[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2002 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .
Het hoger beroep
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland.
Onderzoek van de zaak
Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat er is besproken op de zitting van het hof van 6 februari 2026 en op de zittingen bij de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. J.L. L'Homme, hebben aangevoerd.
Het vonnis waarvan beroep
De rechtbank heeft bij vonnis van 2 april 2024, waartegen het hoger beroep is gericht, de verdachte vrijgesproken van de invoer van cocaïne (feit 3 van parketnummer 05-322960-22). Wel is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren met aftrek van het voorarrest wegens – kort gezegd – wapen- en drugshandel, het aanwezig hebben van cannabis (feiten 1, 2, 4 en 5 van parketnummer 05-322960-22) en een woninginbraak (gevoegde zaak met parketnummer 05-124113-21). Daarnaast is de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] deels toegewezen, deels afgewezen en is [benadeelde] gedeeltelijk niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. Tot slot is een iPhone 7 verbeurd verklaard.
Ontvankelijkheid in het hoger beroep wat betreft feit 3
De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van het onder 3 tenlastegelegde feit. Het hoger beroep is onbeperkt ingesteld en is dus ook tegen die vrijspraak gericht. Op grond van artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering kan de verdachte geen hoger beroep instellen tegen die vrijspraak. Daarom verklaart het hof de verdachte in zoverre niet-ontvankelijk in het hoger beroep, waardoor die vrijspraak en feit 3 geen deel uitmaken van het hoger beroep.
Bevestiging van het vonnis
Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden en wijze heeft beslist voor wat betreft de bewezenverklaring, de strafbaarheid daarvan en de strafbaarheid van de verdachte en zal het vonnis in zoverre bevestigen. Het hof komt echter tot een andere beslissing over de strafoplegging en ook tot een andere beslissing op de vordering van de benadeelde partij. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd.
Oplegging van straf en/of maatregel
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal acht de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf van vijf jaren in principe een passende straf. Het gaat namelijk om ernstige feiten met betrekking tot meerdere vuurwapens, duizenden pillen en kilo’s cocaïne en een woninginbraak met een grote buit. De verdachte mocht dan jong zijn, maar hij kwam toen door deze feiten met stip de criminele wereld binnen. Aan de andere kant betrekt de advocaat-generaal bij de strafeis de korte bewezenverklaarde periode, dat de feiten vijf jaren geleden hebben plaatsgevonden, de leeftijd van verdachte ten tijde van het plegen van de feiten, de schending van de redelijke termijn, de positieve reclasseringsrapportages over het verloop van het toezicht en de openheid van zaken die de verdachte heeft gegeven tijdens de inhoudelijke behandeling. Dit voorgaande brengt de advocaat-generaal tot een iets lagere strafeis dan de door de rechtbank opgelegde straf, namelijk een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 55 maanden.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht aan de verdachte een gevangenisstraf op te leggen voor de duur van vier jaren, met een onvoorwaardelijk deel gelijk aan de periode die de verdachte al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De verdachte heeft zich als achttienjarige jongen laten meeslepen door de verleiding uit de criminele hoek. Dit deed hij naar eigen zeggen uit gevoeligheid voor status en macht. Zijn familienaam heeft ervoor gezorgd dat de verdachte werd benaderd door anderen voor dingen waar hij eigenlijk niets mee te maken wilde hebben. Ondertussen – met het ouder worden – heeft de verdachte het besef gekregen dat hij vooruit wilt kijken naar een ‘normale’ toekomst, zonder crimineel handelen. Dit wordt bevestigd door de rapportages van de reclassering waaruit volgt dat de verdachte zich aan alle gemaakte afspraken en opgelegde schorsingsvoorwaarden heeft gehouden, aldus de raadsman.
Oordeel van het hof
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich in 2020 en 2021 gedurende enkele maanden schuldig gemaakt aan de handel in (zware en automatische) vuurwapens en munitie en in cocaïne, MDMA, hasj en cannabis. De verdachte had daarvoor de beschikking over een SkyECC-telefoon, in de volksmond een ‘PGP-telefoon’. Uit de door de politie gekraakte chatgesprekken die verdachte via de PGP-telefoon voerde, komt het beeld naar voren dat verdachte zich in die periode zeer nadrukkelijk heeft bezig gehouden met zware criminaliteit. Verdachte heeft hierover zelf verklaard dat hij destijds beïnvloedbaar was en met verkeerde mensen omging en dat hij op zoek was naar ‘snel geld’. Daarnaast heeft de verdachte een strafbare hoeveelheid cannabis aanwezig gehad, die is aangetroffen op zijn slaapkamer.
Dit zijn bijzonder kwalijke feiten, omdat de verspreiding van wapens en drugs in de samenleving voor verdere criminele activiteiten zorgen. Zo worden wapens gebruikt om te dreigen, af te persen en anderen te verwonden. Hier is de verdachte zich destijds bewust van geweest nu hij via zijn SkyECC-account het volgende bericht heeft gestuurd: “Die huis gaat kkr kogel regen krygen”. Dit rekent het hof de verdachte aan.
In dezelfde periode heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een inbraak. Samen met een ander is hij een woning binnengegaan en heeft hier onder andere een grote hoeveelheid horloges, sierraden en twee goudstaven buitgemaakt. Dit onderstreept nogmaals dat de verdachte uit was op ‘snel geld’ zonder daarbij het schadelijke van zijn kwalijke handelen in te zien.
Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft het hof onder andere gekeken naar het strafblad van 5 januari 2026. Daaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor feiten uit de Wet Wapens en Munitie en de Opiumwet. Ook is dit de eerste keer dat hij is veroordeeld vanwege een vermogensdelict. Wel heeft de verdachte geweldsdelicten gepleegd, zowel voor als na de bewezenverklaarde feiten. Daarom is artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing.
Verder heeft het hof gekeken naar de reclasseringsrapportages die zijn opgemaakt over de verdachte. Op 4 april 2025 is een rapportage opgemaakt over de mogelijkheden van een schorsing van de voorlopige hechtenis. De reclassering heeft gerapporteerd dat die mogelijkheden er waren en bijzondere voorwaarden opgesteld, bedoeld om het leven van de verdachte te stabiliseren en om de beschermende factoren te vergroten. Het hof heeft de voorlopige hechtenis per 12 mei 2025 geschorst. Ten behoeve van de inhoudelijke behandeling in hoger beroep zijn twee nieuwe rapportages opgemaakt, één over het verloop van de schorsingsperiode en één als advies over de afdoening van deze strafzaak. Hieruit blijkt dat de verdachte zich aan de schorsingsvoorwaarden en de afspraken met de reclassering heeft gehouden. Een aantal van de opgelegde bijzondere voorwaarden (behandelverplichting en ambulante begeleiding) bleken – ondanks dat verdachte daaraan zelf wel wilde meewerken – toch niet uitvoerbaar te zijn, met name vanwege zijn familiaire achtergrond. Bij de reclassering heeft de verdachte aangegeven dat hij zijn leven anders wil leiden en vastbesloten is om alles anders te gaan doen. Het risico op recidive wordt op dit moment door de reclassering ingeschat als gemiddeld, waarbij het volgende door hen is gerapporteerd: “[…] moet gezegd worden dat [verdachte] vastbesloten lijkt om zich in zijn leven op andere zaken te gaan richten, waarin hij ook de nodige tegenslagen op gebied van werk en relaties heeft gehad. In dat opzicht zijn wij bereid te geloven dat hij geen strafbare feiten meer wil plegen”. De reclassering acht de verdachte inmiddels voldoende zelfredzaam in de praktische leefgebieden en ziet daarnaast een steunend sociaal netwerk. Dit hebben de betrokken reclasseringsmedewerkers tijdens de inhoudelijke behandeling bevestigd. De reclassering ziet nu geen noodzaak meer tot begeleiding en behandeling en adviseert een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen.
Vanwege de ernst van de feiten zal het hof aan de verdachte een flinke gevangenisstraf opleggen. Hij heeft zo’n 28 maanden in voorarrest doorgebracht. Dit deel van de op te leggen straf zal onvoorwaardelijk aan de verdachte worden opgelegd. Het hof acht dit onvoorwaardelijke strafdeel te rechtvaardigen in vergelijking met de ernst van de feiten, omdat het een substantieel deel van de op te leggen straf is en omdat daarnaast nog een langdurige voorwaardelijke gevangenisstraf zal worden opgelegd met een proeftijd van drie jaren.
In het geval dat het hof de strafeis van de advocaat-generaal zou volgen, dan zou dat er effectief op neerkomen dat de verdachte nog een beperkt aantal maanden moet vastzitten. Naar het oordeel van het hof is niemand erbij gebaat als de verdachte opnieuw (kortdurend) terug zou moeten naar de gevangenis; de verdachte zelf niet maar ook de maatschappij niet. Door zijn achternaam heeft hij het zwaarder (gehad) in de gevangenis dan andere gedetineerden. Hier zou hij bovendien opnieuw in contact komen met andere gedetineerden, terwijl hij juist het criminele leven achter zich lijkt te hebben gelaten. Het hof ziet daarvoor aanknopingspunten in de veranderde proceshouding, de (behoorlijke) openheid van zaken die de verdachte tijdens de inhoudelijke behandeling heeft gegeven en het verloop van het contact met de reclassering, waarbij de verdachte zich aan de voorwaarden en afspraken heeft gehouden.
Met het opleggen van een lange voorwaardelijke gevangenisstraf wordt beoogd te voorkomen dat de verdachte opnieuw in de fout zal gaan en strafbare feiten gaat plegen. De verdachte is in deze strafzaak vast komen te zitten op twintigjarige leeftijd. De bewezenverklaarde feiten zijn zelfs gepleegd vanaf achttienjarige leeftijd. Uit de reclasseringsrapportages en de verhoren van de verdachte blijkt dat hij gevoelig is geweest voor status, macht en geld. Met zijn naam is het voor hem bijzonder makkelijk gebleken om snel in de criminele wereld te groeien. Later heeft hij de lasten ervan ondervonden. Het hof wil aannemen dat de verdachte als gevolg van zijn achternaam anders is behandeld tijdens zijn detentie, zoals bijvoorbeeld blijkt uit het strenge gevangenisregime waarin hij vastzat. Ook na zijn detentie heeft hij hier last van ondervonden. Het vinden van een behandelaar en van werk is namelijk niet gelukt, omdat niemand de verdachte wilde aannemen. Desondanks heeft de verdachte samen met de reclassering geprobeerd zijn leven (beter) op de rit te krijgen, wat ook lijkt te zijn gelukt. Het hof acht daarom een fors deels voorwaardelijke straf passender dan een geheel onvoorwaardelijke straf.
De strafzaak heeft in zijn geheel weliswaar lang geduurd (37 maanden), maar er is géén sprake van een termijnoverschrijding. In dit geval geldt de tweejaarstermijn (vgl. HR 2 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:934), waaraan is voldaan. Dit vormt dus geen aanleiding voor een eventuele aanpassing van de op te leggen straf.
Alles afwegende acht het hof de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden met aftrek van het voorarrest waarvan 20 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van drie jaren passend en geboden. Deze straf brengt dus mee dat de verdachte niet opnieuw naar de gevangenis moet. Het hof beveelt daarbij de opheffing van het (geschorste) bevel voorlopige hechtenis.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
De benadeelde partij van de inbraak heeft een vordering tot schadevergoeding van € 60.830,27 ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag voor een deel toegewezen tot een bedrag van € 55.019,86. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal heeft gevorderd de beslissing van de rechtbank te volgen.
Standpunt van de verdediging
De raadsman stelt zich op het standpunt dat de vordering gedeeltelijk voor toewijzing in aanmerking komt, namelijk voor zover de vordering ziet op weggenomen inboedelgoederen waarbij rekening is gehouden met de dagwaarde en de verrekening van het door de verzekeraar uitgekeerde bedrag. Ten aanzien van de inboedelgoederen is verweer gevoerd op een camera, ‘diverse kindersieraden’ en een gouden armband met platte schakels, omdat een voldoende onderbouwing ontbreekt. Verder is bepleit dat niet-ontvankelijkheid dient te volgen voor de kosten voor het beveiligingssysteem en de vervanging van de kluis.
Oordeel van het hof
Op de zitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij (grotendeels) rechtstreeks materiële schade heeft geleden door het in de zaak met parketnummer 05-124113-21 bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte; de woninginbraak bij [benadeelde] .
De schadeposten zijn op te delen in drie categorieën: de inboedel (1), de vervanging van een kluis (2) en de beveiligingskosten (3). De post ‘inboedel’ valt uiteen in: overige goederen, goud en munten en sierraden en horloges. Het hof zal de schade per post behandelen.
1) De inboedel
De overige goederen (€ 3.042,94) en goud en munten (€ 10.156,00) zijn volledig vergoed door de verzekeraar. Deze bedragen komen dus niet meer voor vergoeding in aanmerking. Het hof zal daarom niet ingaan op de verweren ten aanzien van de camera en de dagwaarde van de goederen, omdat deze goederen onder de overige goederen vallen.
De sieraden en horloges vertegenwoordigen volgens de akte van taxatie een waarde van € 61.272,90. Deze goederen zijn deels vergoed door de verzekeraar, te weten tot het verzekerde bedrag van € 5.000,00. Voor twee van de opgesomde goederen, de gouden armband met platte lange schakels (€ 400,00) en de diverse kindersieraden (€ 200,00), geldt dat deze als schadepost gemotiveerd zijn betwist. Een verifieerbare onderbouwing voor dit deel van de vordering ontbreekt, in tegenstelling tot de andere sieraden en horloges. Die twee posten kunnen dus niet worden toegewezen. Het hof zal de benadeelde partij in dit gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk verklaren.
De verzekeraar heeft op het totale schadebedrag € 150,00 aan eigen risico in mindering gebracht, wat betrekking heeft op de post ‘inboedel’. De post ‘inboedel’ zal daarom worden toegewezen tot een bedrag van € 55.822,90 (= € 61.272,90 -/- € 5.000,00 -/- € 400,00 -/-
€ 200,00 +/+ € 150,00).
2) De vervanging van een kluis
De benadeelde partij heeft een bedrag van € 2.289,00 gevorderd ter vervanging van een kluis. Onder de overige goederen is door de verzekeraar mede een kluisje vergoed. Gelet op die vergoeding valt niet in te zien waarom nog een bedrag voor een nieuwe (fors duurdere) kluis dient te worden toegewezen. Het hof zal de benadeelde partij, vanwege het ontbreken van een nadere onderbouwing voor de aanschaf van een nieuwe kluis, niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
3) De beveiligingskosten
De benadeelde partij heeft tot slot een bedrag van € 2.118,37 gevorderd aan gemaakte beveiligingskosten. Die zijn voor de aanschaf van een beveiligingscameraset met afstandsbediening en latere reparatiekosten. Het hof is van oordeel dat in de concrete omstandigheden van het geval geen sprake is van een voldoende verband tussen de inbraak en de schade(post) om te kunnen aannemen dat de benadeelde partij door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden. Het gaat hier namelijk om preventieve maatregelen die na de inbraak zijn genomen. De enkele facturen zijn zonder nadere onderbouwing onvoldoende voor het aannemen van een rechtstreekse verband. Bij gebrek aan een rechtstreeks verband zal het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op. Het hof bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente ter zake de materiële schade op 25 februari 2021.
Het hof bepaalt verder dat de verdachte en zijn (nog onbekende) mededader(s) ieder voor het hele schadebedrag (hoofdelijk) kunnen worden aangesproken. De verdachte hoeft niet meer te betalen indien en voor zover zijn medeverdachte de schade heeft vergoed.
Beslag
Onder de verdachte is een iPhone 7 in beslag genomen. De rechtbank heeft de iPhone 7 verbeurd verklaard.
Standpunten van het Openbaar Ministerie en de verdediging
De advocaat-generaal en de raadsman hebben geen standpunt ingenomen ten aanzien van het beslag. Bij de rechtbank heeft de verdachte verklaard afstand te doen van de iPhone 7.
Oordeel van het hof
Het hof stelt op basis van het dossier vast dat op de inbeslaggenomen telefoon meerdere afbeeldingen van wapens en verdovende middelen staan. Het hof is van oordeel dat de iPhone tot het begaan van de feiten onder parketnummer 05-322960-22 is bestemd en zal daarom de iPhone 7 die aan verdachte toebehoort verbeurd verklaren.
Wetsartikelen
De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet, de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36f, 47, 57, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26, 31 en 55 van de Wet wapens en munitie.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in de zaak met parketnummer 05-322960-22 onder 3 tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de straf, beslissing op de vordering van de benadeelde partij en het beslag en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 (achtenveertig) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 20 (twintig) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
iPhone 7 ( [code] ).
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het in de zaak met parketnummer 05-124113-21 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 55.822,90 (vijfenvijftigduizend achthonderdtweeëntwintig euro en negentig cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 05-124113-21 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 55.822,90 (vijfenvijftigduizend achthonderdtweeëntwintig euro en negentig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 244 (tweehonderdvierenveertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 25 februari 2021.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Beveelt de opheffing van het (geschorste) bevel voorlopige hechtenis.
Aldus gewezen door
mr. D.R. Sonneveldt, voorzitter,
mr. Th.C.M. Willemse en mr. L.A. Kjellevold, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. T. Lammerdink, griffier,
en op 20 februari 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.