GERECHTSHOF DEN HAAG
Afdeling Civiel recht
Zaaknummer : 200.206.533/01
Rolnummer rechtbank : 4032347 CV EXPL 15-15310
arrest van 3 april 2018
in de zaak van
[appellant], h.o.d.n. [handelsnaam],
wonende te [woonplaats],
appellant,
hierna te noemen: [appellant]
advocaat: mr. H. Orduseven- Semerci te Rotterdam,
tegen
1. Stichting Opleidings- en Ontwikkelingsfonds Bouw & Infra,
gevestigd te Harderwijk,
hierna te noemen: O&O,
2. Stichting Aanvullingsfonds Bouw & Infra,
gevestigd te Harderwijk,
hierna te noemen: het Aanvullingsfonds,
3. Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Bouwnijverheid,
Beslissing
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: het Bpf Bouw,
geïntimeerden,
hierna gezamenlijk te noemen: de fondsen,
advocaat: mr. S.K. Tuithof te Amsterdam.
Het verloop van het geding
Bij exploot van 21 december 2016 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam, zitting houdende te Rotterdam, van 30 september 2016, gewezen tussen partijen. Bij memorie van grieven heeft [appellant] twee grieven aangevoerd. Vervolgens hebben de fondsen bij memorie van antwoord deze grieven bestreden.
De fondsen hebben arrest gevraagd. Beide partijen hebben een kopiedossier gefourneerd voor arrest.
Het hof heeft geconstateerd dat in het door [appellant] gefourneerde (kopie)dossier een afwijkende (en niet ondertekende) memorie van grieven zit. Desgevraagd heeft de advocaat van [appellant] bij brief van 16 februari 2018 te kennen gegeven dat dit een vergissing is.
Beoordeling van het hoger beroep
10. Het Uitvoeringsreglement bepaalt in art. 6 lid 5 dat de pensioenpremie betaald moet zijn binnen 14 dagen na het einde van de loonperiode en dat de werkgever bij niet tijdige betaling door het enkele verloop van deze termijn in verzuim is. De pensioenpremies zijn dus opeisbaar veertien dagen na het einde van de loonperiode. Hetzelfde geldt voor de premies en bijdragen aan O&O en het Aanvullingsfonds.
11. Anders dan de fondsen stellen worden de pensioenpremies dus niet eerst opeisbaar op het moment dat de premies zijn vastgesteld en de facturen zijn gestuurd. Dat is noch in het Uitvoeringsreglement, noch in de CAO BTER te lezen.
11. Niet is betwist dat de fondsen eerst na 14 januari 2013 aanspraak hebben gemaakt op betaling van de premies en bijdragen. Dat is te laat omdat er toen meer dan 5 jaren waren verstreken nadat de vorderingen opeisbaar waren geworden, op de wijze als door [appellant] verdedigd.
11. Dit betekent dat grief 1 slaagt. De vordering tot betaling van een bedrag van € 23.605,59 is verjaard. Bij deze stand van zaken is er geen belang meer bij om de grieven 2 en 3 te behandelen.
11. Het hoger beroep richt zich ook tegen de toegewezen buitengerechtelijke incassokosten. Echter, niet is toegelicht waarom deze kosten niet verschuldigd zijn. Het hoger beroep kan in dit opzicht niet slagen.
11. Het hoger beroep richt zich ook tegen het toegewezen bedrag ter zake van de jaren 2008 en 2012 tot en met 2014, maar niet is toegelicht waarom dit bedrag ten onrechte is toegewezen. Het hoger beroep kan daarom ook in dit opzicht niet slagen.
11. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep grotendeels slaagt. Het bestreden vonnis dient deels te worden vernietigd. De fondsen zullen in beide instanties als de grotendeels in het ongelijk gestelde partijen worden veroordeeld in de proceskosten, de nakosten daaronder begrepen, als hierna bepaald. De proceskostenveroordelingen zullen uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard zoals gevorderd.
11. Vanwege de leesbaarheid van het dictum zal het bestreden vonnis geheel worden vernietigd en het dictum met inachtneming van het voorgaande opnieuw worden geformuleerd.
Het hof:
- vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van kantonrechter in de rechtbank Rotterdam, zitting houdende te Rotterdam, van 30 september 2016, gewezen tussen partijen;
en in zoverre opnieuw rechtdoende:
- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. R.S. van Coevorden, C.A. Joustra en M.V. Ulrici en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 april 2018 in aanwezigheid van de griffier.