GERECHTSHOF DEN HAAG
Afdeling Civiel Recht
Zaaknummer: 200.110.158/02
Zaak-/rolnummer 313852 / HA ZA 08-2085
Arrest d.d. 12 januari 2016
in de zaak van
de vennootschap naar Engels recht CARISBROOKE SHIPPING LTD,
gevestigd te Isle of Wight, Engeland,
appellante in principaal appel,
geïntimeerde in voorwaardelijk incidenteel appel,
hierna te noemen: Carisbrooke,
advocaat: mr. M.J.E. Harmsen te Rotterdam,
tegen
de vennootschap met beperkte aansprakelijkheid CARINS B.V.
gevestigd te Groningen,
geïntimeerde in principaal appel,
appellante in voorwaardelijk incidenteel appel,
hierna te noemen: Carins,advocaat: mr. M.R. Gans te Groningen.
Het verdere verloop van het geding
Na het tussenarrest van het hof van 23 juni 2015 heeft Carisbrooke nog een akte (met producties) genomen, waarop Carins vervolgens bij antwoordakte heeft gereageerd. Daarna hebben partijen voormelde stukken ter aanvulling van de andere, reeds aan het hof overgelegde, stukken overgelegd voor arrest.
De verdere beoordeling van het hoger beroep
8. Niet in geschil is dat Carins de partij was die de kenmerkende prestatie in de zin van artikel 4 lid 2 EVO moest verrichten; wel naar welk land toepassing van dat artikellid daarmee wijst. Nu Carins een vennootschap is en zij de overeenkomst met Carisbrooke in de uitoefening van haar bedrijf heeft gesloten, is – nu niet kan worden aangenomen dat de prestatie volgens de overeenkomst door een andere vestiging dan de hoofdvestiging (waarvan het bestaan overigens niet is gebleken) moet worden verricht - bepalend in welk land Carins’ hoofdvestiging zich ten tijde van het sluiten van de overeenkomst bevond. Hoewel Carisbrooke niet heeft gesteld wanneer de overeenkomst is gesloten, moet het ervoor worden gehouden dat dat is gebeurd op enig moment tussen de datum van prolongatie van de hull&machinery-verzekering in 2000 en 1 april 2001. Niet in geschil is dat Carins in die periode statutair gevestigd was in Nederland, en Carisbrooke heeft niet bestreden dat Carins daar – in Groningen - ook feitelijk kantoor hield. Evenmin heeft zij bestreden dat Carins vanuit dat kantoor telefonisch, per e-mail en per telefax – al dan niet via in andere landen gevestigde placing brokers - de totstandkoming en wijziging van de verzekeringsovereenkomsten (waaronder de onderhavige) bewerkstelligde en de scheepsverzekeringsportefeuille van Carisbrooke beheerde.
9. Carisbrooke heeft, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 10 januari 1992, NJ 1992, 575, nog wel ingang proberen te doen vinden dat als vestigingsplaats van Carins in de zin van art. 4 lid 2 EVO de ‘feitelijke vestigingsplaats’ in aanmerking moet worden genomen en dat, omdat de werkzaamheden van Carins voor (in elk geval de casco-)verzekeringen uitsluitend en ook overigens goeddeels op de Londense verzekeringsmarkt werden verricht, deze ‘feitelijke vestigingsplaats’ van Carins in Engeland was gelegen, maar daarin kan het hof in het licht van het voorgaande niet met haar meegaan. Op grond van artikel 4 lid 2 EVO wordt de overeenkomst dan ook vermoed het nauwst te zijn verbonden met Nederland.
10. Ingevolge artikel 4 lid 5 EVO kunnen de omstandigheden van het geval echter meebrengen dat de overeenkomst nauwer is verbonden met een ander land dan het in lid 2 bedoelde vermoeden meebrengt. Daarvoor is echter nodig dat uit het geheel van (door Carisbrooke te stellen en bij betwisting te bewijzen) omstandigheden duidelijk blijkt dat de overeenkomst nauwer is verbonden met dat andere land (vgl. HvJEU 6 oktober 2009, C-133/08, Jur. 2009, p. I-9687, NJ 2010/168).
10. Het hof is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat in het onderhavige geval wel duidelijk blijkt dat de overeenkomst nauwer met Engeland is verbonden dan met Nederland. Weliswaar was Carins in Nederland gevestigd en voerde zij haar werkzaamheden die zij in het kader van de overeenkomst van Carisbrooke kreeg opgedragen ook vanuit haar in Nederland gevestigde kantoor uit, maar daar staat tegenover dat Carins destijds deel uitmaakte van de Carisbrooke groep, waarvan het hoofdkantoor in Engeland was gevestigd, Carisbrooke als opdrachtgever in Engeland was gevestigd, en dat – wat er verder ook zij van eventuele ruimte voor Carins om verzekeringsmogelijkheden in andere landen te verkennen en voor te leggen - de opdracht waarop Carisbrooke zich hier beroept uiteindelijk heeft behelst om de bestaande hull&machinery-verzekering van (onder meer) de [Naam D], die aanvankelijk was afgesloten op de Londense markt en daar nadien herhaaldelijk was geprolongeerd, per 1 april 2001 nogmaals te prolongeren, bij de uitvoering waarvan Carins zich heeft bediend van een Engelse placing broker. Bij toekenning van aanknopingsoverwicht aan Engeland kent het hof voorts aanzienlijk gewicht toe aan het feit dat op de verzekeringsovereenkomst waarom het hier gaat Engels recht van toepassing was. Dat vormt een belangrijk aanknopingspunt, omdat de opdracht van Carisbrooke aan Carins erin bestond haar te vertegenwoordigen bij de prolongatie van deze overeenkomst en nadien bij het doorgeven van wijzigingen in het kader daarvan, en fouten van Carins in het kader van deze opdracht naar Engels recht te beoordelen gevolgen voor Carisbrooke hadden. Dat Carins voor Carisbrooke ook bemiddelde bij de totstandkoming of wijziging van andere scheepsverzekeringen op andere markten dan de Engelse en in het kader van door Carins bemiddelde overeenkomsten, acht het hof - noch daargelaten dat ook die, blijkens hetgeen Carins bij memorie van grieven sub 29. 2 (ad 8) zelf naar voren heeft gebracht, geregeerd werden door Engels recht – van ondergeschikt belang. Ook hetgeen partijen overigens ter zake de aanknoping naar voren hebben gebracht kan niet tot een ander oordeel leiden.
10. Het voorgaande betekent dat het principale appel van Carisbrooke in beginsel slaagt. Dat brengt mee dat het hof ook heeft te beslissen in het door Carins ingestelde voorwaardelijk incidentele appel. Grief I in incidenteel appel faalt omdat die, zoals uit het voorgaande blijkt, uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting. Grief II in incidenteel appel faalt, nu het hof ongeacht of Carisbrooke Carins’ grootste klant was van oordeel is dat de overeenkomst duidelijk meer aanknopingspunten heeft met Engeland.
10. Carins heeft geen stellingen te bewijzen aangeboden die, indien bewezen, tot een andere uitkomst kunnen leiden.Slotsom
10. Het voorgaande betekent dat het principale appel slaagt en het incidentele appel faalt. De zaak zal worden terugverwezen naar de rechtbank te Rotterdam ter verdere behandeling en beslissing. Carins zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het principale appel worden veroordeeld. Voor een kostenveroordeling in incidenteel appel is geen plaats.
Beslissing
Het hof:
- bepaalt dat Engels recht van toepassing is op de overeenkomst tussen Carisbrooke en Carins die ten grondslag heeft gelegen aan prolongatie van de hull&machinery-verzekering van de [Naam D] per 1 april 2001 en aan verplichtingen van Carins om ter zake die verzekering instructies van Carisbrooke uit te voeren, en bepaalt voorts dat ook de vraag of Carins in haar verplichtingen jegens Carisbrooke op grond van deze overeenkomst een fout heeft gemaakt naar Engels recht moet worden beoordeeld;
- verwijst de zaak terug naar de rechtbank Rotterdam ter verdere beoordeling en beslissing;
- bepaalt dat Carins de zaak bij de rechtbank Rotterdam dient aan te brengen ten behoeve van het nemen van een akte waarbij zij zich kan uitlaten over de vraag of, naar Engels recht, een voor de beoordeling van het geschil relevante klacht- of verjaringstermijn is verlopen, dit als bedoeld in het proces-verbaal van de op 20 maart 2009 door de rechtbank te Rotterdam gehouden comparitie van partijen;
- veroordeelt Carins in de proceskosten van het principale appel en van het incidentele appel, welke kosten tot op heden aan de zijde van Carisbrooke worden begroot op € 4.915,17 voor verschotten en op € 1.788,= voor salaris advocaat, en in de nakosten van € 131,=, vermeerderd met € 68,= indien betekening noodzakelijk blijkt te zijn.
Dit arrest is gewezen door mrs. E.J. van Sandick, M.C.M. van Dijk en A.R. van de Veen en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 januari 2016 in aanwezigheid van de griffier.