ECLI:NL:GHDHA:2015:1232

ECLI:NL:GHDHA:2015:1232, Gerechtshof Den Haag, 20-05-2015, BK-14-00561

Instantie Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak 20-05-2015
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer BK-14-00561
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Den Haag
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 4 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537

Samenvatting

In geschil is of de waarde van de woning op een te hoog bedrag is vastgesteld.

Uitspraak

Uitspraak d.d. 20 mei 2015

in het geding tussen:

[X] te [Z], belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Rijnwoude, de heffingsambtenaar,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 17 april 2014, nummer SGR 13/10550, betreffende de onder 1.1 vermelde beschikking en aanslag.

Aanslag, beschikking, bezwaar en geding in eerste aanleg

Aan belanghebbende is voor het jaar 2013 wegens het genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [Y] te [Z] (hierna: de woning) een aanslag in de onroerendezaakbelastingen (hierna: de aanslag) opgelegd naar een heffingsmaatstaf van € 220.000. De heffingsmaatstaf is gebaseerd op een gelijktijdig genomen beschikking (hierna: de beschikking) als bedoeld in hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ).

Bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar heeft de heffingsambtenaar belanghebbendes bezwaar afgewezen.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. Van hem is een griffierecht geheven van € 44. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 122. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 8 april 2015, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde staat in hoger beroep het volgende vast:

Belanghebbende is eigenaar van de (verhuurde) woning. Het betreft een agrarische bedrijfswoning. De woning is gebouwd in 1924 en heeft een inhoud van ongeveer 240 m³, een dakkapel, een berging van 10 m³, een berging van 200 m³ en een perceeloppervlakte van ongeveer 300 m². De woning kan als eenvoudig worden omschreven. De sanitaire voorzieningen en de keuken dateren van 1989. De woning is voorzien van dubbel glas.

De heffingsambtenaar heeft in de procedure bij de rechtbank een taxatierapport overgelegd. Tot het taxatierapport behoort een matrix die de hieronder opgenomen gegevens van de woning en van drie naar de opvatting van de heffingsambtenaar met de woning vergelijkbare woningen (hierna: de vergelijkingsobjecten) bevat (hierna: de matrix).

[Y]

[A]

[B]

[C]

Bouwjaar

1924

1898

1873

1980

Inhoud

240 m³

445 m3

340 m3

415 m3

Prijs per m3 op peildatum

€ 390

€ 330

€ 365

€ 300

Berekende waarde opstal

€ 93.600

€ 146.850

€ 124.100

€ 124.500

Grondoppervlak in m2

300 m2

228 m2

400 m2

830 m2

Rekenprijs per m2 oppervlakte

€ 350

€ 375

€ 325

€ 230

Berekende waarde grond

€ 105.000

€ 85.500

€ 130.000

€ 190.900

Berekende waarde bijgebouwen

€ 32.250 (dakkapel, berging en schuur)

€ 13.500 (2x dakkapel, berging/ schuur)

€ 16.200 (tuinhuis, berging/schuur)

€ 5.000 (berging)

Verkoopdatum

-

02-11-2012

04-03-2011

04-07-2011

Verkoopprijs

-

€ 242.500

€ 270.000

€ 320.000

Getaxeerde waarde

€ 230.000

-

-

-

WOZ-waarde

€ 220.000

€ 245.000

€ 270.000

€ 320.000

In hoger beroep heeft de heffingsambtenaar gewezen op de navolgende verkopen van agrarische bedrijfswoningen:

Inhoud

Oppervlakte

Bouwjaar

Verkoopdatum

Verkoopprijs

[D]

385 m³

611 m²

1995

16-09-2010

€ 409.000

[E]

415 m³

440 m²

1928

27-12-2010

€ 227.800

[F]

770 m³

1.420 m²

1978

12-08-2011

€ 400.000

[G]

450 m³

9.955 m²

1970

21-09-2011

€ 390.000

[H]

450 m³

1.005 m²

1984

25-06-2012

€ 422.000

[I]

415 m³

910 m²

1955

19-12-2012

€ 330.000

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

In geschil is of de waarde van de woning op een te hoog bedrag is vastgesteld. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend, de heffingsambtenaar ontkennend.

Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen, verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en wijziging van de beschikking in die zin dat de waarde van de woning wordt vastgesteld op € 120.000 met dienovereenkomstige vermindering van de aanslag.

De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

6. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en daartoe het volgende overwogen, waarbij de rechtbank belanghebbende als eiser en de heffingsambtenaar als verweerder heeft aangeduid:

"3. Verweerder heeft ter zitting erkend dat de vergelijkingsobjecten [B] en

[A] per abuis als woningen met agrarische bestemming staan vermeld in hot

taxatierapport. Dit maakt deze woningen echter volgens hem niet ongeschikt als

vergelijkingsobject omdat burgerbewoning sinds lange tijd in de gemeente gedoogd wordt,

onder meer vooruitlopend op de per 1 januari 2013 ingegane Wet Plattelandswoningen.

Verder wijst hij erop dat de woning daadwerkelijk voor burgerbewoning wordt gebruikt en

als zodanig wordt verhuurd. Voor het overige verwijst verweerder naar het door hem

overgelegde taxatierapport.

4. Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van de woning

bepaald op de waarde die aan de woning dient te worden toegekend, indien de volle en

onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak

in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Deze waarde is naar de bedoeling van de wetgever "de prijs welke door de

meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak

meest geschikte wijze na de beste voorbereiding" (Kamerstukken II 1993/94,22 885, nr. 36,

blz. 44).

5. Verweerder dient aannemelijk te maken dat hij de waarde van de woning niet op

een te hoog bedrag heeft vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder hierin

geslaagd, gelet op het door hem overgelegde taxatierapport en hetgeen hij heeft verklaard ter

zitting. Naar volgt uit het taxatierapport en de daarbij gevoegde matrix, is de waarde van de

woning bepaald met behulp van een methode van systematische vergelijking met woningen

waarvan marktgegevens beschikbaar zijn. Eiser heeft niet weersproken dat burgerbewoning

van woningen met een agrarische bestemming reeds jaren wordt gedoogd in de gemeente en

dat de woning ook als zodanig verhuurd wordt. De rechtbank ziet derhalve geen aanleiding

om de vergelijkingsobjecten zonder agrarische bestemming buiten beschouwing te laten.

Verder heeft verweerder aannemelijk gemaakt dat hij bij de herleiding van de waarde van

de woning uit de voor de vergelijkingsobjecten gerealiseerde verkoopprijzen, voldoende

rekening heeft gehouden met de verschillen tussen de vergelijkingsobjecten en de woning.

6. Hetgeen eiser heeft aangevoerd doet aan het hier boven gegeven oordeel niet af.

Nu er geschikte vergelijkingsobjecten voorhanden zijn, is er geen reden om de agrarische

taxatiewijzer te gebruiken en eiser heeft zijn standpunt over de ligging en de

onderhoudstoestand van do woning niet geconcretiseerd. Voor de stelling dat sprake is van

een matige onderhoudstoestand, kan overigens geen steun worden gevonden in het

taxatierapport.

7. Gelet op wat hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat de waarde van

de woning alsmede de daarop gebaseerde aanslag niet te hoog zijn vastgesteld en is het

beroep ongegrond verklaard."

Beoordeling van het hoger beroep

De waarde van de woning wordt in gevolge artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ bepaald op de waarde die daaraan dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom van de woning zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de woning in de staat waarin deze zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Deze waarde is naar de bedoeling van de wetgever "de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding" (Kamerstukken II 1993/94, 22 885, nr. 36, blz. 44).

De heffingsambtenaar dient aannemelijk te maken dat hij de waarde van de woning niet op een te hoog bedrag heeft vastgesteld. Naar het oordeel van het Hof is de heffingsambtenaar daarin niet geslaagd. Bij dit oordeel overweegt het Hof het volgende.

De heffingsambtenaar heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij bij de herleiding van de waarde van de woning uit de verkoopprijzen van de vergelijkingsobjecten in voldoende mate heeft rekening gehouden met de verschillen tussen de woning en de vergelijkingsobjecten. De woning heeft een agrarische bestemming. Aannemelijk is dat het verkrijgen van een burgerbestemming voor de woning problematisch zal zijn, aangezien de woning op slechts enkele meters afstand van de boerderij [J] is gelegen en, naar belanghebbende ter zitting met redenen omkleed heeft gesteld en de heffingsambtenaar niet, althans niet gemotiveerd, heeft weersproken, het toekennen van een burgerbestemming aan de woning tot substantiële kosten zal leiden wegens de alsdan te treffen voorzieningen om de boerderij en de woning van elkaar te scheiden. Met deze belemmeringen zal de meestbiedende gegadigde bij het uitbrengen van een bod voor de woning rekening houden. Hiermee had bij de herleiding van de waarde van de woning uit de verkoopprijzen van de vergelijkingsobjecten rekening moeten worden gehouden, bijvoorbeeld door een vermindering van de berekende waarde van de woning of een correctie van de voor de woning gebruikte m3-prijs en/of m2-prijs. Dit heeft de heffingsambtenaar niet gedaan.

Nu de heffingsambtenaar niet aan de op hem rustende bewijslast heeft voldaan, komt de vraag aan de orde of belanghebbende aannemelijk heeft gemaakt dat de door hem verdedigde waarde van de woning van € 120.000 niet te laag is. Het Hof beantwoordt deze vraag ontkennend. De enkele verwijzing naar een taxatiewijzer – overigens zonder deze te overleggen – is onvoldoende om de waarde aannemelijk te maken. Belanghebbende heeft geen marktgegevens of andere objectieve, voor het Hof toetsbare gegevens overgelegd die de door hem verdedigde waarde schragen. Hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd brengt het Hof evenmin tot een ander oordeel.

Nu geen van beide partijen het van haar gevraagde bewijs heeft geleverd, bepaalt het Hof, rekening houdend met alle omstandigheden, in het bijzonder hetgeen is overwogen over de verschillen tussen de woning en de vergelijkingsobjecten, in goede justitie op € 180.000.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is het hoger beroep van belanghebbende gegrond. Beslist dient te worden als volgt.

Proceskosten en griffierecht

Het Hof acht termen aanwezig de heffingsambtenaar te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 1.960 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor de rechtbank en voor het Hof (4 punten à € 490 x 1 (gewicht van de zaak)) en € 488 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de bezwaarfase (2 punten à € 244 x 1 (gewicht van de zaak)), in totaal derhalve op € 2.448. Voor een hogere vergoeding acht het Hof geen termen aanwezig.

Voorts dient aan belanghebbende het voor de behandeling voor de rechtbank gestorte griffierecht van € 44, alsmede het voor de behandeling in hoger beroep gestorte griffierecht van € 122 te worden vergoed.

Beslissing

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.
2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:
Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Het Gerechtshof:

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. J.J.J. Engel, G.J. van Leijenhorst en J.V. van Noorle Jansen, in tegenwoordigheid van de griffier mr. R.A. Brits. De beslissing is op 20 mei 2015 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl Belastingblad 2015/345 met annotatie van M.P. van der Burg FutD 2015-1329 Viditax (FutD) 2015052607
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?