ECLI:NL:GHARL:2026:865

ECLI:NL:GHARL:2026:865

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 29-01-2026
Datum publicatie 13-02-2026
Zaaknummer 21-002108-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Veroordeling voor (pogingen tot) winkelovervallen met bedreiging met mes. Bekennende verdachte. Het hof ziet in deze zaak een zeer bijzondere stapeling van omstandigheden die tezamen maken dat het hof in dit concrete geval aanleiding ziet om in verregaande mate af te wijken van de straffen die in beginsel in soortgelijke zaken worden opgelegd.

Uitspraak

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1988 in [geboorteplaats] ,

op dit moment verblijvende in [P.I.] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen bovengenoemd vonnis van de rechtbank.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 15 januari 2026 en wat er op de zitting bij de rechtbank besproken is.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. J.A. Schadd, en de advocaat van de benadeelde partijen hebben aangevoerd. De benadeelde partijen zijn allen bijgestaan door mr. E.J.M.J. Damen.

Vonnis

Verdachte is door de rechtbank veroordeeld voor drie winkelovervallen en drie pogingen daartoe, en de rechtbank heeft dit gekwalificeerd als:

De rechtbank heeft aan verdachte een gevangenisstraf van vier jaren, waarvan één jaar voorwaardelijk opgelegd, met een proeftijd van drie jaren. Aan de voorwaardelijke straf zijn bijzondere voorwaarden verbonden, conform het advies van de reclassering van 4 april 2025. Daarnaast is de vordering tot tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf van één maand toegewezen. Ten slotte heeft de rechtbank beslist op de zes vorderingen van de benadeelde partijen.

Het hof komt in dit arrest ten aanzien van feit 3 tot een andere beslissing over het bewijs en de bewezenverklaring dan de rechtbank, omdat het hof niet bewezen acht dat verdachte heeft geprobeerd de sjaal van [benadeelde partij] te grijpen. Ook komt het hof tot een andere strafoplegging dan de rechtbank. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.hij, op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 12 januari 2025 tot en met 21 januari 2025 te [plaatsnaam] , gemeente [gemeente] en/of te [plaatsnaam] , in ieder geval in Nederland,

(telkens) een hoeveelheid geld, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan

in elk geval aan een ander toebehoorde(n)

heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen

welke diefstal(len) werd(en) voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [benadeelde partij] en/of [benadeelde partij] en/of [benadeelde partij] voornoemd,

gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, immers is/heeft hij, verdachte, (telkens)

2.hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 12 januari 2025 tot en met 21 januari 2025 te [plaatsnaam] , gemeente [gemeente] en/of [plaatsnaam] , althans in Nederland,

(telkens) ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [benadeelde partij] en/of [benadeelde partij] te dwingen tot de afgifte van een of meerdere geldbedragen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan de [winkelnaam] , (filiaal [straatnaam] ) en/of de [winkelnaam] (filiaal [straatnaam] ), in elk geval aan de [winkelnaam] , (filiaal [straatnaam] ) en/of de [winkelnaam] (filiaal [straatnaam] ) en/of een derde toebehoorde(n)

terwijl de uitvoering van dat/die voorgenomen misdrijf/misdrijven niet is voltooid;

3.hij op of omstreeks 20 januari 2025 te [plaatsnaam] , althans in Nederland,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

een hoeveelheid geld, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde partij] en/of de [winkelnaam] (filiaal [straatnaam] ), in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n), weg te nemen

met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze poging te doen voorafgaan, te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [benadeelde partij] voornoemd, te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, immers is/heeft hij, verdachte,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverweging

Het hof volstaat ten aanzien van het bewezenverklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het bewezenverklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend en niet door de raadsman vrijspraak is bepleit.

Deze opgave luidt als volgt.

Ten aanzien van feit 1:

Ten aanzien van feit 2:

Ten aanzien van feit 3:

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.hij, op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 12 januari 2025 tot en met 21 januari 2025 te [plaatsnaam] , gemeente [gemeente] en/of te [plaatsnaam] , in ieder geval in Nederland,

(telkens) een hoeveelheid geld, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan

in elk geval aan een ander toebehoorde(n)

heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen

welke diefstal(len) werd(en) voorafgegaan en vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [benadeelde partij] en/of [benadeelde partij] en/of [benadeelde partij] voornoemd,

gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, immers is/heeft hij, verdachte, (telkens)

2.hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 12 januari 2025 tot en met 21 januari 2025 te [plaatsnaam] , gemeente [gemeente] en/of [plaatsnaam] , althans in Nederland,

(telkens) ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [benadeelde partij] en/of [benadeelde partij] te dwingen tot de afgifte van een of meerdere geldbedragen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan de [winkelnaam] , (filiaal [straatnaam] ) en/of de [winkelnaam] (filiaal [straatnaam] ), in elk geval aan de [winkelnaam] , (filiaal [straatnaam] ) en/of de [winkelnaam] (filiaal [straatnaam] ) en/of een derde toebehoorde(n)

terwijl de uitvoering van dat/die voorgenomen misdrijf/misdrijven niet is voltooid;

3.hij op of omstreeks 20 januari 2025 te [plaatsnaam] , althans in Nederland,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

een hoeveelheid geld, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde partij] en/of de [winkelnaam] (filiaal [straatnaam] ), in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n), weg te nemen

met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze poging te doen voorafgaan en te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [benadeelde partij] voornoemd, te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, immers is/heeft hij, verdachte,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, meermalen gepleegd.

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

poging tot afpersing, meermalen gepleegd.

Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:

poging tot diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf en/of maatregel

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte voor het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 42 maanden waarvan 18 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren en hieraan de bijzondere voorwaarden verbonden zoals geadviseerd door de reclassering op 4 april 2025.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om bij het bepalen van de op te leggen straf aansluiting te zoeken bij de oriëntatiepunten voor winkeldiefstal gevolgd door geweld en aan verdachte een gevangenisstraf met een aanzienlijk voorwaardelijk strafdeel op te leggen. Daaraan dienen de bijzondere voorwaarden te worden verbonden zoals geadviseerd door de reclassering op 4 april 2025. De raadsman heeft verzocht om het onvoorwaardelijke strafdeel te beperken, bijvoorbeeld in de vorm van een gevangenisstraf van 36 maanden, waarvan 18 maanden voorwaardelijk. Bij een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur bestaat het risico dat de momenteel aanwezige motiverende en beschermende factoren tenietgaan. De aanzienlijk voorwaardelijke straf kan zorgen voor de generale preventie.

Oordeel van het hof

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Ernst feit

Verdachte heeft zich in een periode van negen dagen schuldig gemaakt aan drie winkelovervallen en aan drie pogingen daartoe. Bij vijf overvallen heeft hij de winkelmedewerkers, van wie een aantal nog minderjarig was, van dichtbij bedreigd met een keukenmes en gesommeerd om hem geld te geven uit de kassa. Op camerabeelden is te zien hoe de kassamedewerkers ten opzichte van verdachte als was in zijn handen zijn op het moment dat aan hen het mes wordt getoond.

Een overval wordt veelal als zeer beangstigend en bedreigend ervaren door slachtoffers. Dergelijke feiten veroorzaken daarnaast maatschappelijke onrust en versterken de gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Verdachte heeft slechts oog gehad voor zijn eigen financiële gewin en geen rekening gehouden met de gevolgen voor de slachtoffers.

Het hof weegt mee dat binnen de brandbreedte van ernst van overvallen de onderhavige feiten – mede gelet op de wijze waarop het mes is getoond – meer beperkt in ernst zijn geweest dan vaak het geval is. Verdachte heeft (kort) een mes getoond aan de aangevers, hen gesommeerd geld te geven en hiermee vrees aangejaagd. De bedreiging is gebleven bij dit tonen en het sommeren. Met deze vaststelling wil het hof geenszins afbreuk doen aan het ingrijpende karakter van de voorvallen voor de slachtoffers. Tegelijkertijd is het met het oog op de strafoplegging noodzakelijk de feiten te vergelijken met andere overvallen waarbij in andere mate geweld is gebruikt.

Persoon van verdachte

Het hof heeft daarnaast acht geslagen op het strafblad van verdachte van 15 december 2025. Daaruit volgt onder meer dat verdachte in 2024 is veroordeeld tot betaling van een geldboete voor winkeldiefstal in vereniging. Verdachte heeft niet eerder een gevangenisstraf met een onvoorwaardelijk deel opgelegd gekregen. De periode die hij inmiddels in detentie heeft doorgebracht, heeft hem aan het denken gezet en geactiveerd in zijn re-integratieproces. Hij wil van zijn problemen afkomen en heeft alle in detentie beschikbare cursussen gevolgd en handvaten aangegrepen om te voorkomen dat hij na zijn detentie in een negatieve spiraal afglijdt. De brief van 6 januari 2026 afkomstig van zijn reclasseringswerker ondersteunt voorgaande ontwikkeling. Volgens de advocaat-generaal blijkt hieruit dat verdachte een ‘voorbeeldige gevangene’ te noemen is. Ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden speelt tot slot dat zowel de partner als de ouders van verdachte (ernstig) ziek zijn en dat verdachte tegen die achtergrond graag zorgtaken binnen de familie wil kunnen vervullen. Het hof ziet in voorgaande een sterk recidivebeperkende factor en ziet daarin tevens aanleiding welwillender te kijken naar de mogelijkheden voor resocialisatie.

Ter terechtzitting in eerste aanleg, en wederom in hoger beroep, heeft verdachte de ernst van zijn daden volledig erkend en meermaals spijt betuigd jegens de slachtoffers. Verdachte is zich bewust dat hij veel ellende heeft veroorzaakt met zijn handelen. De advocaat-generaal heeft opgemerkt dat de spijtbetuiging hem oprecht overkwam. Het hof komt tot diezelfde beschouwing en weegt de spijtbetuiging in strafmatigende zin mee.

Ook heeft het hof kennisgenomen van het advies van de reclassering van 4 april 2025. Zoals eerder door de rechtbank opgemerkt, volgt hieruit dat verdachte de delicten pleegde uit geldnood en onder grote druk door onder meer dreigende uithuiszetting voor hem en zijn jonge gezin. Zijn verslaving aan speed en alcohol, die al deels de oorzaak was van zijn diverse problemen, heeft veel bijgedragen aan het nemen van verkeerde beslissingen, waaronder de gepleegde delicten. Verdachte heeft op dit moment sterke beweegredenen om delictvrij te blijven; zijn relatie, gezin, huisvesting en anti-criminele houding. Met name op de leefgebieden middelengebruik en psychosociaal functioneren ziet de reclassering risico’s voor verdachte en de maatschappij. De reclassering acht daarom een straf met bijzondere voorwaarden geïndiceerd, waaronder een ambulante behandeling met de mogelijkheid tot kortdurende klinische opname. Daarnaast wordt een (aanzienlijke) voorwaardelijke gevangenisstraf geadviseerd, als stok achter de deur ten aanzien van die bijzondere voorwaarden.

Straf

Bij het bepalen van de op te leggen straf neemt het hof in beginsel de oriëntatiepunten voor de rechtspraak en straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, als uitgangspunt. Het hof ziet in deze zaak een zeer bijzondere stapeling van omstandigheden die tezamen maken dat het hof in dit concrete geval aanleiding ziet om in verregaande mate af te wijken van de straffen die in beginsel in soortgelijke zaken worden opgelegd. Het hof wijst hierbij op de hiervoor besproken gradatie van de ernst van de feiten, de oprechte spijtbetuiging van verdachte, zijn bekennende proceshouding, zijn ontwikkeling gedurende detentie en zijn persoonlijke omstandigheden (ernstig zieke ouders, gezondheid van partner, zorgdragend voor zijn kinderen).

Alles afwegende zal het hof aan verdachte een gevangenisstraf opleggen van 36 maanden, waarvan 18 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. Hieraan worden de voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering op 4 april 2025 verbonden (meldplicht, ambulante behandeling met mogelijkheid tot kortdurende klinische opname, drugs- en alcoholverbod en medewerking aan middelencontrole, verbod kansspelen, meewerken aan schuldhulpverlening, meewerken aan dagbesteding en een locatieverbod). De tijd die verdachte al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, zal in mindering worden gebracht op de straf.

Vorderingen van de benadeelde partijen

De benadeelde partijen [benadeelde partij] , [benadeelde partij] , [benadeelde partij] , [benadeelde partij] en [benadeelde partij] hebben een vordering tot schadevergoeding van € 2.500,- ingediend, bestaande uit immateriële schade. De benadeelde partij [benadeelde partij] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 1.114,47 ingediend, bestaande uit € 1.000,- aan immateriële schade en € 114,47 aan materiële schade.

De benadeelde partijen zijn door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot vergoeding van immateriële schade. De rechtbank heeft de vordering tot vergoeding van materiële schade van de benadeelde partij [benadeelde partij] voor een deel toegewezen tot een bedrag van € 107,94 en voor een deel afgewezen tot een bedrag van € 6,53.

De benadeelde partijen hebben in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat alle vorderingen van de benadeelde partijen geheel kunnen worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente, en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van de vorderingen tot immateriële schadevergoeding op het standpunt gesteld dat deze onvoldoende zijn onderbouwd. Het oordeel van de rechtbank dient te worden gevolgd.

Oordeel van het hof

Het hof zal ten behoeve van de leesbaarheid de vorderingen waar mogelijk gezamenlijk bespreken.

Immateriële schade

De benadeelde partijen [benadeelde partij] , [benadeelde partij] , [benadeelde partij] , [benadeelde partij] , [benadeelde partij] en [benadeelde partij] hebben allen een bedrag aan smartengeld gevorderd. Namens voornoemde benadeelde partijen is gesteld dat zij psychisch letsel hebben opgelopen naar aanleiding van de overvallen en de bedreiging met het mes. Daarmee is volgens de benadeelde partijen sprake van een aantasting in persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b BW.

Ter onderbouwing heeft mr E.J.M.J. Damen in hoger beroep de volgende stukken overgelegd:

Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake als de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat psychische schade is ontstaan als gevolg van het bewezenverklaarde. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders als de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de daaruit voor de benadeelde voortvloeiende nadelige gevolgen zozeer voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon (zonder meer) kan worden aangenomen.

Voor wat betreft de aard en de ernst van de normschending overweegt het hof dat de daaruit nadelige gevolgen niet zozeer voor de hand liggen dat op basis daarvan een aantasting in de persoon (zonder meer) kan worden aangenomen. Dit betekent dat de aantasting in de persoon, het geestelijk letsel, met concrete gegevens onderbouwd moet worden. Hoewel de voorstelbare nadelige gevolgen, te weten gevoelens van angst, ongemak en verlies van onbevangenheid, ongetwijfeld een nare impact op het leven van de benadeelden kunnen hebben, zijn die mogelijke gevolgen onvoldoende geïndividualiseerd, onderbouwd en geconcretiseerd om de bedoelde aantasting in de persoon op andere wijze bij de verschillende benadeelde partijen te kunnen aannemen. De in hoger beroep overgelegde stukken maken dit oordeel van het hof niet anders.

Het hof is van oordeel dat de mogelijkheid bieden aan de benadeelde partijen voor concretisering en onderbouwing van de aantasting in de persoon ten behoeve van behandeling van de vordering, een onevenredige belasting van de strafprocedure oplevert. Daarom zijn de benadeelde partijen niet-ontvankelijk in hun vordering tot vergoeding van immateriële schade. De benadeelde partijen kunnen de vordering indienen bij de burgerlijke rechter.

Materiële schade

Op de zitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde partij] rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 3 bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte.

Het gevorderde bedrag van € 107,94 voor gederfde inkomsten is voldoende onderbouwd en wordt daarom toegewezen. Verdachte is over dit bedrag wettelijke rente verschuldigd vanaf 24 januari 2025, zijnde de laatste dag waarop de benadeelde partij niet heeft gewerkt.

De gevorderde reis- en parkeerkosten voor een bezoek aan het politiebureau, van in totaal € 6,53 (zes euro en drieënvijftig cent), zullen worden afgewezen, nu deze kosten niet zijn aan te merken als schade die rechtstreeks is geleden door het strafbare feit of als kosten ter vaststelling van de schade en aansprakelijkheid in de zin van artikel 6:96 lid 2 onder b van het Burgerlijk Wetboek. Verdachte hoeft dat bedrag dus niet te betalen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.

Vordering tot tenuitvoerlegging

In de zaak met parketnummer 96-164342-21 is verdachte op 4 mei 2023 door de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaat Utrecht, veroordeeld. Aan verdachte is toen een voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd van één maand, met een proeftijd van twee jaren. Het openbaar ministerie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van deze voorwaardelijke gevangenisstraf. Deze vordering is in hoger beroep ook aan de orde.

Verdachte heeft een nieuw strafbaar feit gepleegd voor het einde van de proeftijd. Daarom beveelt het hof de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van één maand.

Wetsartikelen

De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 57, 63, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 (zesendertig) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 18 (achttien) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of verdachte gedurende de proeftijd van 3 (drie) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat

o [winkelnaam] , filiaal [straatnaam] te [plaatsnaam] ;

o [winkelnaam] te [plaatsnaam] ;

o [winkelnaam] , filiaal [straatnaam] te [plaatsnaam] ;

o [winkelnaam] , filiaal lepenstraat te [plaatsnaam] ;

o [winkelnaam] , filiaal [straatnaam] te [plaatsnaam] ;

o [winkelnaam] , filiaal [straatnaam] te [plaatsnaam] .

Geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat de benadeelde partij en verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat de benadeelde partij en verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat de benadeelde partij en verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat de benadeelde partij en verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat de benadeelde partij en verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 107,94 (honderdzeven euro en vierennegentig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van € 6,53 (zes euro en drieënvijftig cent) aan materiële schade af.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 107,94 (honderdzeven euro en vierennegentig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 24 januari 2025.

Vordering tot tenuitvoerlegging

Beveelt de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 4 mei 2023, parketnummer 96-164342-21, voorwaardelijk opgelegde straf, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.

Aldus gewezen door

mr. S. Taalman, voorzitter,

mr. J.L.F. Groenhuijsen en mr. N.I.S. Boers, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. A.S. Janssen, griffiers,

en op 29 januari 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. S. Taalman
  • mr. J.L.F. Groenhuijsen
  • mr. N.I.S. Boers

Griffier

  • mr. A.S. Janssen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand