[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1985 in [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats] .
Hoger beroep
Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voornoemd vonnis van de politierechter.
Onderzoek van de zaak
Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 30 januari 2026 en wat op de zitting van de politierechter is besproken.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal strekkende tot
- toewijzing van de vorderingen van [benadeelde partij 1] en haar moeder als benadeelde partijen zoals de politierechter dat heeft gedaan.
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en haar raadsman, mr. P.R. Logemann, hebben aangevoerd.
Ook heeft het hof acht geslagen op wat mevrouw S. Dusseldorp, namens [benadeelde partij 1] ( [benadeelde partij 1] ) en [benadeelde partij 2] (moeder van [benadeelde partij 1] ) als benadeelde partijen, naar voren heeft gebracht.
Het vonnis
De politierechter heeft verdachte veroordeeld ten aanzien van het ten laste gelegde feit tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Verder heeft de politierechter de vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd in de vorm van een verbod om contact op te nemen met [benadeelde partij 1] en haar moeder voor de duur van 3 jaren. Deze maatregel heeft de politierechter dadelijk uitvoerbaar verklaard. De vordering van [benadeelde partij 1] als benadeelde partij heeft de politierechter geheel (€ 1.500,00) toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering van [benadeelde partij 1] ’s moeder als benadeelde partij heeft de politierechter gedeeltelijk toegewezen, tot een bedrag van € 2.076,06, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige heeft de politierechter [benadeelde partij 1] ’s moeder als benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.
Het hof is van oordeel dat de politierechter grotendeels op juiste wijze en gronden heeft beslist. Het hof zal het vonnis dan ook bevestigen, behalve voor zover het de strafoplegging betreft. Ten aanzien van dit onderdeel van het vonnis komt het hof tot een andere beslissing dan de politierechter. In zoverre zal het hof het vonnis vernietigen. Verder ziet het hof aanleiding om de overweging in het vonnis van de politierechter ten aanzien van de beslissing op de vorderingen van [benadeelde partij 1] en haar moeder als benadeelde partijen aan te vullen. Het hof zal het vonnis van de politierechter daarom, met uitzondering van de strafoplegging, bevestigen met aanvulling van gronden.
Oplegging van straf en maatregel
Bij het bepalen van de straf en maatregel heeft het hof rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Het hof heeft in het bijzonder het navolgende meegewogen.
Aard, ernst en omstandigheden van het bewezenverklaarde handelen
Verdachte heeft [benadeelde partij 1] , die ten tijde van het bewezenverklaarde feit 15 jaar oud was, opzettelijk onttrokken aan het wettig over haar gesteld gezag door haar zonder toestemming van haar moeder mee te nemen naar [land] . Bovendien heeft verdachte hierbij gebruikgemaakt van list en bedreiging met geweld. [benadeelde partij 1] liep stage en werkte in de winkel van verdachte. Verdachte is met [benadeelde partij 1] in gesprek gegaan en er ontstond een vertrouwensband tussen hen. Zo vertelden zij elkaar over en weer dingen over hun leven. Op enig moment heeft verdachte [benadeelde partij 1] verschillende dingen verteld over wat zij zou hebben meegemaakt in het verleden. Verdachte was ervan overtuigd dat [benadeelde partij 1] hetzelfde was of zou overkomen. Verdachte heeft vervolgens bij [benadeelde partij 1] de overtuiging gewekt dat zij een kind was dat door haar ouders was verkocht voor satanische rituelen en misbruik en dat zij hiervoor door een wit busje zou worden opgehaald als zij niet met verdachte mee zou gaan naar [land] . Ook heeft verdachte [benadeelde partij 1] laten geloven dat zij met z’n tweeën een missie hadden om kinderen uit tunnels in [land] of uit een pedofielennetwerk te bevrijden. Verdachte heeft [benadeelde partij 1] , die in de veronderstelling verkeerde dat verdachte haar de waarheid had verteld, vervolgens meegenomen naar [land] . Tijdens de reis was [benadeelde partij 1] afhankelijk van verdachte. Zij had geen identiteitsbewijs mee en moest haar telefoon van verdachte uitdoen. Daardoor was er ook geen contact mogelijk tussen [benadeelde partij 1] en haar moeder of andere familieleden. De familie van [benadeelde partij 1] verkeerde in de periode dat [benadeelde partij 1] weg was in angst en onzekerheid. Zij wisten niet waar zij was en of zij veilig was. Ook nadat bekend werd waar [benadeelde partij 1] zich bevond, kon haar moeder haar niet meteen terughalen naar Nederland. [benadeelde partij 1] moest een tijdje in een jeugdcentrum in [land] verblijven zonder dat zij dit kon verlaten, de taal daar sprak of wist wat er precies ging gebeuren. Vervolgens moest zij alleen met het vliegtuig terug naar Nederland. Na haar terugkeer bleef bij haar en haar moeder de angst bestaan dat verdachte haar weer mee zou nemen. Al deze omstandigheden weegt het hof in strafverzwarende zin mee bij de strafoplegging.
Het onderzoek ter terechtzitting en het dossier bieden aanwijzingen dat er bij verdachte voor en tijdens het bewezenverklaarde sprake was van psychische problemen. Gesteld noch gebleken is dat dit maakt dat verdachte niet kan worden toegerekend wat zij heeft gedaan en dat zij daarvoor niet strafbaar is. Hoewel het hof verdachte niet volledig ontoerekeningsvatbaar acht, gaat het hof er wel vanuit dat psychische problemen in enige mate hebben doorgewerkt in haar handelen. Verdachte heeft gehandeld met de gedachte dat [benadeelde partij 1] in gevaar was, dat zij door de autoriteiten in Nederland niet zou worden geholpen en dat zij [benadeelde partij 1] mee moest nemen naar [land] om haar te beschermen. Uit het dossier volgt dat verdachte kennelijk traumatiserende herinneringen heeft aan haar eigen verleden en dat zij geloofde dat zij, door [benadeelde partij 1] mee te nemen naar het buitenland, kon voorkomen dat [benadeelde partij 1] het slachtoffer zou worden van ernstige strafbare feiten. Dit maakt de wijze waarop zij heeft gehandeld niet juist en het kan evenmin worden aangemerkt als een excuus voor haar handelen, maar wordt wel door het hof in strafmatigende zin meegewogen.
Persoonlijke omstandigheden van verdachte
Strafblad
Het hof heeft verder gelet op het strafblad van verdachte van 29 december 2025. Daaruit volgt dat zij niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor (soortgelijke) strafbare feiten.
Reclasseringsadvies
Het hof heeft ook gelet op het reclasseringsadvies van 18 februari 2025 dat met betrekking tot verdachte door Reclassering Nederland is opgemaakt. Uit het rapport blijkt dat de reclassering bij een veroordeling een straf zonder bijzondere voorwaarden adviseert, omdat de reclassering toezicht niet nodig vindt.
Overige persoonlijke omstandigheden
Het hof heeft ook acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals deze op de zitting in hoger beroep zijn besproken. Verdachte heeft verklaard dat zij met de hulp van [stichting] sinds kort een eigen huurwoning heeft in [plaats] . Ook is zij kortgeleden bevallen van haar zoon. De vader van haar zoon is uit beeld waardoor zij de volledige zorg draagt. Verdachte heeft momenteel geen sociale contacten en moet rondkomen van een bijstandsuitkering. Verdachte heeft ook schulden waarvoor zij betalingsregelingen heeft getroffen. Zij is van plan om in de toekomst weer te gaan ondernemen en gaat daarover in gesprek met de gemeente. Verder geeft zij aan dat zij psychische klachten heeft die volgens haar te maken hebben met haar verleden. Zij wil graag dat een diagnose wordt gesteld en geeft aan hieraan mee te zullen werken. Ook staat zij open voor behandeling, eventueel door tussenkomst van de reclassering.
Straf
Gelet op het hiervoor overwogene acht het hof, anders dan de politierechter en de advocaat-generaal, passend en noodzakelijk de oplegging van een taakstraf van 100 uren, bij niet naar behoren uitvoeren te vervangen door 50 dagen hechtenis, in combinatie met een gevangenisstraf voor de duur van 109 dagen met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis en in detentie in het buitenland in het kader van haar overlevering heeft doorgebracht, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. Hierbij geldt dat het hof ervan uitgaat dat verdachte in totaal 19 dagen in detentie in [land] en in voorarrest in Nederland heeft vastgezeten. Dit zou betekenen dat er voor verdachte, na aftrek, geen onvoorwaardelijk gedeelte van de gevangenisstraf overblijft en zij niet terug hoeft naar de gevangenis. Dit is ook uitdrukkelijk de bedoeling van het hof.
In tegenstelling tot het reclasseringsadvies ziet het hof in onderhavige zaak, gelet op de aanwijzingen voor aanwezigheid van psychische problemen bij verdachte, aanleiding om ten aanzien van de voorwaardelijk op te leggen gevangenisstraf bijzondere voorwaarden te stellen in de vorm van, kort gezegd, een meldplicht bij de reclassering, een verplichting om mee te werken aan diagnostiek en een verplichting om zich (zo nodig) te laten behandelen. Deze bijzondere voorwaarden zal het hof dadelijk uitvoerbaar verklaren. Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep leidt het hof af dat verdachte nog steeds lijdt onder de gebeurtenissen die zich in haar verleden zouden hebben afgespeeld. Ook heeft verdachte verklaard dat zij nog steeds denkt dat er het een en ander op het gebied van misbruik bij [benadeelde partij 1] speelt. Die overtuiging in combinatie met de psychische problematiek van verdachte, maakt dat het hof van oordeel is dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.
Maatregel
Naast bovengenoemde straf zal het hof ook de vrijheidsbeperkende maatregel in de vorm van een contactverbod met [benadeelde partij 1] en haar moeder voor de duur van 3 jaren opleggen. Het hof zal ook de dadelijke uitvoerbaarheid bevelen van deze maatregel. Hiervoor heeft het hof in acht genomen de aanwijzingen van psychische problemen bij verdachte en het gegeven dat verdachte op de zitting van het hof heeft verklaard dat zij nog steeds denkt dat een en ander op het gebied van misbruik bij [benadeelde partij 1] speelt en daar onderzoek naar gedaan moet worden. Het hof is van oordeel dat gelet op die psychische problematiek en de hiervoor beschreven overtuiging er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend gedraagt jegens [benadeelde partij 1] . De tijd die verdachte al onderworpen is geweest aan de door de politierechter opgelegde en dadelijk uitvoerbaar verklaarde maatregel zal het hof hierbij in mindering brengen.
Aanvulling ten aanzien van de vorderingen van [benadeelde partij 1] en haar moeder als benadeelde partijen
Het hof is van oordeel dat de door [benadeelde partij 1] en haar moeder als benadeelde partijen ingediende vorderingen tot schadevergoeding in lijn met het vonnis van de politierechter kunnen worden toegewezen, beide vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. In aanvulling op de overweging van de politierechter ten aanzien van de vorderingen overweegt het hof als volgt.
Materiële schade moeder van [benadeelde partij 1]
Ten aanzien van de door [benadeelde partij 1] ’s moeder gevorderde materiële schade geldt dat deze voor wat betreft een bedrag van € 576,06 ten aanzien van de kosten voor de vliegtickets en het opsturen van het identiteitsbewijs kan worden toegewezen. Gelet op het dossier en de onderbouwing van deze schadeposten is namelijk voldoende komen vast te staan dat de benadeelde partij deze materiële schade ten gevolge van het bewezenverklaarde handelen van verdachte heeft geleden. De vordering is in zoverre in hoger beroep ook niet betwist door de verdediging.
Ten aanzien van de gevorderde kosten voor het vervangen van de sleutels (€ 99,99) geldt dat het rechtstreeks verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte ontbreekt. Hierdoor verenigt het hof zich met de beslissing van de politierechter om de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering.
Immateriële schade [benadeelde partij 1] en haar moeder
Met betrekking tot de door [benadeelde partij 1] en haar moeder gevorderde immateriële schade overweegt het hof aanvullend als volgt.
De wet brengt mee dat een benadeelde partij recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding. Dit indien zij als gevolg van het bewezenverklaarde strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen, in haar eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in haar persoon is aangetast. Van deze ‘aantasting in de persoon op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld.
Van de in de wet bedoelde ‘aantasting in de persoon op andere wijze’ kan evenwel ook sprake zijn als geen sprake is van naar objectieve maatstaven vastgesteld geestelijk letsel. Het is namelijk niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij meebrengen dat sprake is van ‘aantasting in de persoon op andere wijze’. Dat moet dan met concrete gegevens zijn onderbouwd. Hierbij geldt dat van ‘aantasting in de persoon op andere wijze’ zoals hier bedoeld, niet al sprake is bij de enkele schending van een fundamenteel recht. Een onderbouwing met concrete gegevens mag echter achterwege blijven als de aard en de ernst van de normschending meebrengt dat de nadelige gevolgen voor de hand liggen.
In dit kader constateert het hof op basis van het dossier en de door [benadeelde partij 1] en haar moeder als benadeelde partij overgelegde stukken dat op grove wijze inbreuk is gemaakt op het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven van [benadeelde partij 1] en haar moeder. Verdacht heeft [benadeelde partij 1] , een kwetsbare minderjarige, voorgehouden dat zij in gevaar was en dat zij met haar mee moest naar [land] voor haar veiligheid en om andere kinderen te helpen. Vervolgens heeft verdachte [benadeelde partij 1] meegenomen naar [land] , zonder dat haar moeder dit wist of hier toestemming voor had gegeven. [benadeelde partij 1] moest haar telefoon uitdoen en had daarmee geen mogelijkheid tot het maken van contact. Haar moeder verkeerde daarom in een onzekere situatie waarin zij zich zorgen maakte over haar dochter en zelfs niet wist of zij nog in leven was. Ook toen duidelijk werd dat [benadeelde partij 1] in [land] was, was het voor [benadeelde partij 1] ’s moeder niet meteen mogelijk om [benadeelde partij 1] terug te halen uit [land] . [benadeelde partij 1] moest daar, in een onbekend land waarvan zij de taal niet kende, in een jeugdcentrum verblijven tot zij alleen met het vliegtuig terug naar Nederland kon. Al die tijd kon haar moeder haar niet zien of spreken. Na ongeveer drie weken werden [benadeelde partij 1] en haar moeder weer met elkaar herenigd. Beiden kampten echter ook daarna nog met angstgevoelens. Zo was [benadeelde partij 1] bang dat zij zomaar weer door verdachte zou worden opgehaald. Ook schaamde zij zich, omdat zij verdachte had geloofd. Bij [benadeelde partij 1] ’s moeder speelden problemen met slapen. Verder had zij last van paniekaanvallen en had zij ondersteuning nodig van een praktijkondersteuner van de huisarts.
Al deze omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, leiden het hof tot het oordeel dat de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor [benadeelde partij 1] en haar moeder zodanig zijn geweest dat zij ‘op andere wijze in hun persoon zijn aangetast’ als bedoeld in de wet.
De door [benadeelde partij 1] en haar moeder als benadeelde partijen gevorderde immateriële schade is door hen in beide gevallen begroot op een bedrag van € 1.500,00. Door de verdediging is de hoogte van dit bedrag in hoger beroep niet betwist. Bovendien acht het hof toewijzing hiervan in beide gevallen billijk. Het hof verenigt zich daarom ook op dit punt met de beslissing van de politierechter.
Wetsartikelen
De straf en maatregel is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 38v, 38w en 279 Sr.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 109 (honderdnegen) dagen.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 90 (negentig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte
Beveelt dat voormelde voorwaarden en het uit te oefenen reclasseringstoezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.
Van rechtswege gelden hierbij als voorwaarden dat de verdachte:
- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- meewerkt aan het hierna te noemen reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dat noodzakelijk vindt.
Geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Beveelt dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, Sr bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Ten aanzien van de aftrek geldt dat ook de periode die verdachte in [land] in detentie heeft doorgebracht ten behoeve van de overlevering in mindering dient te worden gebracht bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf.
Veroordeelt verdachte tot een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis.
Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat verdachte voor de duur van 3 jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met:
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 1 week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een gezamenlijk maximum van 6 maanden. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.
Beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.
Beveelt dat de tijd die verdachte al onderworpen is geweest aan de door de rechtbank opgelegde en dadelijk uitvoerbaar verklaarde vrijheidsbeperkende maatregel bij de uitvoering van de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel in mindering zal worden gebracht.
Beveelt daarnaast dat de vervangende hechtenis die eventueel al is tenuitvoergelegd, eveneens bij een eventuele tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis in mindering wordt gebracht.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door mr. M.B. de Wit, mr. Z.J. Oosting en mr. A.H. toe Laer, in aanwezigheid van de griffier mr. I.C. Bita en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 13 februari 2026.