ECLI:NL:GHDHA:2017:3170

ECLI:NL:GHDHA:2017:3170, Gerechtshof Den Haag, 17-10-2017, 200.199.270-01

Instantie Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak 17-10-2017
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 200.199.270-01
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Den Haag
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2019:354
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 4 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001827

Samenvatting

Schadevordering jegens Provincie uit onrechtmatige daad na herroeping door de Afdeling van een door de Provincie (in het kader van verleende ontgrondingenvergunning voor zandwinning) gegeven 'aanwijzing'. Geen csqn-verband. Afwijzing.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.199.270/01

Zaak- rolnummer rechtbank : C/09/494699 / HA ZA 15-956

Arrest van 17 oktober 2017

in de zaak met bovenvermeld zaaknummer van:

PROVINCIE ZUID-HOLLAND,

zetelend te Den Haag,appellante,hierna te noemen: de Provincie, advocaat: mr. V.F. Affourtit te Amsterdam

tegen:

1. BOSKALIS/RIJNLAND V.O.F,

gevestigd te Rotterdam,

geïntimeerde sub 1,

hierna te noemen: de VOF, en haar vennoten

2. BOSKALIS B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

geïntimeerde sub 2,

hierna te noemen: Boskalis,

3. GROND-EN ZANDEXPLOITATIE-MAATSCHAPPIJ RIJNLAND B.V.,

gevestigd te Gouda,

geïntimeerde sub 3,

hierna te noemen: Rijnland,

geïntimeerden tezamen te noemen: BKR (in vrouwelijk enkelvoud),

advocaat mr. M. Boender-Radder te Den Haag.

Het geding

Bij exploot van 19 juli 2016 is de Provincie, met verlof van de rechtbank, in hoger beroep gekomen van het door de rechtbank Den Haag tussen partijen gewezen tussenvonnis van 22 juni 2016. Bij memorie van grieven (met producties) heeft de Provincie tien grieven aangevoerd. BKR heeft de grieven bij memorie van antwoord (met producties) bestreden. Vervolgens hebben partijen hun zaak mondeling bepleit op 7 september 2017, dit aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. Hiervan is proces-verbaal gemaakt. Vervolgens is arrest bepaald.

Beoordeling van het hoger beroep

De feiten

10. Het feit dat hetzelfde rechtsgevolg zou zijn ingetreden in de hypothetische situatie die zich zou hebben voorgedaan als de onrechtmatig bevonden Aanwijzing 2 achterwege was gebleven, betekent in beginsel dat het condicio-sine-qua-non verband ontbreekt tussen de onrechtmatig bevonden Aanwijzing 2 en de door BKR gevorderde stilligschade. BKR heeft hier tegenover gesteld dat, indien de Provincie op 15 oktober 2009 de Vergunning had gewijzigd zoals de Provincie dat op 31 januari 2011 heeft gedaan, BKR de zandwinningsinstallatie direct uit de plas had gehaald, zoals BKR dat heeft gedaan na kennisneming van de gewijzigde Vergunning op 31 januari 2011 (vgl. onder meer pagina’s 16, 22 en 25 van de memorie van antwoord). Deze stelling gaat er kennelijk vanuit dat BKR ten tijde van Aanwijzing 2 nog kon verwachten dat zij uiteindelijk een steilere taludhelling dan 1:6 zou kunnen aanhouden. Zonder die verwachting was er immers geen reden de zandwinningsinstallatie langer te laten liggen, omdat er hoe dan ook geen zand meer zou kunnen worden gewonnen. Voor die verwachting bestond geen redelijke grond. Zoals het hof hiervoor reeds heeft overwogen, wees alles er onmiskenbaar op dat GS wensten vast te houden aan een taludhelling van 1:6. Als BKR er in iedere situatie rekening mee moest houden dat zij niet meer zand kon winnen dan bij toepassing van een taludhelling van 1:6 mogelijk was, dan valt niet in te zien wat in dit opzicht het verschil kan zijn geweest tussen Aanwijzing 2 en een wijziging van de Vergunning. Met de afwezigheid van het condicio-sine-qua-non verband ontvalt de onrechtmatige besluitvorming als grondslag aan de schadevordering.Overige grondslagen?

11. Het hof zal, onder meer in het kader van de devolutieve werking van het hoger beroep, nog het volgende bespreken. Dit heeft BKR in eerste aanleg en/of in hoger beroep naar voren gebracht.

12. Het gaat hierbij allereerst om de stelling van BKR dat de Provincie bewust te lang heeft getalmd met het in gang zetten van het besluit tot wijziging van de Vergunning en de daarmee samenhangende stelling dat de Provincie, om financieel gewin, aan BKR heeft proberen te ontlokken zelf om een wijziging van de Vergunning te vragen in plaats van deze ambtshalve te wijzigen.

13. Nog los van de vraag hoe deze stelling zich verdraagt met de in deze procedure gestelde basis voor aansprakelijkheid van de Provincie – de onrechtmatig bevonden Aanwijzing 2 – , faalt deze stelling wegens onvoldoende onderbouwing ervan. Het hof stelt in dit verband voorop dat het op een misvatting van BKR berust dat zij niet meer in aanmerking zou kunnen komen voor (bestuursrechtelijke) nadeelcompensatie wanneer zij zelf om een wijziging van de Vergunning zou vragen. Nadeelcompensatie is van andere factoren afhankelijk. Daarnaast wijst het hof er op dat in het door BKR gestelde geen aanwijzingen zijn gevonden dat GS te lang (in de zin van onrechtmatig lang) hebben getalmd met het in gang zetten van de procedure tot wijziging van de Ontgrondingenvergunning. Weliswaar was het door de Provincie gebruikte instrument (Aanwijzing 2) om BKR tot ander handelen te brengen (hantering van een taludhelling van 1:6 voor onbepaalde tijd ) in deze vorm niet juist, maar dit leidt blijkens het voorgaande niet tot aansprakelijkheid van de Provincie. In de periode na de schorsing van Aanwijzing 2 (op 28 april 2010) hebben GS voortvarend gehandeld. Op 24 juni 2010 is een ontwerp gewijzigde Ontgrondingenvergunning gezonden aan BKR. GS hadden dit voornemen al eerder bij brief van 28 mei 2010 ter kennis van BKR gebracht. Dit alles wijst niet op bewust lang talmen, laat staan op talmen uit financieel gewin. Na het doorlopen van de gebruikelijke procedure hebben GS uiteindelijk op 31 januari 2011 de Ontgrondingenvergunning gewijzigd, hetgeen binnen een redelijke tijdsspanne valt. Ook op deze grond is geen sprake van onrechtmatig handelen van de Provincie, dat tot een schadevergoedingsverplichting leidt.

14. BKR heeft nog bij comparitie in eerste aanleg en bij pleidooi in hoger beroep aangevoerd dat zij door de Provincie te lang in het ongewisse is gelaten. Dit beroep is echter niet deugdelijk en zeker niet tijdig naar voren gebracht. GS hebben immers, zeker vanaf het rapport Witteveen & Bos stelselmatig bij BKR aangedrongen op hantering van een taludhelling van 1:6. Pas voor het eerst bij pleidooi in hoger beroep heeft de heer Roeleveld (voormalig projectleider van BKR) naar voren gebracht dat BKR verwachtte na het stilleggen van de winzuiger weer aan de gang te kunnen, waarbij BKR dacht aan misschien een talud van 1:4 of 1:5. Dit laatste is een nieuwe stelling en dusdanig laat (in strijd met een goede procesorde) in deze procedure naar voren gebracht dat dit aspect bij de oordeelsvorming niet kan meewegen. Overigens is er geen aanwijzing dat GS aan deze door BKR gestelde verwachting hebben bijgedragen.

Slotsom

15. Uit het voorgaande volgt dat er geen grondslag is voor aansprakelijkheid van de Provincie, zodat het bestreden vonnis moet worden vernietigd. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen, aangezien geen ter zake dienend bewijsaanbod is gedaan dat voldoet aan de daaraan in hoger beroep te stellen eisen. Het hof ziet reden om de zaak aan zich te houden (overeenkomstig artikel 356 Rv).

16. Nu de grondslag aan de schadevordering van BKR is komen te ontvallen, zal deze vordering worden afgewezen. Gelet hierop is er evenmin grond voor vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De grieven zijn gegrond, althans behoeven geen (verdere afzonderlijke) bespreking. BKR zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure, zowel in eerste instantie als in hoger beroep. Beslist zal worden als na te melden, waarbij het hof de nakosten iets anders berekent dan gevorderd.

Beslissing

Het hof:

- verklaart dit arrest ten aanzien van de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.A.F. Tan-de Sonnaville, P. Glazener en J.C.F. Talman en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 oktober 2017 in aanwezigheid van de griffier.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl AR 2017/5939
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?