GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE
arrest d.d. 5 maart 2013
Sector Civiel recht
Zaaknummer : 200.013.263/02
Zaak-/rolnummer rechtbank : 48148 / HA ZA 05-294
inzake
[naam] ,
wonende te [woonplaats],
appellant in de hoofdzaak,
eiser in het incident,
hierna te noemen: [appellant],
advocaat: mr. R.M.A. Lensen te [woonplaats],
tegen
1. a.[naam],
wonende te [woonplaats],
1b. [naam],
wonende te [woonplaats],
1c. [naam],
wonende te [woonplaats],
1d. [naam],
wonende te [woonplaats],
1e. [naam],
wonende te [woonplaats],
1f. [naam],
wonende te [woonplaats],
1g [naam],
wonende te [woonplaats],
1h [naam],
wonende te [woonplaats],
allen erfgenaam van wijlen [naam],
hierna gezamenlijk te noemen: de erven,
Nederlandse Weverij Vera B.V.,
gevestigd te Sint Jansteen, gemeente [woonplaats],
hierna te noemen: Vera,
geïntimeerden in de hoofdzaak,
gedaagden in het incident,
alle tezamen te noemen: [geïntimeerden]
advocaat: mr. J.C.M. Berbée-van Koningsbruggen te [woonplaats].
Het verdere verloop van het geding
Voor de loop van het geding tot het tussenarrest van 19 juni 2012, verwijst het hof naar dat tussenarrest. In dat tussenarrest heeft het hof de zaak zowel in de hoofdzaak als in het incident naar de rol verwezen. Vervolgens heeft [geïntimeerden] een akte in de hoofdzaak/antwoordakte in incident genomen en [appellant] een antwoordakte, tevens houdende overlegging producties, met producties. Vervolgens hebben partijen opnieuw arrest gevraagd.
De verdere beoordeling van het hoger beroep
[geïntimeerden] heeft er op gewezen, dat in de aanhef van het tussenarrest van 19 juni 2012 ten onrechte nog de Stichting als procespartij is vermeld. Door het overlijden van [erflater] is de Stichting gedefungeerd en is het geding geschorst, waarna de erfgenamen de procedure hebben overgenomen. In dit tussenarrest is de Stichting daarom niet langer als partij genoemd.
In de hoofdzaak
. In zijn tussenarrest van 19 juni 2012 heeft het hof beslist dat het beroep van [geïntimeerden] op vernietiging van de overeenkomst van 22 april 2004 wegens misbruik van omstandigheden niet kan worden gehonoreerd, hetgeen betekent dat moet worden onderzocht of de handtekening onder de overeenkomst van 22 april 2004 van [erflater] is. Voor het geval [geïntimeerden] de handtekening (nog steeds) wenst te bestrijden, heeft het hof overwogen dat – nu de diverse deskundigen het onderling niet eens zijn, en deze bovendien (slechts) een afschrift hebben onderzocht van de overeenkomst van 22 april 2004 – aanleiding bestaat over te gaan tot het benoemen van een onafhankelijk handschriftdeskundige met het verzoek de originele overeenkomst van 22 april 2004 te onderzoeken en een uitspraak te doen over de echtheid van de handtekening van [erflater] daaronder. Het hof heeft daarbij aangetekend dat de omstandigheid dat tot op heden niet meer duidelijkheid is verkregen op dit punt, geheel is toe te rekenen aan [erflater] die immers stelselmatig heeft geweigerd zijn medewerking te verlenen aan forensisch schriftonderzoek en zelfs heeft geweigerd zijn handtekening te zetten onder zijn getuigenverklaring. Dit betekent dat indien door het overlijden van [erflater] (wegens gebrek aan bruikbaar referentiemateriaal) niet meer met voldoende zekerheid zal zijn vast te stellen of de handtekening onder de overeenkomst van 24 april 2004 van [erflater] is, deze omstandigheid voor risico dient te komen van [geïntimeerden]. Het hof heeft de zaak naar de rol verwezen zodat [geïntimeerden] zich kon uitlaten over de vraag of zij de echtheid van de handtekening van [erflater] (nog steeds) wenst te betwisten.
[geïntimeerden] heeft hierop aan het hof laten weten dat zij (nog steeds) de handtekening van [erflater] onder de overeenkomst betwist en heeft voorgesteld als deskundige te benoemen de grafoloog mevrouw drs. M. de Monchy te Rotterdam en aan haar de vraag te stellen of de handtekening van [erflater] onder de betwiste overeenkomst authentiek is of vervalst en of deze handtekening afkomstig is van [erflater]. [geïntimeerden] heeft aangegeven als referentiemateriaal te beschikken over ruim 15 handtekeningen van [erflater]. [appellant] beschikt over de originele overeenkomst van 22 april 2004 en zal deze moeten aanleveren, aldus [geïntimeerden]
[appellant] betwist de noodzaak van een handtekeningonderzoek. Hij is van oordeel dat de echtheid van de handtekening van [erflater] onder de overeenkomst van 22 april 2004 met de diverse deskundigenrapportages reeds voldoende is aangetoond. Bovendien meent hij dat het verweer van [geïntimeerden] dat [erflater] de overeenkomst van 22 april 2004 niet heeft ondertekend, niet voldoet aan de eisen die aan een gemotiveerde ontkenning worden gesteld. Dit klemt te meer, aldus [appellant], nu [erflater] (deels) uitvoering heeft gegeven aan die overeenkomst en heeft getoond niet terug te deinzen voor het afleggen van valselijke verklaringen. Zo al tot bewijslevering zou moeten worden overgegaan, ligt het meer in de rede uit te gaan van de echtheid van de handtekening, behoudens door [geïntimeerden] te leveren tegenbewijs. [appellant] verzoekt daarom het hof af te zien van benoeming van een deskundige. Mocht het hof desondanks toch tot benoeming van een deskundige overgaan, dan is hij bereid daaraan medewerking te verlenen. Het onderzoek zou echter niet moeten worden gedaan door een grafoloog, die zich bezighoudt met het geven van verstandelijke vermogens, karakterstructuur en sociale competenties op basis van een handschrift, maar door een handschriftdeskundige. Een voorstel voor een te benoemen deskundige, doet [appellant] niet.
Het hof ziet in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding om terug te komen op hetgeen het in zijn tussenarrest van 19 juni 2012 heeft overwogen en beslist. Gelet op de bezwaren van [appellant] tegen benoeming van een grafoloog heeft het hof A.R. Vonk, contactpersoon van het hof inzake deskundigenbenoemingen, verzocht R. ter Kuile-Haller, deskundige op het gebied van waarheidsvinding en schriftexpertise (verder: de deskundige) te benaderen en haar te vragen of zij vrij staat ten opzichte van de onderhavige zaak en de partijen, over de deskundigheid beschikt om in deze zaak op te treden en of zij bereid is een eventuele benoeming te aanvaarden. De deskundige heeft deze vragen bevestigend beantwoord en laten weten dat zij in geval van benoeming een voorschot verlangt van € 1.500,-- (incl. BTW).
De contactpersoon heeft vervolgens per e-mailbericht aan partijen bericht dat het hof het voornemen heeft de deskundige in deze zaak te benoemen en het door haar verlangde voorschot aan partijen voorgelegd. [geïntimeerden] heeft hierop laten weten hiertegen geen bezwaren te hebben. [appellant] heeft het hof bericht: "Mevrouw Ter Kuile-Haller kan wat cliënt betreft in dit dossier niet als onafhankelijk deskundige optreden en zij komt gelet daarop niet in aanmerking om door het Gerechtshof te worden benoemd. Met de begroting van de kosten ad € 1.500,-- inclusief BTW kan uiteraard wel worden ingestemd." De contactpersoon heeft naar aanleiding van deze e-mail opnieuw telefonisch contact gezocht met de deskundige en haar gevraagd of zij zeker weet dat zij vrij staat. De deskundige heeft dit (opnieuw) bevestigd. Gelet op het vorenstaande en de omstandigheid dat [appellant] op geen enkele manier heeft toegelicht waarom de deskundige in dit dossier niet als onafhankelijk kan worden aangemerkt, heeft het hof besloten aan de bezwaren van [appellant] voorbij te gaan. [appellant] zal dit voorschot moeten voldoen, omdat hij nakoming vordert van de overeenkomst en op hem de bewijslast rust van de echtheid van de handtekening daaronder.
Dit betekent dat het hof thans zal overgaan tot het benoemen van de deskundige, met het verzoek de volgende vragen te beantwoorden:
i. Kunt u vaststellen of de handtekening onder de overeenkomst van 22 april 2004 is geplaatst door [erflater]?;
i. Indien u van mening bent dat niet met aan zekerheid grenzende mate van waarschijnlijkheid is vast te stellen of de handtekening onder de overeenkomst van 22 april 2004 al dan niet van [erflater] is: is dit dan toe te rekenen aan het ontbreken van bruikbaar referentiemateriaal of aan andere factoren?
i. Heeft u als deskundige verder nog van belang zijnde opmerkingen?
Het hof gaat ervan uit dat [appellant] aan de deskundige de originele overeenkomst van 22 april 2004 zal doen toekomen (Van Puvelde heeft immers niet bestreden, dat het origineel in zijn bezit is, zodat het hof dat als vaststaand aanneemt), en [geïntimeerden] zal zorg dragen voor het door de deskundige benodigde referentiemateriaal.
Raadsheer-Commissaris:
Het hof zal tot raadsheer-commissaris benoemen mr. M.J. van der Ven. Het hof zal bepalen dat de deskundige haar onderzoek in beginsel zelfstandig zal verrichten, doch indien de raadsheer-commissaris daartoe aanleiding ziet, onder haar leiding.
Communicatie:
Indien de deskundige vragen heeft over de inhoud van haar opdracht of over de te volgen procedure, kan zij zich wenden tot de raadsheer-commissaris via de contactpersoon mr. A.R. Vonk, e-mailadres: a.r.vonk@rechtspraak.nl, onder vermelding van de namen van partijen en het zaaknummer. De contactpersoon of de raadsheer-commissaris zal de deskundige berichten.
Daar het hof beschikt over een dossier, kunnen partijen bij het opnieuw vragen van arrest, volstaan met het overleggen van de stukken die na dit arrest tot het procesdossier zijn gaan behoren.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
In het incident
In zijn tussenarrest van 19 juni 2012 heeft het hof in het incident beslist, dat nu [geïntimeerden] nog geen behoorlijke gelegenheid heeft gehad op de bij akte van 24 april 2012 ingestelde incidentele vordering te reageren, de zaak naar de rol wordt verwezen voor antwoord. [geïntimeerden] heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt, waarna [appellant] in zijn antwoordakte (in de hoofdzaak) de gelegenheid te baat heeft genomen om – onder overlegging van een aantal producties – een nadere toelichting te geven op zijn vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening. Het hof had [appellant] hiertoe niet uitgenodigd en zal aan hetgeen [appellant] in zijn antwoordakte heeft gesteld dan ook voorbij gaan.
[appellant] heeft in zijn akte van 24 april 2012 gesteld, dat hij sedert het afwijzende arrest van 9 februari 2010 in het bezit is gekomen van nadere stukken (de producties 24 tot en met 27) waarmee hij kan onderbouwen dat hij metterwoon is teruggekeerd naar België en wel naar het adres Macharius Rheynstraat 59 te 9170 De Klinge. In verband daarmee heeft [appellant] verzocht om [geïntimeerden] te bevelen de door hem ter uitvoering van het arrest van 3 maart 2009 gestelde bankgarantie aan hem te retourneren, zonder dat hij jegens [geïntimeerden] nog gehouden is tot enige zekerheidstelling, met veroordeling van [geïntimeerden] in de kosten van zowel de onderhavige voorlopige voorziening als die welke is verzocht bij memorie van 25 augustus 2009.
[geïntimeerden] heeft in zijn antwoordakte in incident gesteld dat vaststaat dat [appellant] zich op 16 mei 2003 heeft laten uitschrijven naar Venezuela, en dat hij zich op 6 januari 2009 weer heeft doen inschrijven in België. Volgens [geïntimeerden] blijkt uit de producties 24 tot en met 27, dat [appellant] in de periode dat hij was uitgeschreven, geregeld in België is geweest voor het bijwonen van zittingen in gerechtelijke procedures, tandartsbezoeken en dergelijke meer, maar daarmee toont hij naar de mening van [geïntimeerden] niet aan dat hij in die tijd zijn woonplaats in België had. [geïntimeerden] acht het niet uitgesloten dat [appellant], ondanks zijn inschrijving op 6 januari 2009, nog steeds geen woonplaats in België heeft, omdat [appellant] niet heeft aangetoond dat hij zijn leven thans anders heeft ingericht dan in de periode gelegen tussen 16 mei 2003 en 6 januari 2009. Van [appellant] mocht verwacht worden dat hij had aangetoond dat hij zich in Venezuela heeft laten uitschrijven, dat zijn verblijfsvergunning daar niet meer geldig is, dat hij zijn vermogen heeft overgebracht van Venezuela naar België en dat het centrum van zijn maatschappelijke en sociale leven in België is gelegen. Nu [appellant] dit heeft nagelaten, kan – aldus [geïntimeerden] – geen wijziging van woonplaats c.q. werkelijk verblijf worden aangenomen en dient zijn verzoek tot teruggave van de bankgarantie te worden afgewezen.
Het hof is van oordeel dat [geïntimeerden] enerzijds aldus de lat voor [appellant] te hoog legt, terwijl [geïntimeerden] anderzijds geen concrete omstandigheden stelt die het standpunt dat [appellant] – ondanks zijn inschrijving en ondanks hetgeen ook volgens [geïntimeerden] uit de thans overgelegde producties volgt – niet in België woont, te onderbouwen. Het enkele feit dat niet is uitgesloten dat [erflater], ondanks zijn inschrijving op 6 januari 2009, nog steeds geen woonplaats in België heeft, acht het hof onvoldoende.
Dit betekent dat de incidentele vordering zal worden toegewezen.
De kosten van het incident zullen worden aangehouden tot de einduitspraak.
Beslissing
Het hof:
in de hoofdzaak
in het incident
- beveelt [geïntimeerden] de door [appellant] ter uitvoering van het arrest van 3 maart 2009 gestelde bankgarantie aan hem te retourneren, zonder dat [geïntimeerden] enige andere aanspraak op zekerheidstelling aan het arrest van 3 maart 2009 jegens [appellant] kan ontlenen;
- verklaart dit arrest voor wat betreft het gegeven bevel uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. A. Dupain, M.J. van der Ven en H.Th. Bouma en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 maart 2013 in aanwezigheid van de griffier.