GERECHTSHOF DEN HAAG
Afdeling Civiel recht
Zaaknummer: 200.111.741/01
Zaak-rolnummer rechtbank: 90096/ HA ZA 10-2907
Arrest d.d. 21 oktober 2014
in de zaak van
[appellant],[appellante],
beiden wonende te [woonplaats],
principaal appellanten,
incidenteel geïntimeerden,
hierna te noemen in enkelvoud: [appellant],
advocaat: mr. M.J. de Groot te Rotterdam,
tegen
Kinderopvangcentrum Bonbon B.V.,
gevestigd te Rhoon,
geintimeerde,
advocaat: mr. R.W.F. Heijmeriks te Spijkenisse,de gemeente Albrandswaard,zetelend te Poortugaal,
principaal geïntimeerde,
incidenteel appellante,
advocaat: mr. C.J.M. de Keijzer te Breda,
hierna te noemen: Bonbon en de gemeente.
Het verdere geding
Bij tussenarrest van 2 oktober 2012 is een comparitie van partijen gelast die op 20 december 2012 heeft plaatsgevonden. Vervolgens heeft [appellant] bij memorie van grieven (met producties) grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en vervolgens bij akte houdende wijziging van eis en overlegging productie zijn eis (in conventie) gewijzigd en nog een productie overgelegd. Bonbon en de gemeente hebben elk bij afzonderlijke memorie van antwoord (met producties) deze grieven bestreden. De gemeente heeft van haar kant onder aanvoering van grieven tegen het vonnis incidenteel geappelleerd en daarbij haar eis (in reconventie) gewijzigd. Daarna heeft [appellant] bij akte overlegging productie en wijziging van eis ex artt. 130 jo 353 Rv zijn eis (in conventie) opnieuw gewijzigd en een productie in het geding gebracht. De gemeente heeft hierop gereageerd bij antwoordakte inzake akte overlegging productie en wijziging van eis en Bonbon bij akte bezwaar wijziging eis ex artikel 30 jo. 353 Rv. [appellant] heeft bij memorie van antwoord in het incidentele appel (met producties) de incidentele grieven bestreden. Ten slotte zijn stukken overgelegd voor arrest.
De beoordeling van het hoger beroep
Het hof:
bekrachtigt het bestreden vonnis;
veroordeelt [appellant] in de kosten van het principale beroep, tot op heden aan de zijde van de gemeente en Bonbon telkens begroot op € 4.836,= vast recht en € 2.235,= salaris advocaat;
veroordeelt de gemeente in de kosten van het incidentele beroep, tot op heden aan de zijde van [appellant] begroot op € 815,50 salaris advocaat;
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het door [appellant] en de gemeente in hoger beroep meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. E.J. van Sandick, M.C.M. van Dijk en R.F. Groos en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 oktober 2014 in aanwezigheid van de griffier.