Gerechtshof Den Haag
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 14 juli 2017 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] (Colombia) op [geboortejaar] 1976,
[adres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 14 juni 2019.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd, behoudens ten aanzien van de opgelegde straf en de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging en dat het hof, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 28 uren, subsidiair 14 dagen hechtenis, alsmede – in plaats van een last tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 6 weken te geven – een taakstraf voor de duur van 84 uren, subsidiair 42 dagen hechtenis, zal gelasten.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één week. Voorts is ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging beslist zoals nader in het vonnis waarvan beroep omschreven.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 5 juli 2015 te Gouda en/of Rotterdam, in elk geval in Nederland, de eerbaarheid heeft geschonden op of aan een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd, te weten in een trein, immers heeft verdachte (telkens) in directe aanwezigheid van ( (een) minderjarig(e) ) perso(o)n(en) en/of terwijl die perso(o)n(en) direct zicht hadden op hem,
- zijn broek opengemaakt, waardoor zijn geslachtsdeel te zien was en/of
- zijn (korte) broek omhoog getrokken, waardoor zijn geslachtsdeel te zien was.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Vrijspraak
Het hof acht, gezien de processtukken en gelet op het onderzoek ter terechtzitting, niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte – zoals ten laste gelegd – zijn broek open heeft gemaakt en/of zijn (korte) broek omhoog heeft getrokken. Reeds daarom dient de verdachte van het ten laste gelegde te worden vrijgesproken.
Ten overvloede overweegt het hof nog dat ten laste is gelegd dat de schennis zou hebben plaatsgevonden “op of aan een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd, te weten in een trein”, terwijl een trein niet als een dergelijke (openbare) plaats kan worden beschouwd. Zie daarvoor de in HR 11 juni 1991, NJ 1991/810 geciteerde wetsgeschiedenis, onder meer inhoudende:
“Er zijn toch vele plaatsen, die niet als openbare kunnen worden beschouwd, en waar nogtans een groot aantal personen bijeen zijn, die door geenerlei familiebanden zijn vereenigd, bijv. ziekenhuizen, kazernen, gevangenissen, spoorwegrijtuigen enz.”
Ook in verband hiermee zou het hof in de onderhavige zaak niet tot een veroordeling zijn gekomen.
Vordering tot tenuitvoerlegging
De verdachte is bij vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag van 2 juli 2014, gewezen in de zaak met parketnummer 09-231131-10, veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes weken, met aftrek van voorarrest en met een proeftijd van twee jaren.
Nu verdachte van het ten laste gelegde zal worden vrijgesproken, zal de daarop betrekking hebbende vordering tot tenuitvoerlegging worden afgewezen.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Wijst af de vordering strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag van 2 juli 2014 onder parketnummer 09-231131-10 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf.
Dit arrest is gewezen door mr. L.A.J.M. van Dijk,
mr. H.M.D. de Jong en mr. B.P. de Boer, in bijzijn van de griffier mr. A.F. Verbunt.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 14 juni 2019.