ECLI:NL:GHDHA:2017:1263

ECLI:NL:GHDHA:2017:1263, Gerechtshof Den Haag, 02-05-2017, BK-15/00878

Instantie Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak 02-05-2017
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer BK-15/00878
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Den Haag
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2018:418
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 4 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0002320

Samenvatting

In hoger beroep is - naar het Hof begrijpt - in geschil of de naheffingsaanslag omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2005 tot en met 31 december 2007, terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. Meer specifiek is in geschil of: belanghebbende ondernemer is voor de heffing van omzetbelasting; sprake is van gewekt vertrouwen met betrekking tot het ondernemerschap; het verdedigingsbeginsel is geschonden; het inzage- en hoorrecht bij bezwaar is geschonden; de Inspecteur wegens het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar een dwangsom als bedoeld in artikel 4:17, lid 1, Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), heeft verbeurd; de naheffing van omzetbelasting leidt tot dubbele heffing; de Rechtbank haar uitspraak voldoende heeft gemotiveerd; de Rechtbank terecht stukken van belanghebbende heeft geweigerd; sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en of belanghebbende recht heeft op immateriële schadevergoeding.

Uitspraak

“ALGEMEEN

(…)

De echtgenoot van belastingplichtige onderhoud alle contacten zowel met de belastingdienst als met de klanten.

(…)

Onderneming

De onderneming is gevestigd op het adres [F] te [Z] .

De activiteiten van de onderneming bestaan uit de exploitatie van een advieskantoor en boekhoudkantoor.

De onderneming wordt uitgeoefend in de vorm van een eenmanszaak.

Ten tijde van de controle waren er geen personeelsleden in loondienst.

De echtgeno(o)t(e) van belastingplichtige werkt mee in de onderneming.

De werkzaamheden bestaan uit het onderhouden van contacten met de klanten.

Administratie

(…)

FISCAAL TECHNISCHE CONTROLE

Aangiften

De aangiften omzetbelasting worden opgesteld door belastingplichtige zelf.

Van de ingediende aangiften zijn specificaties aanwezig.

De aangiften sluiten aan bij de gevoerde administratie.

(…)”

In het controlerapport met betrekking tot de heffing van omzetbelasting over de jaren 1985 tot en met 1987 ten aanzien van [Y] , gedagtekend 26 januari 1990, is over het ondernemerschap van [Y] het volgende opgenomen:

“ALGEMEEN

(…)

Onderneming

De onderneming is gevestigd op het adres [F] te [Z] .

De activiteiten van de onderneming bestaan uit de exploitatie van een advieskantoor.

De onderneming wordt uitgeoefend in de vorm van een eenmanszaak.

Ten tijde van de controle waren er geen personeelsleden in loondienst.

De echtgeno(o)t(e) van belastingplichtige werkt mee in de onderneming.

(…)

FISCAAL TECHNISCHE CONTROLE

Aangiften

De aangiften omzetbelasting worden opgesteld door belastingplichtige zelf.

Van de ingediende aangiften zijn specificaties aanwezig.

De aangiften sluiten aan bij de gevoerde administratie.

(…)”

Het resultaat van Kantoor [X] is in deze jaren niet aan [Y] toegerekend.

In het (gecombineerde) controlerapport met betrekking tot de heffing van inkomstenbelasting en omzetbelasting over de jaren 1988 tot en met 1991 ten aanzien van de ondernemingen Kantoor [X] , [D] , V.O.F. [A] en [I] (voorheen: [J] ), gedagtekend 23 mei 1995, is het ondernemerschap van belanghebbende niet betwijfeld. De omzet van Kantoor [X] is aan belanghebbende toegerekend. In het rapport is voor zover hier van belang het volgende opgenomen:

“3 INKOMSTENBELASTING EN VERMOGENSBELASTING

ONDERNEMERSCHAP

KANTOOR [X]

De activiteiten van de onderneming bestaan uit het bijhouden van administraties en het invullen van aangiften voor zowel ondernemers als particulieren.

Er is sprake van ondernemerschap voor de inkomstenbelasting. De onderneming wordt gedreven in naam van mevrouw [X] . Ik heb tijdens de controle de indruk gekregen dat de heer [Y] de meeste activiteiten voor deze onderneming verricht.

(…)

4 OMZETBELASTING

(…)

KANTOOR [X]

De verschuldigde omzetbelasting sluit aan bij de verantwoorde omzet. In 1994 is de naheffingsaanslag tot nihil teruggebracht. Dit betekent dat in 1994 een bedrag van ƒ 2.771 vrij valt in de winst.(…) ”

Bij uitspraken op bezwaar zijn de bezwaren tegen de aan belanghebbende en [Y] opgelegde naheffingsaanslagen ongegrond verklaard.

Belanghebbende heeft bij brief van 16 september 2015 een beroep op betalingsonmacht griffierecht gedaan. Bij brief van 6 oktober 2015 heeft zij het toegezonden formulier en de gevraagde gegevens aan de griffier (retour) gezonden. Belanghebbende heeft in dit formulier het volgende verklaard:

“I. ondergetekende verklaart voor zichzelf en zijn eventuele fiscale partner dat zij beiden:

 geen inkomen genieten. [Hof: met pen bijgeschreven] dwz negatief uit onderneming/zie bijlage.

(…)

II. Ondergetekende verklaart voor zichzelf en zijn eventuele fiscale partner dat zij gezamenlijk in Nederland en/of in het buitenland

 niet over vermogen beschikken. [Hof: met pen bijgeschreven] = negatief zie bijlage/uitleg.”

Belanghebbende heeft bij de hiervoor onder 3.18 vermelde verklaring vier bijlagen gevoegd. Kort samengevat heeft belanghebbende in deze bijlagen verklaard dat zij per 1 oktober 2015 samen met haar echtgenoot een bedrag van € 555.559,49 is verschuldigd aan hun twee kinderen. Voorts heeft zij gesteld dat hun gezamenlijke vermogen per saldo negatief is, aangezien tegenover de schuld aan de kinderen banktegoeden staan van € 302.165,52 op naam van belanghebbende plus € 219.988,38 op naam van de echtgenoot, derhalve in totaal een bedrag van € 522.153,90. Belanghebbende en haar echtgenoot zetten in de 'bijlage bij de verzoeken 30-09-2015', ingekomen op 7 oktober 2015, uiteen dat dit:

“[i]n feite impliceert […] dat voor vrijstelling griffierecht rechtmatig kan worden geopteerd. In een eerder jaar is dat ook altijd wel toegekend. De laatste tijd hebben we daarvan echter vrijwillig afgezien […]. De […] alhier/cumulerende griffierechten worden ons echter te gortig”.

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

In hoger beroep is - naar het Hof begrijpt - in geschil of de naheffingsaanslag omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2005 tot en met 31 december 2007, terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. Meer specifiek is in geschil of:

a. belanghebbende ondernemer is voor de heffing van omzetbelasting;

b. sprake is van gewekt vertrouwen met betrekking tot het ondernemerschap;

c. het verdedigingsbeginsel is geschonden;

d. het inzage- en hoorrecht bij bezwaar is geschonden;

e. de Inspecteur wegens het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar een dwangsom als bedoeld in artikel 4:17, lid 1, Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), heeft verbeurd;

f. de naheffing van omzetbelasting leidt tot dubbele heffing;

g. de Rechtbank haar uitspraak voldoende heeft gemotiveerd;

h. de Rechtbank terecht stukken van belanghebbende heeft geweigerd;

i. sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en of

j. belanghebbende recht heeft op immateriële schadevergoeding.

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de van hen afkomstige stukken en naar hetgeen partijen in aanvulling daarop ter zitting hebben aangevoerd.

Conclusies van partijen

Het hoger beroep van belanghebbende strekt, naar h begrijpt, tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar, tot vernietiging van de naheffingsaanslag, tot vergoeding van proceskosten, tot vergoeding van de griffierechten, tot toewijzing van het verzoek om immateriële schadevergoeding en tot het vaststellen van een door de Inspecteur verbeurde dwangsom.

De Inspecteur concludeert primair tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank dat belanghebbende geen ondernemer is. Ingeval het gelijk met betrekking tot het ondernemerschap van belanghebbende aan belanghebbende is, dient de naheffingsaanslag in stand te blijven gelet op de aangebrachte (omzet)correcties bij Kantoor [X] . De naheffingsaanslag is ook in dat geval niet tot een te hoog bedrag vastgesteld, aldus de Inspecteur.

Oordeel van de Rechtbank

6. De Rechtbank heeft met betrekking tot het geschil als volgt overwogen:

“7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [de Inspecteur], met hetgeen hij daarover in het controlerapport heeft vermeld en daartoe voor het overige in het geding heeft aangevoerd en overgelegd, aannemelijk gemaakt dat [belanghebbende] vrijwel geen bemoeienis heeft met de in 1 vermelde ondernemingen. Met hetgeen [belanghebbende] daartoe heeft aangevoerd en overgelegd heeft zij het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [de Inspecteur] zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat [belanghebbende] nimmer ondernemer in de zin van de Wet op de omzetbelasting 1968 is geweest, dat zij daarom ten onrechte omzetbelasting heeft teruggevraagd en die teruggaven haar ten onrechte zijn verleend. De naheffingsaanslag is daarom terecht opgelegd. Feiten en omstandigheden dat de naheffingsaanslag naar een te hoog bedrag is vastgesteld zijn gesteld noch gebleken.

8. Gelet op het vorenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.”

Beoordeling van het hoger beroep

Geschilpunt a (ondernemerschap)

De Inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat belanghebbende - in weerwil van haar inschrijving bij de Kamer van Koophandel als ondernemer - niet als ondernemer voor de heffing van omzetbelasting kan worden aangemerkt, aangezien zij, naar hij stelt, (vrijwel) geen werkzaamheden verricht voor ‘Kantoor [X] ’. Belanghebbende is geen zelfstandig ondernemer omdat zij uitsluitend ondersteunende werkzaamheden verricht en [Y] overigens alle werkzaamheden verricht. Dientengevolge is [Y] , handelend onder de naam Kantoor [X] , de ondernemer die prestaties voor de heffing van omzetbelasting verricht, aldus begrijpt h de Inspecteur. Belanghebbende heeft dat standpunt gemotiveerd betwist.

Vooropgesteld zij dat op grond van artikel 7, eerste lid, van de Wet OB “ieder”, die een bedrijf zelfstandig uitoefent ondernemer is. Van doorslaggevend belang is hoe de entiteit (“ieder”) zich aan de buitenwereld presenteert.

In dit verband is van belang dat niet in geschil is dat onder de naam Kantoor [X] belastingadvieswerkzaamheden worden verricht tegen vergoeding. De daarmee gemoeide facturen worden opgemaakt door belanghebbende. Bancair betalingsverkeer ten behoeve van de onderneming vindt uitsluitend plaats via een bankrekening van belanghebbende. Voorts wordt voor belanghebbendes ondernemingsactiviteiten een jaarrekening opgemaakt.

Voorts is van belang dat belanghebbende naar buiten treedt en diensten verricht. Belanghebbende wordt, gelet op haar inschrijving bij de Kamer van Koophandel, gebonden voor alle rechtshandelingen die door of namens het kantoor zijn verricht, waardoor zij aansprakelijk is voor alle verbintenissen die door die rechtshandelingen ontstaan. [Y] is niet bevoegd (zelfstandig) overeenkomsten aan te gaan voor een bedrag hoger dan f 500. Overeenkomsten worden gesloten door of namens belanghebbende handelend onder de naam Kantoor [X] . Indien opdrachten worden aangenomen tot het geven van belastingadviezen en het verrichten van boekhoudkundige werkzaamheden, heeft belanghebbende ervoor zorg te dragen dat die opdrachten worden uitgevoerd. Als de verbintenissen niet (naar behoren) worden uitgevoerd dan is belanghebbende aansprakelijk. De Inspecteur heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt.

Daarenboven geldt dat belanghebbende de stelling van de Inspecteur dat zij geen bemoeienis heeft met de fiscale werkzaamheden van Kantoor [X] en uitsluitend ondersteunende werkzaamheden verricht, gemotiveerd heeft weersproken. Zij heeft ter zitting - geloofwaardig - uiteen gezet dat zij diverse activiteiten verricht, waaronder boekhoudkundige werkzaamheden en administratieve werkzaamheden, en dat [Y] in het bijzonder de fiscaal juridische adviezen verstrekt en het woord voert onder meer in geval van fiscaal juridische procedures. De door de Inspecteur ingebrachte verklaring van [Y] , afgelegd tegen twee ambtenaren van het Hoogheemraadschap [K] , dat hij alle boekhoudkundige werkzaamheden verricht, legt hiertegenover te weinig gewicht in de schaal.

Wat er verder ook zij van de stelling van de Inspecteur dat belanghebbende louter ondersteunende werkzaamheden verricht geldt dat ook ingeval de interne taakverdeling tussen [Y] en belanghebbende zodanig is dat belanghebbende uitsluitend dergelijke werkzaamheden verricht en [Y] de fiscale werkzaamheden, dit op zichzelf niet meebrengt dat zij niet de relevante ondernemer is voor de heffing van omzetbelasting voor de werkzaamheden van Kantoor [X] (vgl. HR 4 december 2009, nr. 43 742, ECLI:NL:HR:2009:BB8345, BNB 2010/55). Belanghebbende is immers degene die handelend onder de naam Kantoor [X] naar buiten treedt en een interne taakverdeling, wat daarvan ook zij, is in dit verband niet relevant.

Uit het voorgaande wordt geconcludeerd dat belanghebbende ondernemer is voor de heffing van omzetbelasting en dat de stelling van de Inspecteur faalt. Dat [Y] de contacten met de belastingdienst onderhoudt maakt dit niet anders.

Geschilpunt b (vertrouwensbeginsel)

Belanghebbende heeft voorts ten aanzien van het ondernemerschap een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel. Belanghebbende verwijst in dit verband naar eerdere boekenonderzoeken, hiervoor vermeld onder 3.13 tot en met 3.16, die plaats hebben gevonden bij belanghebbende en haar echtgenoot. Gelet op de inhoud van de rapporten van die boekenonderzoeken, mocht zij erop vertrouwen, aldus belanghebbende, dat zij ook in de onderhavige jaren zou worden aangemerkt als ondernemer voor de omzetbelasting.

Voor zover, gelet op het vorenoverwogene omtrent geschilpunt a, thans nog van belang, wordt voorop gesteld dat belanghebbende, zoals onder 3.1 opgenomen, vanaf 1 februari 1982 bij de Kamer van Koophandel vermeld staat als eenmanszaak (Kantoor [X] ) en dat belanghebbende door de Inspecteur tot aan de onderhavige jaren steeds als ondernemer voor de heffing van omzetbelasting is aangemerkt.

In het arrest van 18 december 1991, nr. 27 127, ECLI:HR:1991:BH8148 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat voor een in rechte te beschermen vertrouwen niet is vereist dat de aangelegenheid bij een boekenonderzoek door de belastingadministratie daadwerkelijk op haar fiscale merites is beoordeeld, doch dat voldoende is dat de belastingplichtige in de gegeven omstandigheden mocht aannemen dat zulks het geval was. Dit zal zich in het algemeen voordoen, indien de betrokken aangelegenheid verhoudingsgewijs van zodanig belang is dat zij niet aan de aandacht van de met de controle belaste ambtenaren kan zijn ontsnapt, en bovendien de gevolgen voor de belastingheffing van dien aard zijn dat het voor de hand ligt om kritische opmerkingen te maken, zo niet tot naheffing over te gaan. Alsdan zal de inspecteur, door niettemin generlei opmerking te maken en naheffing achterwege te laten, in het algemeen bij de belastingplichtige het gerechtvaardigde vertrouwen wekken dat de wijze waarop deze de betrokken aangelegenheid in fiscaal opzicht heeft behandeld, zijn goedkeuring kan wegdragen.

Ter zitting heeft de Inspecteur desgevraagd verklaard dat in de voorgaande jaren niet bewust het standpunt van belanghebbende en [Y] is gevolgd met betrekking tot het ondernemerschap. Voor de heffing van omzetbelasting is het al dan niet zijn van ondernemer verhoudingsgewijs echter van zodanig groot belang dat zij bij de onder 3.13 aangehaalde boekenonderzoeken niet aan de aandacht van de controlerend ambtenaren kan zijn ontsnapt en bovendien zijn de gevolgen van het al dan niet zijn van ondernemer voor de omzetbelasting van dien aard dat het bij enige twijfel aan de juistheid voor de hand ligt om daaromtrent kritische opmerkingen te maken, zo niet tot naheffing over te gaan. Dat is gelet op hetgeen belanghebbende en de Inspecteur ter zitting hebben verklaard en gelet op de inhoud van de oude rapporten niet gebeurd. Bij belanghebbende is hierdoor het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat zij als ondernemer voor de omzetbelasting kwalificeert. Ook om die reden slaagt belanghebbendes hoger beroep in zoverre. De stellingen van de Inspecteur dat sprake is van gewijzigde omstandigheden, dat belanghebbende een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven en dat belanghebbende niet te goeder trouw is, zijn onvoldoende onderbouwd.

Voor het geval dat belanghebbende ondernemer is voor de heffing van omzetbelasting heeft de Inspecteur geconcludeerd dat de naheffingsaanslag niet tot een te hoog bedrag is opgelegd gelet op de correcties die zijn aangebracht op de aangiften van Kantoor [X] en nageheven bij [Y] . De correcties betreffen onder meer omzetcorrecties.

Dienaangaande geldt dat de Inspecteur met gebruikmaking van de omkering en verzwaring van de bewijslast heeft gesteld dat de bruto-jaaromzet van het kantoor dient te worden bepaald op € 45.000. De hiermee gemoeide naheffing van omzetbelasting bedraagt (€ 6.572 + € 6.579 + € 6.796 =) € 19.947. Gelet op hetgeen met betrekking tot de administratie is opgenomen in het controlerapport (hiervoor geciteerd onder 3.9 en 3.10), hetgeen aannemelijk wordt geacht, is dit terecht. De berekening die de Inspecteur heeft gegeven in het controlerapport van voormeld bedrag van € 45.000 is alleszins redelijk, zodat sprake is van een redelijke schatting.

De in geding zijnde naheffingsaanslag bedraagt € 7.309 en betreft aan belanghebbende in rekening gebrachte omzetbelasting die zij ten onrechte in aftrek zou hebben gebracht omdat zij, in de visie van de Inspecteur geen ondernemer is voor de heffing van omzetbelasting. Aangezien geoordeeld is dat belanghebbende als ondernemer voor de heffing van omzetbelasting wordt aanmerkt, is de omzetbelasting in beginsel terecht in aftrek gebracht en is de naheffingsaanslag gelet op het hiervoor onder 7.2.5 overwogene niet tot een te hoog bedrag vastgesteld.

Geschilpunt c (schending van het verdedigingsbeginsel)

Voor zover belanghebbende met een beroep op het arrest HvJ 18 december 2008, Sopropé, C-349/07, bedoelt te stellen dat het verdedigingsbeginsel is geschonden omdat zij niet in de gelegenheid is gesteld om voorafgaand aan het uitbrengen van de controlerapporten te worden gehoord, geldt het volgende. Voornoemd beginsel vormt een algemeen beginsel van het Unierecht dat van toepassing is wanneer de administratie voornemens is een bezwarend besluit te nemen ten opzichte van een bepaald persoon. Reeds omdat het uitbrengen van een controlerapport geen besluit vormt als hier is bedoeld faalt belanghebbendes stelling. Indien en voor zover belanghebbende bedoelt te stellen dat zij alvorens het onder 1 vermelde besluit werd genomen in staat moest worden gesteld haar standpunt daarover kenbaar te maken geldt dat ook deze stelling faalt. Uit de feiten onder 3.5 volgt dat belanghebbende bij brief van 22 november 2010 in de gelegenheid is gesteld om verweer te voeren op de in de controlerapporten neergelegde slotbevindingen, waarin expliciet is opgenomen op welke elementen de Inspecteur voornemens is zijn besluiten te baseren, en aan belanghebbende een termijn van veertien dagen is gegeven om te reageren op dit voornemen. Een reactietermijn van veertien dagen maakt het in beginsel niet onmogelijk of uiterst moeilijk om het recht van verdediging uit te oefenen. Belanghebbende heeft binnen de gestelde termijn inhoudelijk op de rapporten gereageerd met de onder 3.5 vermelde brieven. Weliswaar heeft belanghebbende gesteld dat een termijn van veertien dagen onvoldoende was, doch zij heeft onvoldoende gespecificeerd op welke onderdelen zij een langere reactietermijn nodig had.

Geschilpunt d (schending hoorplicht en inzagerecht)

Voor zover belanghebbende erover klaagt dat zij in de bezwaarfase niet is gehoord en terugwijzing van de zaak naar de Inspecteur bepleit, treft het betoog geen doel. De Inspecteur heeft belanghebbende in de gelegenheid gesteld te worden gehoord, doch belanghebbende heeft daaraan om haar moverende redenen geen gevolg gegeven. Van schending van de hoorplicht is derhalve geen sprake. Met betrekking tot de gestelde schending van het inzagerecht geldt mutatis mutandis hetzelfde.

Geschilpunt e (niet tijdig uitspraak op bezwaar gedaan)

Voor zover belanghebbende bedoelt te stellen dat de uitspraak op bezwaar moet worden vernietigd, omdat deze niet binnen de termijn is gedaan en dat daarom geheel aan het bezwaar tegemoet moet worden gekomen, geldt dat dit standpunt moet worden verworpen omdat het geen steun vindt in het recht.

Geschilpunt f (dubbele heffing)

Indien en voor zover belanghebbende bedoelt te stellen dat sprake is van dubbele heffing omdat de omzetbelasting zowel door haar als door haar echtgenoot is verschuldigd geldt dat deze stelling faalt, omdat de door het Kantoor [X] verschuldigde belasting uitsluitend door belanghebbende is verschuldigd en niet door haar echtgenoot. De desbetreffende naheffingsaanslag opgelegd aan haar echtgenoot wordt bij uitspraak van heden nrs. BK-15/00897 en BK-15/00898 vernietigd.

Geschilpunt g (de Rechtbank heeft haar uitspraak onvoldoende gemotiveerd)

De stelling van belanghebbende dat de Rechtbank haar uitspraak onvoldoende heeft gemotiveerd faalt, reeds omdat belanghebbende niet aan haar stelplicht heeft voldaan, nu die stelling onvoldoende is onderbouwd.

Geschilpunt h (de Rechtbank heeft ten onrechte stukken van belanghebbende geweigerd)

De klacht dat de Rechtbank heeft geweigerd stukken die belanghebbende alsnog ter zitting wilde overleggen, aan te nemen, faalt. Belanghebbende had deze stukken al bij aanvang van de beroepsprocedure in bezit en had deze reeds op dat moment in het geding kunnen brengen. Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende goede redenen had die stukken niet eerder in te brengen. Gelet hierop kon de Rechtbank het algemeen belang van een doelmatige procesgang laten prevaleren (vgl. HR 15 juni 2012, nr. 11/03308, ECLI:NL:HR:

2012:BW8344, BNB 2012/240, r.o. 3.3.2).

Geschilpunt i (vergoeding van proceskosten)

De Inspecteur heeft betwist dat de echtgenoot in de bezwaar-, beroeps- en hoger beroepsfase op zakelijke basis is opgetreden.

Belanghebbende heeft ter onderbouwing van haar standpunt dat tegen een beloning rechtsbijstand is verleend, in hoger beroep aangevoerd dat op basis van het tussen haar en haar echtgenoot geldende huwelijksvermogensregime ieder jaar verrekening van kosten plaatsvindt. De blote stelling dat dit geschiedt, is onvoldoende voor het oordeel dat in de onderhavige zaken sprake is van op zakelijke basis verleende rechtsbijstand. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat haar echtgenoot op zakelijke basis is opgetreden.

Belanghebbende heeft voorts gesteld dat kosten zijn gemaakt bij derden (niet zijnde haar echtgenoot) ter zake van rechtsbijstand, doch deze kosten niet gespecificeerd. De Inspecteur betwist belanghebbendes stelling. De enkele stelling dat er facturen zijn terug te vinden in de boekhouding is onvoldoende. Belanghebbende heeft ter zitting aangeboden - om zo h dat wenst stukken te overleggen. H heeft belanghebbende meerdere malen voorgehouden dat het aan belanghebbende zelf is te bepalen of en welke stukken zij in het geding brengt. Aangezien belanghebbende de desbetreffende stukken niet alsnog in het geding heeft gebracht en het heeft gelaten bij een aanbod daartoe zijn de kosten niet aannemelijk gemaakt.

Uit het hiervoor overwogene volgt dat belanghebbende geen recht heeft op vergoeding van proceskosten.

Belanghebbende heeft onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld die kunnen leiden tot het oordeel dat recht bestaat op vergoeding van andere kosten, zoals bijvoorbeeld bedoeld in artikel 41 van het EVRM.

Geschilpunt j (verzoek om toekenning van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn)

Aangezien de Rechtbank bij afzonderlijke uitspraak beslist over het verzoek tot vergoeding van immateriële schade ter zake van het verloop van de procedures in bezwaar en in beroep, zal thans uitsluitend het verzoek in de hoger beroepsfase worden beoordeeld (vgl. HR 25 november 2016, nr. 16/00363, ECLI:NL:HR:2016:2678, r.o. 3.1.1). In casu is binnen twee jaar na het instellen van het hoger beroep uitspraak gedaan zodat de redelijke termijn niet is overschreden.

Afsluitende overwegingen

Voor zover belanghebbende bedoelt te stellen dat sprake is van schending van artikel 1 EP bij het EVRM, geldt dat zij deze stelling onvoldoende heeft onderbouwd.

Voor zover belanghebbende bedoelt te stellen dat aan haar in rekening gebrachte heffingsrente, mede gelet op de duur van de procedures, als boete als bedoeld in het EVRM zou moeten worden aangemerkt, geldt dat dit standpunt moet worden verworpen omdat het geen steun vindt in het recht.

Voor zover hetgeen belanghebbende ter zitting van 13 december 2016 te berde heeft gebracht dient te worden opgevat als een aanbod om getuigenbewijs te leveren omtrent het antwoord op de vraag of zij als ondernemer kan worden aangemerkt, geldt dat aan dit aanbod, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, voorbij kan worden gegaan.

Voor zover belanghebbende bedoelt te stellen dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn geschonden (meer in het bijzonder: het beginsel van detournement de pouvoir), geldt dat zij onvoldoende feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die kunnen leiden tot het oordeel dat sprake is van een dergelijke schending.

Voor zover belanghebbende bedoelt te stellen dat overigens Europeesrechtelijke regels zijn geschonden, geldt dat zij deze stelling onvoldoende heeft gespecificeerd.

Voor zover belanghebbende stelt 'dat er stukken verdwijnen' en met een beroep op het bepaalde in artikel 8:42 van de Awb bedoelt te stellen dat de Inspecteur deze in het geding moet brengen, geldt dat zij deze stelling onvoldoende heeft onderbouwd.

Slotsom

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep ongegrond is.

Proceskosten en griffierecht

Er zijn geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb (zie onderdeel 7.9.4).

Voor zover belanghebbende bedoelt te stellen dat het aan haar ter zake van het indienen van het hoger beroep in rekening gebrachte griffierecht ten onrechte in rekening is gebracht, geldt het volgende. Op grond van artikel 8:41 juncto 8:108 van de Awb wordt van de indiener van het hogerberoepschrift een griffierecht geheven. Ingevolge het derde lid van artikel 8:41 van de Awb is, onder meer, bij een beroepschrift tegen twee of meer samenhangende besluiten eenmaal griffierecht verschuldigd. Van samenhang is sprake als besluiten voortkomen uit één samenstel van feiten en omstandigheden.

Er is voor wat betreft de inkomstenbelastingzaken voor de jaren 1998 tot en met 2000, alsmede voor de jaren 2002 en 2003 sprake van samenhangende besluiten in voormelde zin omdat de Inspecteur in die zaken de bij de aanslagregeling aangebrachte correcties vanwege doelmatigheidsredenen op één na heeft teruggenomen. Voor dit cluster wordt in de zaak met nr. BK-15/00871 griffierecht geheven ten bedrage van € 123.

Voor de inkomstenbelasting- en omzetbelastingzaken die betrekking hebben op de jaren 2004 tot en met 2007 is sprake van samenhang in voormelde zin omdat die zaken voortvloeien uit boekenonderzoeken. In dit cluster wordt in de zaak met nr. BK-15/00876 griffie-recht geheven ten bedrage van € 123.

Ten aanzien van de overige zaken zal de griffier worden gelast het betaalde griffierecht terug te betalen.

Voor zover belanghebbende stelt dat [Y] en zijzelf beroepschriften hebben ingediend tegen hetzelfde besluit als bedoeld in artikel 8:41, lid 3, van de Awb, zodat voor hen beiden slechts eenmaal griffierecht wordt verschuldigd, geldt dat dit betoog faalt, omdat opgekomen wordt tegen verschillende besluiten.

Dat betekent dat het in deze zaak betaalde griffierecht van € 123 door de griffier zal worden terugbetaald.

Gelet op het vorenoverwogene behoeft het beroep op betalingsonmacht griffierecht geen behandeling.

Beslissing

Het Gerechtshof:

bevestigt de uitspraak van de Rechtbank,

gelast de griffier aan belanghebbende een bedrag van € 123 aan griffierecht terug te betalen, en

wijst het ingediende verzoek tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn betreffende de procedure voor het Hof af.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. E.M. Vrouwenvelder, P.J.J.Vonk en Chr.Th.P.M. Zandhuis, in tegenwoordigheid van de griffiers mrs. E.J. Nederveen en A.S.H.M. Strik. De beslissing is op 2 mei 2017 in het openbaar uitgesproken. De uitspraak is bij afwezigheid van mr. Vrouwenvelder ondertekend door mr. Zandhuis.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl V-N Vandaag 2017/1170 NLF 2017/1343 met annotatie van
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?