ECLI:NL:GHARL:2026:868

ECLI:NL:GHARL:2026:868

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 13-02-2026
Datum publicatie 16-02-2026
Zaaknummer 21-000357-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Leeuwarden

Samenvatting

Het hof heeft verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde feit (medeplegen van poging tot oplichting) veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren, bij niet naar behoren uitvoeren te vervangen door 60 dagen hechtenis.

Uitspraak

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2003 in [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voornoemd vonnis van de politierechter.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 30 januari 2026 en op de zitting bij de politierechter is besproken.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal strekkende tot bevestiging van het vonnis van de politierechter. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.

Verder heeft het hof kennisgenomen van wat de raadsman van verdachte, mr. C. Verrillo, heeft aangevoerd.

Het vonnis

De politierechter heeft verdachte veroordeeld ten aanzien van het ten laste gelegde feit (medeplegen poging oplichting) tot een taakstraf van 180 uren, bij niet naar behoren uitvoeren te vervangen door 90 dagen hechtenis, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

Het hof komt op onderdelen tot een andere bewijsconstructie en ten aanzien van de strafoplegging tot een andere beslissing dan de politierechter. Het hof zal het vonnis van de politierechter daarom vernietigen en opnieuw rechtdoen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 19 mei 2024 te [plaats] , althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer] te bewegen tot de afgifte van enig goed en/of het ter beschikking stellen van gegevens, te weten één of meer bankpassen en/of (bijbehorende) reader immers hebben verdachte en/of zijn mededader(s)

- [slachtoffer] per e-mail benaderd en zich voorgedaan als medewerker van een bank en/of

- ( vervolgens telefonisch) [slachtoffer] gemeld dat zij, [slachtoffer] , een bedrag van meer dan 1000 euro moest betalen en/of de bank niet bij haar gegevens kon en/of de bankgegevens van [slachtoffer] waren geblokkeerd en/of gemeld dat [slachtoffer] haar pinpas en/of de pinpas van haar echtgenoot met (bijbehorende) reader in een enveloppe voorzien van een nummer moest doen en/of overhandigen aan een koerier en/of medewerker van de bank die bij voornoemde [slachtoffer] aan de deur zou komen en/of

- de woning van [slachtoffer] bezocht en/of bij [slachtoffer] aan de deur is gekomen om voornoemde enveloppe met nummer (met hierin de een of meer bankpassen en/of reader) in ontvangst te nemen en/of mee te nemen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverweging

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich namens verdachte op het standpunt gesteld dat hij vanwege een gebrek aan wettig en overtuigend bewijs vrijgesproken dient te worden van het ten laste gelegde feit. Hiertoe heeft de raadsman aangevoerd dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat verdachte een valse naam of hoedanigheid heeft aangenomen of dat hij gebruik heeft gemaakt van listige kunstgrepen of een samenweefsel van verdichtsels om zichzelf of (een) ander(en) te bevoordelen. De verklaringen die aangeefster en [getuige 1] bij de raadsheer-commissaris hebben afgelegd, maken dit niet anders. Het enige wat kan worden vastgesteld, is dat verdachte aan de deur is geweest bij aangeefster. Hierover heeft hij verklaard dat hij daar was, omdat hij daar een pakketje met drugs moest ophalen. Dit leidt ertoe dat ook niet te bewijzen is dat verdachte opzet heeft gehad op de oplichting van aangeefster. Het is de bedoeling van (een) ander(en) geweest om aangeefster op te lichten, niet die van verdachte.

Oordeel van het hof

De door het hof gebruikte bewijsmiddelen

1. Het proces-verbaal van aangifte van 19 mei 2024, opgenomen op pagina’s 6 tot 8 van het politiedossier voor zover inhoudende als pleegplaats [straat 3] te [plaats] en als verklaring van aangeefster, zakelijk weergegeven:

Ik doe aangifte van poging tot bankpasfraude. Op zondag 19 mei 2024 omstreeks 17.30 uur zag ik een e-mailbericht op mijn e-mailadres. Ik zag dat er in deze e-mail stond geschreven dat de ING een bedrag van meer dan duizend euro wilde opnemen. Ik heb mijn betaalrekeningen allemaal lopen via de Rabobank. Ik zag dat in de e-mail een telefoonnummer stond en dit nummer heb ik gebeld. Op een gegeven moment kreeg ik de vraag om de bankpas van mij en mijn man in een enveloppe te doen, samen met een Raboreader. Ook moest ik hier een nummer op schrijven. Tijdens het telefoongesprek ging de deurbel en zag ik een persoon staan. Dit was rond 19.00 uur, toen was ik ongeveer anderhalf uur aan het telefoneren. De persoon voor de deur droeg een zonnebril en een dikke jas, had een stevig postuur en een blanke huid en was ongeveer 1,60 meter lang. Ik hoor dat deze persoon vroeg om een enveloppe met een nummer. Ik zei tegen hem dat ik geen nummer had en dat ik de enveloppe niet ging meegeven. Hierop vroeg ik waarom deze persoon een zonnebril droeg. Meteen hierna zette deze persoon het op een lopen. Direct zag ik dat mijn overbuurman te voet de achtervolging inzette. Hij ging achter deze persoon aan.

2. Het proces-verbaal van verhoor getuige van 19 mei 2024, opgenomen op pagina’s 12 tot en met 14 van het politiedossier voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 1] , zakelijk weergegeven:

​Ik stond vandaag, zondag 19 mei 2024, in de keuken van mijn woning en keek naar buiten. Ik zag dat er een man met een te strakke donkerkleurige hoodie voor de deur stond bij mijn overburen [naam] en [slachtoffer] . Ook had deze man een rare donkergekleurde zonnebril op met een lichter gekleurde stoffen broek. Ik zag dat [slachtoffer] met die jongen in gesprek was en hoorde haar zeggen dat zij [naam] op zou halen en dat de politie was gebeld. Ik zag dat die jongen zijn hoodie opzette en wegrende. Ik ben achter de jongen aangerend. Vervolgens raakte ik de jongen kwijt tussen de [straat 1] en de [straat 2] . Ik bleef wachten op de [straat 2] en toen zag ik diezelfde jongen lopen, maar zonder de hoodie en zonnebril. De jongen die is aangehouden door de politie is dezelfde jongen die met mijn overbuurvrouw heeft staan praten.

3. Het proces-verbaal van verhoor getuige van 19 mei 2024, opgenomen op pagina’s 9 tot en met 11 van het politiedossier voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 2] , zakelijk weergegeven:

​​​​​​​Op zondag 19 mei 2024 omstreeks 18:45 uur was ik mijn hond aan het uitlaten. Ik zag een jongeman aan komen rennen uit de richting van de [straat 3] . Ik zag dat hij zijn hoofd bedekt had, een zonnebril op had, donker gekleed was en een gezet postuur had. Ik vond de combinatie van het rennen en zijn kledij verdacht. Ik zag op dat moment dat er een meneer (het hof begrijpt: [getuige 1] ) achter de jongen aanliep. Ik sprak vervolgens met [getuige 1] en vroeg hem wat hij gedaan had. Ik vroeg welke kant de jongen was opgegaan. Ik hoorde dat [getuige 1] zei dat de jongen in de richting van de [straat 4] te [plaats] was gegaan. Ik ben toen via de [straat 1] in de richting van de [straat 4] te [plaats] gerend om hem daar proberen op te vangen. Ik zag dat de jongen aan kwam rennen gevolgd door [getuige 1] op de kruising [straat 5] en de [straat 2] aan de zijde van de [straat 4] te [plaats] . Ik zag toen ook dat hij inmiddels geen bovenkleding meer aanhad. Ik zag dat de jongen aan het bellen was.

4. Het proces-verbaal van verhoor getuige van 19 mei 2024, opgenomen op pagina’s 15 tot en met 17 van het politiedossier voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 3] , zakelijk weergegeven:

Op zondag 19 mei (het hof begrijpt: 2024) was ik samen mijn vader op straat. Dit was omstreeks 18.30 uur. Ik zag een jongen aan komen lopen. Hij droeg een grijs shirt en een zwarte joggingsbroek. Ik hoorde dat hij buiten adem was. Ik zag toen een man (het hof begrijpt: [getuige 1] ) achter hem aanlopen die een paar keer tegen deze jongen zei dat hij moest stoppen. Op het moment dat de jongen ons passeerde, zag ik dat hij met iemand aan het bellen was. Ik hoorde dat hij zei: “het is niet gelukt”.

Bewijsoverweging

Het hof is van oordeel dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden op grond van de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen. Het hof twijfelt niet aan de juistheid en betrouwbaarheid van deze bewijsmiddelen. Het hof overweegt hiertoe aanvullend als volgt.

Verdachte heeft met betrekking tot het tenlastegelegde op de zitting bij de politierechter verklaard dat hij niets te maken heeft met de oplichting, dat hij op 19 mei 2024 bij aangeefster heeft aangebeld, omdat hij daar een pakketje met drugs moest ophalen, dat hij zag dat het om een vrouw op leeftijd ging en dat hij daarna meteen weg is gegaan. Deze verklaring van verdachte, inhoudende een alternatief scenario, acht het hof onaannemelijk nu het geen steun vindt in bovengenoemde bewijsmiddelen of de overige inhoud van het dossier en bovendien hierdoor op verschillende punten wordt weersproken. Zo blijkt uit de hierboven opgenomen bewijsmiddelen dat verdachte bij aangeefster aanbelde op het moment dat zij nog aan het bellen was met de persoon die haar instructies gaf met betrekking tot het afgeven van de bankpassen en de Raboreader. Toen aangeefster vervolgens de deur opendeed, ging verdachte, in tegenstelling tot zijn verklaring, niet meteen weg, maar vond er voor de deur van de woning een gesprek plaats tussen hem en aangeefster. In dit gesprek vroeg hij aangeefster niet om een pakketje, maar om een enveloppe met een nummer. Dit komt overeen met de instructies die aangeefster kort daarvoor van de persoon aan de telefoon had ontvangen. Deze gang van zaken duidt erop dat er communicatie is geweest tussen verdachte en de persoon die aangeefster aan de lijn had, dat verdachte wist dat hij een enveloppe en nummer moest ophalen bij aangeefster en dat er, mede gezien het moment waarop verdachte bij aangeefster voor de deur staat, sprake is geweest van enige afstemming.

Onder deze omstandigheden is het hof van oordeel dat sprake is geweest van een voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘medeplegen’ vereiste bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en de persoon die met aangeefster belde. Anders dan door de raadsman gesteld kan het naar het oordeel van het hof namelijk, gelet op het hiervoor overwogene, niet anders zijn dan dat verdachte minst genomen voorwaardelijk opzet heeft gehad op de (poging tot) oplichting. Bovendien heeft verdachte door zijn handelen een onmisbare schakel gevormd bij de (poging tot) oplichting. Het doel hiervan, te weten het verkrijgen van de bankpassen en de Raboreader, zou namelijk niet kunnen worden bereikt als verdachte niet bij aangeefster aan de deur was geweest om deze te proberen op te halen. Doordat aangeefster de passen en Raboreader niet daadwerkelijk heeft afgegeven aan verdachte is het bij een poging gebleven.

Gelet op het hiervoor overwogene is het hof van oordeel dat het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden. Anders dan door de raadsman betoogd, maakt het gegeven dat verdachte niet alle bestanddelen van het ten laste gelegde feit zelf heeft vervuld dit oordeel van het hof niet anders. Dit is namelijk ten aanzien van medeplegen geen vereiste.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op 19 mei 2024 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer] te bewegen tot de afgifte van enig goed, te weten één of meer bankpassen en bijbehorende reader immers hebben verdachte en zijn mededader

- [slachtoffer] per e-mail benaderd en zich voorgedaan als medewerker van een bank en

- vervolgens telefonisch [slachtoffer] gemeld dat zij, [slachtoffer] , een bedrag van meer dan 1000 euro moest betalen en de bank niet bij haar gegevens kon en de bankgegevens van [slachtoffer] waren geblokkeerd en gemeld dat [slachtoffer] haar pinpas en de pinpas van haar echtgenoot met bijbehorende reader in een enveloppe voorzien van een nummer moest doen en overhandigen aan een medewerker van de bank die bij voornoemde [slachtoffer] aan de deur zou komen en

- bij [slachtoffer] aan de deur is gekomen om voornoemde enveloppe met nummer met hierin de een of meer bankpassen en reader in ontvangst te nemen en mee te nemen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.

Het bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van poging tot oplichting.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf

Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte. Het hof heeft in het bijzonder het navolgende meegewogen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van poging tot oplichting. Hierbij is geraffineerd te werk gegaan. Er is allereerst een e-mail verstuurd aan de hand waarvan aangeefster het daarin opgegeven nummer belde. Zij kreeg verdachtes mededader aan de lijn, die zich voordeed als medewerker van de bank. Van deze persoon kreeg zij instructies inhoudende dat zij bankpassen met de bijbehorende Raboreader in een enveloppe moest doen en deze moest overhandigen aan de persoon die aan de deur zou komen. Terwijl aangeefster nog aan de lijn hing, kwam verdachte aan de deur om de passen en Raboreader op te halen. Dat het slechts bij een poging is gebleven, is niet aan het handelen van verdachte of zijn mededader te danken. Als aangeefster niet tijdig door had gehad dat er iets niet klopte en de passen met de Raboreader wel had afgegeven dan hadden verdachte en zijn mededader hier eventueel gebruik van kunnen maken met alle mogelijke gevolgen en financiële schade van dien. Dergelijke oplichtingspraktijken schaden het vertrouwen van de slachtoffers in de medemens en in het economische betaalverkeer. Verdachte heeft zich kennelijk geen moment bekommerd om de schade die aangeefster zou kunnen oplopen ten gevolge van zijn handelen en alleen oog gehad voor zijn eigen financiële gewin. Voor zijn handelen heeft verdachte, ook in hoger beroep, geen verantwoordelijkheid genomen.

Het hof heeft verder gelet op het strafblad van verdachte van 29 december 2025. Daaruit volgt dat hij niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor (soortgelijke) strafbare feiten.

Het hof heeft ook acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Ten aanzien hiervan heeft de raadsman op de zitting in hoger beroep laten weten dat er in de afgelopen periode geen verandering is geweest in de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte woont nog bij zijn ouders en komt rond van een bijstandsuitkering. Ook heeft hij schulden. De raadsman weet niet of verdachte hulp of begeleiding krijgt bij het aflossen hiervan.

Gelet op het hiervoor overwogene en met name op wat in vergelijkbare zaken met vergelijkbare omstandigheden door de rechter wordt opgelegd, acht het hof, anders dan de politierechter en de advocaat-generaal, passend en noodzakelijk de oplegging van een taakstraf van 120 uren, bij niet naar behoren uitvoeren te vervangen door 60 dagen hechtenis.

Wetsartikelen

De straf is gebaseerd op de artikelen 9, 22c, 22d, 45, 47 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mr. A.H. toe Laer, mr. Z.J. Oosting en mr. M.B. de Wit, in aanwezigheid van de griffier mr. I.C. Bita en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 13 februari 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?