2. primair:
medeplegen van moord;
7, 12, 16 en 17 primair:
valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;
8. en 11:
medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd;
9:
oplichting;
13, 14 en 15 primair:
opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1, 2 primair, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15 primair, 16 en 17 primair zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijfentwintig jaren, met aftrek van voorarrest.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft samen met zijn mededader [slachtoffer 1] in zijn eigen woning op gruwelijke wijze van het leven beroofd. [slachtoffer 1] is door de verdachte en zijn mededader in een machteloze positie gebracht, terwijl hij door toedoen van de verdachte in de veronderstelling verkeerde dat hij alleen zou worden mishandeld om zo een verzekeringsuitkering te ontvangen. [slachtoffer 1] is vervolgens door het door de verdachte en zijn mededader uitgeoefende geweld op een afschuwelijke manier overleden. Door aldus te handelen heeft de verdachte het slachtoffer, een nog jonge man en bovendien een vriend van de verdachte, van zijn kostbaarste bezit – het leven – beroofd. Naar het zich laat aanzien is het motief voor dit levensdelict gelegen in het verkrijgen van een uitkering uit een levensverzekering, die de verdachte enkele weken daarvoor op [slachtoffer 1] had afgesloten. Hieruit blijkt dat verdachte ’s zucht naar financieel gewin geen grenzen kende en dat hij er niet voor terugschrok een vriend te vermoorden, die hem niets vermoedend in zijn woning had ontvangen. Evenmin deinsde de verdachte ervoor terug om de mededader hierbij voor zijn karretje te spannen.
De verdachte heeft de nabestaanden van het slachtoffer onbeschrijfelijk en onherstelbaar leed toegebracht, waarmee zij de rest van hun leven geconfronteerd zullen blijven. Uit de zich in het dossier bevindende slachtofferverklaring blijkt dat de bewezen verklaarde daad een enorme impact op met name de dochter van het slachtoffer heeft.
Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een groot aantal fraudedelicten, waaronder het plegen van valsheid in geschrift en het oplichten en het proberen op te lichten van verzekeringsmaatschappijen en de Belastingdienst. Dit zijn ernstige feiten. Het schaadt het vertrouwen dat een verzekeraar c.q. de Belastingdienst in een verzekeringnemer en een begunstigde c.q. een belastingbetaler en zijn adviseur moet kunnen stellen.
Verzekeringsfraude leidt bovendien niet alleen tot hogere maatschappelijke kosten, maar ook tot hogere particuliere kosten. Bovendien heeft de verdachte ook bij het plegen van deze feiten voor zijn eigen financieel gewin misbruik gemaakt van het vertrouwen van vrienden en vriendinnen, alsmede van bedrijven, die hem hun gegevens of administraties hadden toevertrouwd.
Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 9 juni 2016, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. In 2007 is de verdachte nota bene veroordeeld voor het samen met zijn huidige mededader afpersen van diens ouders, en wel tot een gevangenisstraf van tweeënveertig maanden, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.
Het hof heeft kennis genomen van het advies dat de Reclassering op 31 oktober 2013 over de verdachte heeft uitgebracht. Daarin wordt opgemerkt dat het beeld rondom de verdachte nog zorgelijker wordt wanneer hij schuldig wordt bevonden aan moord, omdat dit betekent dat hij extreem ver kan gaan voor het eigen financieel gewin en daar grenzeloos in is. De kans op recidive wordt als hoog ingeschat. Aan het door de Reclassering geadviseerde psychologisch en/of psychiatrisch onderzoek (door het NFI) heeft de verdachte geweigerd mee te werken.
Het hof heeft tevens kennis genomen van het door de verdachte overgelegde rapport van Ton Koot FMW d.d. 11 september 2014.
De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep dat hij door het volgen van cursussen thans wel degelijk moreel besef heeft en niet wordt gedreven door financieel gewin, is op het hof niet als oprecht en gemeend overgekomen. Een hoge kans op recidive is volgens het hof (nog steeds) aanwezig.
Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden is.
In afwijking van het betoog van de raadsman is het hof van oordeel dat in de onderhavige zaak geen sprake is van een zodanige overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden, dat daaraan de door de raadsman genoemde consequentie dient te worden verbonden.
Daartoe overweegt het hof als volgt.
Als aanvang van de redelijke termijn geldt het moment waarop de inleidende dagvaarding aan de verdachte wordt betekend dan wel het moment waarop de verdachte in verzekering wordt gesteld. Uit de zich in het dossier bevindende stukken blijkt dat de verdachte op 27 maart 2013 in verzekering is gesteld. De behandeling van de zaak in eerste aanleg heeft plaatsgehad op de terechtzittingen van 13 mei 2014 en 14 mei 2014, waarna op 28 mei 2014 vonnis is gewezen.
De behandeling van de zaak in eerste aanleg heeft derhalve binnen twee jaren na aanvang van genoemde redelijke termijn plaatsgevonden.
Namens de verdachte is op 2 juni 2014 hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank ingesteld. De stukken van het geding zijn op 20 juni 2014 bij de griffie van dit gerechtshof ingekomen, derhalve binnen de daartoe gestelde termijn van zes maanden.
Ter terechtzitting in hoger beroep van 31 maart 2015 heeft een zogenaamde regiebehandeling plaatsgehad, waarna ter terechtzitting van 14 april 2015 de zaak is verwezen naar de raadsheer-commissaris in verband met het doen horen van een groot aantal door de verdediging opgegeven getuigen.
Op de terechtzittingen in hoger beroep van 24 juni 2016, 29 juni 2016, 1 juli 2016 en 7 juli 2016 heeft de inhoudelijke behandeling van de zaak in hoger beroep plaatsgehad, waarna op 21 juli 2016 arrest wordt gewezen.
Het hof constateert dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen twee jaren na het instellen van het hoger beroep. Nu het een zeer geringe overschrijding van genoemde redelijke termijn betreft, zal het hof volstaan met de constatering ervan.
Vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen
In het onderhavige strafproces hebben [benadeelde partij 1] (dochter van het slachtoffer) en Nationale Nederlanden zich als benadeelde partij gevoegd en vorderingen ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 2 en 9 ten laste gelegde tot een bedrag van € 36.881,53 respectievelijk € 12.854,02.
In eerste aanleg is de vordering van de [benadeelde partij 1] toegewezen tot een bedrag van € 7.110,60, met niet-ontvankelijkverklaring voor het overige. De vordering van de benadeelde partij Nationale Nederlanden is toegewezen tot het gevorderde bedrag.
In hoger beroep is de vordering van de [benadeelde partij 1] gehandhaafd tot het in eerste aanleg gevorderde bedrag. De vordering van de benadeelde partij Nationale Nederlanden is van rechtswege aan de orde tot het toegewezen bedrag.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd dat omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen overeenkomstig het vonnis waarvan beroep dient te worden beslist.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de [benadeelde partij 1] dient te worden afgewezen dan wel dat zij hierin niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De benadeelde partij Nationale Nederlanden dient in de visie van de verdediging niet-ontvankelijk in haar vordering te worden verklaard.
Ten aanzien van de vordering van de [benadeelde partij 1] overweegt het hof als volgt.
Naar het oordeel van het hof is de vordering van de [benadeelde partij 1] voldoende onderbouwd en is genoegzaam komen vast te staan dat de gestelde materiële schade is geleden tot een bedrag van € 7.110,60 en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 2 bewezenverklaarde. De verdediging heeft de vordering op geen andere grond weersproken dan op de bepleite vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde. De vordering van de [benadeelde partij 1] zal derhalve hoofdelijk tot dat bedrag worden toegewezen.
Voor het overige levert behandeling van de vordering van de [benadeelde partij 1] naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
De gedeeltelijk toewijzing van de vordering van de benadeelde partij brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op € 143,00, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij Nationale Nederlanden overweegt het hof als volgt.
Naar het oordeel van het hof is de vordering – gelet op de bij het voegingsformulier gevoegde bijlage – voldoende onderbouwd en is genoegzaam komen vast te staan dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 9 bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot het gevorderde bedrag worden toegewezen. De stelling van de verdediging dat zij de benadeelde partij niet heeft kunnen horen, kan hieraan niet afdoen.
Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Betaling aan de Staat ten behoeve van de slachtoffers
Nu vaststaat dat de verdachte tot de hiervoor genoemde bedragen aansprakelijk is voor de schade die door het onder 2 en 9 bewezen verklaarde strafbare feit is toegebracht, zal het hof aan de verdachte telkens de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag ten behoeve van het slachtoffer op de wijze zoals hierna vermeld. Daarbij geldt ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde dat die verplichting hoofdelijk zal worden opgelegd.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 45, 47, 57, 225, 289 en 326 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 68 en 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte en het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 10 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 primair, 7, 8, 9, 11, 12, 13, 14, 15 primair, 16 en 17 primair ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1, 2 primair, 7, 8, 9, 11, 12, 13, 14, 15 primair, 16 en 17 primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 (twintig) jaren.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de [benadeelde partij 1] ter zake van het onder
2 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 7.110,60 (zevenduizend honderdtien euro en zestig eurocent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.
Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 143,00 (honderddrieënveertig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1], ter zake van het onder 2 primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 7.110,60 (zevenduizend honderdtien euro en zestig eurocent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 70 (zeventig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.
Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover de mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.
Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.
Bepaalt dat indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij Nationale Nederlanden ter zake van het onder 9 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 12.854,02 (twaalfduizend achthonderdvierenvijftig euro en twee eurocent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.
Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer Nationale Nederlanden een bedrag te betalen van € 12.854,02 (twaalfduizend achthonderdvierenvijftig euro en twee eurocent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 99 (negenennegentig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.
Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.
Dit arrest is gewezen door mr. M.L.C.C. Lückers, mr. E.F. Lagerwerf-Vergunst en mr. H.J. van Kooten, in bijzijn van de griffier mr. G. Schmidt-Fries.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 21 juli 2016.
Mr. H.J. van Kooten is buiten staat dit arrest te ondertekenen.