderjarige] voortaan niet op donderdag, maar op vrijdag uit school ophaalt en op maandag weer naar school brengt. Door de wisselmomenten via school te laten lopen blijven de momenten waarop de ouders elkaar ontmoeten in het bijzijn van [de minderjarige] beperkt tot de overdrachtsmomenten op vrije dagen. Dat is voor [de minderjarige] rustiger en geeft hem ook meer duidelijkheid wanneer hij bij wie is en sluit aan bij het advies van de raad dat er rust moet komen voor [de minderjarige] .
Het hof zal bepalen dat [de minderjarige] eens in de vier weken het weekend bij de moeder verblijft, zodat [de minderjarige] met de moeder buiten de dagelijkse verplichtingen en de vakanties ook samen vrije tijd met haar kan doorbrengen. Het hof zal bepalen dat [de minderjarige] ieder vierde weekend bij de moeder is, maar ouders kunnen in onderling overleg aanpassen welk weekend [de minderjarige] bij de moeder is zolang het maar eens per vier weken is.
Wanneer er geen school is op de dag van de overdracht, brengt de ouder waar [de minderjarige] op dat moment is hem naar de andere ouder en wel om 9.00 uur in de ochtend.
De verdeling van de vakanties bij helfte behoeft geen aanpassing, maar voor de duidelijkheid zal het hof die wel opnieuw opnemen bij de vaststelling van de zorgregeling.
De kinderalimentatie
De rechtbank heeft bepaald dat de vader vanaf het moment dat de moeder geen uitkering in het kader van de Participatiewet meer ontvangt, een bedrag ter hoogte van de verhaalsbijdrage dient te betalen aan de moeder, als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] . Voor zover de vader in hoger beroep heeft verzocht om het verzoek van de moeder om kinderalimentatie af te wijzen, heeft hij dat voorwaardelijk gedaan, namelijk voor het geval het hoofdverblijf van [de minderjarige] bij hem wordt bepaald. Omdat het hoofdverblijf niet bij de vader wordt bepaald en dus niet aan de voorwaarde wordt voldaan, behoeft dit verzoek van de vader verder geen bespreking.
Uitvoerbaar bij voorraad
De beslissing in deze uitspraak kan ook worden uitgevoerd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).
6. De beslissing
Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 15 januari 2025, voor zover daarin is bepaald dat [de minderjarige] , geboren [in] 2021, zijn hoofverblijf bij de moeder zal hebben;
vernietigt die beschikking voor zover die de zorgregeling voor [de minderjarige] betreft en beslist als volgt:
stelt een zorgregeling vast die inhoudt dat:
[de minderjarige] drie van de vier weekenden van vrijdag na school tot maandag naar school bij de vader is, waarbij de vader hem op vrijdag van school haalt en maandag naar school brengt;
[de minderjarige] op de overige dagen en ieder vierde weekend van vrijdag na school tot maandag naar school bij de moeder is;
wanneer er geen school is op de dag van de overdracht, de ouder waar [de minderjarige] op dat moment is hem naar de andere ouder brengt en wel om 9.00 uur in de ochtend;
de vakanties en feestdagen bij helfte worden gedeeld, af te spreken in onderling overleg;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. L. van Dijk, mr. B.J. Engberts en mr. C. Coster, bijgestaan door mr. E.L.K. Bijma als griffier, en is op 8 januari 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.