Beschrijving van het trajectplan
Algemeen doel traject: het verwerven en behouden van arbeidsvaardigheden gericht op het vinden van een baan in het reguliere arbeidsproces.
Instrumenten:
x Cursus werknemersvaardigheden
(…)
x Trajectcoaching, specifieke aandachtspunten:
(…)
Tijdspad:
x 6 maanden
(…)
x Werken op Locatie 1 = kwekerij (..)
(…)
x Werken op Locatie 2 = productie (…)
(…)
De cliënt zal op basis van persoonlijke leerdoelen en ontwikkelingsmogelijkheden gedurende twee of driemaal een periode van 4 weken werkzaamheden gaan verrichten op diverse Intern en externe locaties [A] Groep.
Bij afsluiting van deze periode zal er een tussenevaluatie worden opgesteld waarin ervaringen ten aanzien van werk, werknemersvaardigheden en ontwikkeling worden gerapporteerd. Op basis van deze tussenevaluatie wordt de definitieve richting bepaald en worden vervolgstappen afgesproken.
(…)
Inspanningsverplichting deelnemer
Het traject Arbeidstoeleiding heeft het karakter van het verwerven en behouden van arbeidsvaardigheden, gericht op het vinden van een baan in het reguliere arbeidsproces. De deelnemer heeft hierin een inspanningsverplichting. Dit houdt onder andere in dat [A] Groep volledige inzet van de deelnemer verwacht bij werkzaamheden op diverse afdelingen binnen onze organisatie, in geval bij stages bij andere werkgevers en bij deelname aan trainingen c.q. cursussen. Door het ondertekenen van dit trajectplan verklaart de deelnemer zich akkoord met deze inspanningsverplichting. Het niet houden aan deze inspanningsverplichting kan tot gevolg hebben dat het traject wordt beëindigd.
(…)"
In het kader van het Trajectplan Arbeidstoeleiding heeft belanghebbende werkzaamheden verricht als inpakmedewerkster en productiemedewerkster bij het productiebedrijf [B] te [C] .
Belanghebbende heeft de bijstandsuitkering in haar aangifte IB/PVV voor het onderhavige jaar vermeld in de rubriek "loon, uitkering ZW en andere inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking".
Bij de aanslagregeling is de Inspecteur afgeweken van de door belanghebbende ingediende aangifte en heeft hij de van de RSD ontvangen bijstandsuitkering ondergebracht in de rubriek "inkomsten uit vroegere dienstbetrekking". Als gevolg van voormelde correctie heeft de Inspecteur de bij de voorlopige aanslag verleende arbeidskorting, inkomensafhankelijke arbeidskorting en de verhoogde alleenstaande-ouderkorting (hierna: de heffingskortingen) geheel teruggenomen. De aanslag resulteert, na verrekening van de eerder opgelegde voorlopige aanslag, in een te betalen bedrag van € 2.906.
Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen
In geschil is of belanghebbende recht heeft op de heffingskortingen. Meer in het bijzonder is in geschil of het gelijkheidsbeginsel is geschonden.
Niet in geschil is dat belanghebbende in het onderhavige jaar heeft deelgenomen aan het Trajectplan Arbeidstoeleiding en in dat kader werkzaamheden heeft verricht bij een productiebedrijf. Evenmin is in geschil dat belanghebbende op grond van de wettelijke bepalingen geen recht op de in geschil zijnde heffingskortingen.
Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen, verwijst het Hof naar de gedingstukken.
Conclusies van partijen
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vaststelling van de aanslag overeenkomstig de door haar ingediende aangifte.
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
Oordeel van de Rechtbank
6. De Rechtbank heeft – voor zover thans van belang – overwogen:
"(…)
7. Ingevolge artikel 8.1, eerste lid, aanhef en letter e, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (de Wet) wordt onder het arbeidsinkomen verstaan het gezamenlijk bedrag van hetgeen door de belastingplichtige met tegenwoordige arbeid is genoten als winst uit een of meer ondernemingen, loon en resultaat uit een of meer werkzaamheden.
8. Op grond van artikel 3.81 van de Wet IB 2001 (de Wet) moet onder loon worden verstaan: loon overeenkomstig de wettelijke bepalingen van de loonbelasting. Ingevolge artikel 34 van de Wet op de loonbelasting 1964 in samenhang met artikel 11, eerste lid, onderdeel g, en tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965, wordt een uitkering ingevolge de WWB als loon uit vroegere arbeid aangemerkt voor de loonbelasting.
9. Op grond van artikel 8.11, eerste lid, van de Wet geldt de arbeidskorting voor de belastingplichtige die arbeidsinkomen geniet. Nu een WWB-uitkering, gelet op de hiervoor onder 7. en 8. aangehaalde wetsbepalingen, niet tot het arbeidsinkomen in de zin van artikel 8.1, eerste lid, aanhef en letter e, van de Wet behoort, bedraagt het arbeidsinkomen van [belanghebbende] in het onderhavige jaar nihil en heeft zij geen recht op de arbeidskorting. Om dezelfde reden komt [belanghebbende], gelet op het bepaalde in artikel 8.14a, eerste lid, aanhef en letter a, van de Wet, evenmin in aanmerking voor de inkomensafhankelijke combinatiekorting.
10. De stelling van [belanghebbende] dat zij, om aanspraak te maken op een volledige (niet-gekorte) WWB-uitkering, verplicht was arbeid te verrichten en dat om die reden de uitkering als loon uit tegenwoordige arbeid moet worden aangemerkt, faalt. Daartoe overweegt de rechtbank dat van loon uit tegenwoordige dienstbetrekking uitsluitend sprake kan zijn indien dit loon als een onmiddellijke tegenprestatie voor verrichte arbeid worden beschouwd (vgl. Hoge Raad 28 januari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS4112). De werkzaamheden die [belanghebbende] heeft verricht hebben echter plaatsgevonden in het kader van haar verplichte deelname aan het Trajectplan dat is gericht op het verwerven en behouden van arbeidsvaardigheden en op het vinden van een baan in het reguliere arbeidsproces. De uitkering vormt dan ook geen onmiddellijke tegenprestatie voor het verrichten van arbeid, maar moet veeleer worden gezien als een tegenprestatie voor het voldoen aan de voorwaarden voor het verkrijgen van een (volledige) uitkering, waaronder de deelname aan het Trajectplan dat bovendien, zo blijkt uit hetgeen hiervoor onder 2. is vermeld, meer omvat dan het enkel verrichten van arbeid.
11. Het beroep van [belanghebbende] op schending van het gelijkheidsbeginsel dient te worden verworpen. De arbeidskorting is bedoeld voor mensen die reguliere arbeid verrichten.
[Belanghebbende] heeft echter geen reguliere arbeid verricht. De werkzaamheden van [belanghebbende] vinden plaats in het kader van een werkervaringstraject. Er is geen sprake van een arbeidsovereenkomst tussen enerzijds [belanghebbende] en anderzijds de uitkeringsinstantie dan wel het bedrijf waarvoor [belanghebbende] de werkzaamheden heeft verricht. Met [belanghebbende] is immers geen loon afgesproken. Dit betekent dat de uitkering niet als een onmiddellijke tegenprestatie voor de verrichte arbeid kan worden beschouwd (vergelijk HR 28 januari 2005, nr. 40 045, ECLI:NL:HR:2005:AS4112). Werknemers in dienst bij een werkgever daarentegen zijn werkzaam op basis van een arbeidsovereenkomst of aanstelling en genieten loon dat wel de onmiddellijke tegenprestatie voor verrichte arbeid vormt. Van feitelijk en rechtens gelijke gevallen is dan ook geen sprake.
Dat een uitkeringsgerechtigde die aan een werkervaringstraject deelneemt op grond van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen wel recht heeft op kinderopvangtoeslag en dus in zoverre gelijkgesteld wordt aan een reguliere werknemer, kan niet tot de conclusie leiden dat deze situaties ook voor de toepassing van de heffingskortingen gelijk moeten worden behandeld. Bezien in het licht van de hiervoor onder 7. tot en met 9. aangehaalde wettelijke bepalingen betreffende de toepassing van heffingskortingen is immers geen sprake van gelijke gevallen.
De rechtbank verwerpt daarom het beroep van [belanghebbende] op het gelijkheidsbeginsel.
12. Niet gesteld of gebleken is dat aan [belanghebbende] ten onrechte dan wel tot een te hoog bedrag belastingrente in rekening is gebracht.
13. Gelet op wat hiervoor is overwogen is het beroep ongegrond verklaard.
Proceskosten
14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
(…)"
Beoordeling van het hoger beroep
In hoger beroep komt belanghebbende slechts op tegen het oordeel van de Rechtbank dat het beroep op schending van het gelijkheidsbeginsel verworpen moet worden. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de gehele uitkering rechtstreeks afhankelijk is van het verrichten van arbeid. De omstandigheid dat de uitkering wordt verlaagd indien zij werk weigert of niet uitvoert, brengt volgens belanghebbende met zich dat zij wordt beloond voor het verrichten van arbeid. Belanghebbende heeft in dit verband voorts aangevoerd dat zij op grond van het gelijkheidsbeginsel op dezelfde wijze behandeld dient te worden als haar collega die dezelfde werkzaamheden verricht en daarvoor loon ontvangt. Door belanghebbende de in geding zijnde heffingskortingen te ontzeggen, wordt – aldus belanghebbende – een niet te rechtvaardigen ongelijkheid gecreëerd omdat de onderhavige heffingskortingen bedoeld zijn voor diegenen die werkzaamheden verrichten en de zorg van een kind jonger dan twaalf jaar hebben: de heffingskortingen zijn immers gericht op het bevorderen van de arbeidsparticipatie.
Voor het antwoord op de vraag of in een gegeven geval de heffingskortingen van toepassing zijn, is met name van belang of de genoten inkomsten ten nauwste verband houden met bepaalde of in een bepaald tijdvak verrichte arbeid waarvoor die inkomsten een rechtstreekse beloning vormen (vlg. HR 26 juni 1968, nr. 15929, BNB 1968/169 en HR 31 januari 2014, nr. 12/05642, ECLI:NL: HR: 2014:165, BNB 2014/61).
Ingevolge artikel 7, eerste lid, onderdeel b, WWB wordt door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar een belanghebbende zijn woonplaats heeft, bijstand verleend aan personen die in zodanige omstandigheden verkeren of dreigen te geraken dat zij niet over de middelen beschikken om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Weliswaar heeft belanghebbende ter behoud van haar bijstandsuitkering en in het kader van een verplicht re-integratietraject werkzaamheden verricht bij een productiebedrijf, doch daarmee vormt de bijstandsuitkering geheel noch deels een rechtstreekse beloning voor de door haar verrichte arbeid. Belanghebbende heeft immers in beginsel – onafhankelijk of zij arbeid verricht – recht op de volledige toegekende bijstandsuitkering. Indien zij de verplichtingen die verbonden zijn aan die uitkering niet nakomt, kan de uitkering (tijdelijk) geheel of gedeeltelijk op een lager bedrag vastgesteld worden. Anders dan belanghebbende stelt, is van een beloning voor de verrichte werkzaamheden geen sprake. Verlaging van de uitkering vindt niet louter plaats indien belanghebbende weigert inspanningen te verrichten die haar positie op de arbeidsmarkt kunnen verbeteren – door bijvoorbeeld te weigeren deel te nemen aan een re-integratietraject – maar ook indien zij zich niet houdt aan één van de andere verplichtingen die zijn verbonden aan het recht op bijstand. Hieruit volgt dat de (hoogte van de) uitkering niet onmiddellijk afhankelijk is van het verrichten van arbeid voor het specifieke bedrijf waar belanghebbende werkt en aldus niet kan worden beschouwd als een onmiddellijke tegenprestatie voor de in casu verrichte werkzaamheden.
De vergelijking die belanghebbende maakt met haar collega die aldaar in dienstbetrekking werkzaam is, gaat niet op. Zelfs indien zij al dezelfde werkzaamheden zouden verrichten en hetzelfde bedrag aan inkomsten uitbetaald zouden krijgen, is voor de toepassing van de heffingskortingen geen sprake van gelijke gevallen. De inkomsten van die collega vormen namelijk een onmiddellijke tegenprestatie voor de verrichte arbeid, terwijl, zoals in r.o. 7.3 overwogen, de door belanghebbende ontvangen bijstandsuitkering niet als een onmiddellijke tegenprestatie voor de verrichte arbeid kan worden beschouwd. Dit is een verschil op grond waarvan de wetgever in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat voor de toepassing van de heffingskortingen geen sprake is van gelijke gevallen (vlg. HR 28 januari 2005, nr. 40045, ECLI:NL:HR:2005:AS4112, BNB 2005/133). Dat de heffingskortingen een instrument zijn voor het bevorderen van de arbeidsparticipatie doet aan het voorgaande niet af. Van schending van het gelijkheidsbeginsel is mitsdien geen sprake.
Proceskosten en griffierecht
Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Evenmin is er aanleiding vergoeding van het griffierecht te gelasten.
Beslissing
Het Gerechtshof:
- verklaart het hoger beroep ongegrond, en
- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. P.J.J. Vonk, Chr.Th.P.M. Zandhuis en D.M. Drok, in tegenwoordigheid van de griffier drs. N. El Allaoui. De beslissing is op 4 oktober 2016 in het openbaar uitgesproken.
aangetekend aan
partijen verzonden:
Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:
1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.
2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:
- - de naam en het adres van de indiener;
- - de dagtekening;
- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
- - de gronden van het beroep in cassatie.
Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.