GERECHTSHOF DEN HAAG
Afdeling Civiel recht
Zaaknummer: 200.213.941/01
beschikking van 16 januari 2018
inzake
[naam 1] ,
wonende te [woonplaats] , gemeente [X] ,
verzoeker,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
advocaat: mr. K.R. Stephan te Velsen-Zuid, gemeente Velsen,
tegen
[naam 2] ,
kantoorhoudende te [plaats] ,
verweerster,
hierna te noemen: [verweerster] ,
advocaat: mr. C. Bruin te Den Haag.
Het geding
Bij beroepschrift, bij het hof binnengekomen op 13 april 2017, heeft [verzoeker] hoger beroep
ingesteld tegen de beschikking van 19 januari 2017 van de rechtbank Den Haag, waarbij het verzoek van [verzoeker] tot het gelasten van een voorlopig deskundigenbericht is afgewezen.
In het beroepschrift (met bijlagen) heeft [verzoeker] twee grieven aangevoerd tegen de beschikking, die [verweerster] bij verweerschrift heeft bestreden. De mondelinge behandeling in deze zaak heeft plaatsgevonden op 25 augustus 2017, bij welke gelegenheid partijen hun standpunten hebben laten toelichten door hun advocaten. De advocaat van [verzoeker] heeft zich daarbij bediend van pleitnotities. Van de mondelinge behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
Vervolgens is een datum van de uitspraak bepaald.
Daarna heeft de advocaat van [verzoeker] het hof een nieuwe bijlage toegezonden. [verweerster] heeft tegen overlegging bezwaar gemaakt. Deze bijlage is door het hof geweigerd.
Beoordeling van het hoger beroep
“De Hoge Raad heeft het leerstuk van de kansschade aanvaard in gevallen waarin een advocaat had verzuimd om tijdig hoger beroep in te stellen (HR 24 oktober 1997, LJN ZC2467, NJ 1998/257 (Baijings) en HR 16 februari 2007, LJN AZ0419, NJ 2007/256 (Tuin Beheer)) of om tijdig een rechtsvordering in te stellen (HR 19 januari 2007, LJN AZ6541, NJ 2007/63 ([D])). In deze gevallen stond op zichzelf de tekortkoming van de advocaat vast, maar was onzeker of een ingesteld hoger beroep of een ingestelde rechtsvordering tot succes voor de cliënt zou hebben geleid, met andere woorden: of de tekortkoming van de advocaat heeft geleid tot schade voor de cliënt, bestaande in een slechtere uitkomst van het geschil dan bij uitblijven van de tekortkoming het geval zou zijn geweest. Vast stond slechts dat de cliënt de kans op een betere uitkomst door de tekortkoming van de advocaat was onthouden. De Hoge Raad heeft voor dit soort gevallen geoordeeld dat de rechter de schade moet vaststellen door te beoordelen hoe de appelrechter, indien wel (tijdig) hoger beroep was ingesteld, had behoren te beslissen, althans dat de rechter het toewijsbare bedrag aan schadevergoeding moet schatten aan de hand van de goede en kwade kansen die de cliënt in het hoger beroep zou hebben gehad; een overeenkomstige maatstaf geldt voor een te laat ingestelde rechtsvordering.”
14. Hieruit volgt dat het aan de rechter is om te beoordelen hoe de Hoge Raad, indien wel tijdig cassatie zou zijn ingesteld, had behoren te beslissen, althans dat de rechter het toewijsbare bedrag aan schadevergoeding moet schatten aan de hand van de goede en kwade kansen die [verzoeker] in cassatie zou hebben gehad. De beantwoording van deze vraag vergt een juridische beoordeling aan de hand van de stellingen van partijen en de stukken waarop partijen zich beroepen. Deze beoordeling is voorbehouden aan de rechter. Het verzoek van [verzoeker] betreft nu juist deze juridische beoordeling door de deskundige en ziet niet op feiten die door middel van deskundigenonderzoek bewezen kunnen worden. Het verzoek van [verzoeker] is daarom niet ter zake dienend (zie HR 19 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL8610, r.o. 3.4, en vgl. Gerechtshof Den Haag 13 januari 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:45, r.o. 4.11).
15. Wat [verzoeker] voor het overige aanvoert, kan aan dit oordeel niet afdoen. De grieven falen, althans kunnen niet tot een ander oordeel leiden.
15. Het voorgaande brengt mee dat de bestreden beschikking zal worden bekrachtigd. [verzoeker] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure in hoger beroep.
Beslissing
Het hof:
Deze beschikking is gegeven door mrs. R.S. van Coevorden, H.J. van Kooten en F.R. Salomons en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 januari 2018 in aanwezigheid van de griffier.