GERECHTSHOF DEN HAAG
Afdeling Civiel Recht
zaaknummer : 200.150.453/01
zaak-/rolnummer rechtbank : 274501 / HA ZA 06-3424
Arrest van 7 oktober 2014
in de zaak van
Wellnesselande Barendrecht B.V.
Fitness Carnisselande B.V.
Wellnesselande Nederland B.V.,
gevestigd te Barendrecht,
appellanten,
hierna te gezamenlijk noemen: Wellnesselande c.s. en ieder afzonderlijk: Wellnesselande Barendrecht, Fitness Carnisselande respectievelijk Wellnesseland Nederland,
advocaat: onttrokken
tegen
Bouwonderneming Stout B.V.,
gevestigd te Hardinxveld-Giessendam,
geïntimeerde,
hierna te noemen: Stout,
advocaat: mr. J.A.J.M. Jonk te Alblasserdam.
De procedure
Verwezen wordt naar het tussenarrest van 15 juli 2014 waarin een comparitie na
aanbrengen is bevolen. Voorafgaand aan die comparitie is namens beide partijen toelating tot
de Second Opinion-procedure verzocht. Daartoe hebben de behandelend advocaten ieder een
SO-formulier als bedoeld in de artikel 3.2 van het Second Opinion Reglement (SOR)
ingevuld en ondertekend. Voornoemd verzoek is toegestaan, van de comparitie van partijen
is afgezien en arrest is bepaald.
Beoordeling van het hoger beroep volgens de Second Opinion-procedure
Met de namens hen verrichte invulling en ondertekening van de SO-formulieren hebben partijen ingestemd met het SOR en worden zij geacht de conclusies als bedoeld in artikel 347 lid 1 Rv te hebben genomen (zie ook de artikelen 3.3 en 3.4 SOR). Gelet hierop luidt de enige grief van Wellnesselande c.s. dat de rechtbank Rotterdam in de vonnissen van 24 maart 2010, 9 november 2011 en 18 december 2013 niet heeft beslist overeenkomstig hetgeen zij in eerste aanleg had gevorderd.
Het hof – dat kennis heeft genomen van de stukken van de eerste aanleg – neemt de overwegingen van de kantonrechter over en maakt deze tot de zijne, behoudens de hierna te vermelden overwegingen.
Anders dan de rechtbank in het bestreden eindvonnis van 18 december 2013, onder 2.11, laatste volzin en onder 2.14, laatste volzin, heeft overwogen, dienen de door de deskundige begrote herstelkosten van € 1.652,57 respectievelijk € 26.349,22 naar het oordeel van het hof wèl in mindering te worden gebracht op het door Wellnesselande c.s. verschuldigde bedrag aan verbouwingskosten. De rechtbank heeft deze bedragen buiten beschouwing gelaten op de grond dat Welnesselande c.s. niet (tijdig) heeft geklaagd (als bedoeld in artikel 6:89 BW) over de gebreken waarop deze herstelkosten zien. Zoals de rechtbank evenwel in haar tussenvonnis van 9 november 2011 onder 2.7.2, laatste volzin en onder 2.8.1, laatste volzin, had overwogen, en ook de deskundige in zijn rapport (p. 22 onder “4.2 Samenvatting”) tot uitgangspunt heeft genomen, kunnen de desbetreffende gebreken wel van invloed zijn op de beantwoording van de vragen of de door Stout voor het uitgevoerde werk in rekening gebrachte bedragen redelijk zijn, mede gelet op de kwaliteit van de uitvoering van het werk en van de daarbij gebruikte materialen, en zo nee, wat – per post bezien –een redelijk bedrag is.
Het onder 3 overwogene brengt mee dat het bestreden vonnis van 18 december 2013 gedeeltelijk zal worden vernietigd, te weten voor zover daarbij Wellnesselande c.s. hoofdelijk is veroordeeld tot betaling aan Stout van een hoofdsom van € 143.239,53. Het hof zal op dat punt opnieuw recht doen en Wellnesselande c.s. hoofdelijk veroordelen tot betaling aan Stout van een hoofdsom van € 143.239,53 minus € 1.652,57 en minus € 26.349,22 = € 115.237,74.
De bestreden vonnissen zullen voor het overige worden bekrachtigd. Dit behoeft, gezien artikel 4.2 SOR, geen nadere motivering.
Het hof ziet aanleiding om in hoger beroep de kosten te compenseren.
Beslissing
Het hof:
en, in zoverre opnieuw recht doende: veroordeelt Wellnesselande c.s. hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn gekweten, om aan Stout te betalen een bedrag van € 115.237,74, vermeerderd met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over dit bedrag met ingang van 24 november 2006 tot de dag van volledige betaling;
- compenseert in het hoger beroep de kosten.
Dit arrest is gewezen door mrs. H.M. Wattendorff, M.M. Olthof en M.Y. Bonneur en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 oktober 2014 in aanwezigheid van de griffier.