ECLI:NL:GHDHA:2019:3976

ECLI:NL:GHDHA:2019:3976, Gerechtshof Den Haag, 28-06-2019, BK-18/01079

Instantie Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak 28-06-2019
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer BK-18/01079
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Verzet
Zittingsplaats Den Haag
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2021:11
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 8 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0005537

Samenvatting

Verzet ongegrond; hoger beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard; geen rechtens toereikende motivering

Uitspraak

Uitspraak van 28 juni 2019

op het verzet van [X] B.V. te [Z] , belanghebbende, tegen de uitspraak na vereenvoudigde behandeling van de enkelvoudige belastingkamer van het Hof van 8 februari 2019.

Overwegingen

1. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank van 23 oktober 2018, nr. SGR 18/30, hoger beroep ingesteld bij het Hof. Het "Pro Forma Hoger Beroepschrift" van 26 november 2018 vermeldt niet meer dan:

"(…) Hierbij tekenen wij pro forma hoger beroep aan tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag op 1 november 2018 in voormelde zaaknummer. Ik verneem graag de voortgang van u. Bijgaand kunt u de uitspraak van de rechtbank Den Haag, de machtiging en het uittreksel van de Kamer van Koophandel vinden. (…)"

2. Bij de uitspraak na vereenvoudigde behandeling heeft het Hof het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard, overwegende:

"Het hogerberoepschrift bevat niet de gronden van het hoger beroep. Belanghebbende is bij aangetekende brief, op 29 november 2018 ter post bezorgd, op het verzuim gewezen en is bij die gelegenheid uitgenodigd dit uiterlijk op 27 december 2018 te herstellen. Belanghebbende heeft aan deze uitnodiging binnen de gestelde termijn geen gevolg gegeven. Nu het hogerberoepschrift niet aan de eisen van de wet voldoet en belanghebbende niet binnen de gestelde termijn het verzuim heeft hersteld, is het Hof van oordeel dat het hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. (…)"

3. Bij brief van 15 april 2019 geeft belanghebbende ter motivering van het verzet te kennen:

"(…) Het gerechtshof heeft geoordeeld dat het door belanghebbende ingediende (hoger) beroepschrift niet de gronden van het bezwaar bevat en mitsdien niet voldoet aan het bepaalde in artikel 6:5, (lid 1, letter d, red. JV), 6:6, 6:24 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). De hiervóór in het hoger beroepschrift aangehaalde inhoud van het hogerberoepschrift laat geen andere uitleg toe dan dat belanghebbende heeft doen blijken dat zij met de Inspecteur van mening verschilde over de juistheid van het vonnis van de rechtbank den Haag die de rechtbank den Haag ten grondslag had gelegd aan zijn bevinding dat belanghebbende met een beroep op artikel 110 VWEU geen verdere vermindering kan verkrijgen wanneer hij bij het berekenen van de hoogte van de verschuldigde belasting BPM - ten onrechte - uitgaat van een ex-rentalvoertuig. Hierin ligt onmiskenbaar besloten een grond voor het maken van bezwaar tegen de naheffingsaanslag. Nu artikel 6:5, lid 1, letter b, Awb geen eisen stelt aan de gefundeerdheid van de motivering van een bezwaar, heeft het gerechtshof ten onrechte een verzuim als in die bepaling bedoeld aanwezig geacht, (vgl. NL:HR:2006:AU7375). Ik merk op - voor zover het er nog toe doet - dat de niet-ontvankelijkverklaring goed bezien einde fiscale procedure betekent en belanghebbende, nu gerechtshof den Haag - overigens geheel ten onrechte - eerder oordeelde dat naar Nederlands recht eerst in de fiscale procedure moet blijken dat vernietiging - voorbehouden aan de fiscale rechter - moet volgen alvorens belanghebbende een civiele procedure kan starten - de uit het Unierecht voortkomende rechten apert onmogelijk kan verzilveren. Daarbij is belanghebbende de mogelijkheid ontnomen - met toepassing van nationale procedureregels - de uit het Unierecht voortkomende rechten te verzilveren. Een dergelijke procedureregel verhoudt zich volgens vaste rechtspraak van het Hof niet met bepalingen van het Unierecht. Belanghebbende had tenminste nog de mogelijkheid moeten krijgen het voor hem bezwarende besluit mondeling toe te kunnen lichten (Hof van Justitie, 3 juli 2014, Kamino/Datema EU:C:2014:2041 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Ook is van belanghebbende een fors bedrag aan vastrecht geheven, hetgeen ook niet wordt teruggeven nu dat bedrag feitelijk bedoeld is voor een bijdrage in de (inhoudelijke) behandeling van het geschil. (…)"

4. De mondelinge behandeling van het verzet tegen de uitspraak na vereenvoudigde behandeling heeft plaatsgehad in Den Haag ter zitting van het Hof van 7 juni 2019. De gemachtigde van belanghebbende is verschenen.

5. Het hoger beroep is naar 's Hofs oordeel terecht en op goede gronden niet-ontvankelijk verklaard. Belanghebbende heeft in verzet niets naar voren gebracht dat een andere conclusie rechtvaardigt. Opmerking verdient dat bezwaarlijk kan worden gezegd dat het in punt 1 aangehaalde proforma-hogerberoepschrift een rechtens toereikende motivering bevat.

6. Het Hof ziet geen reden voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.
2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:
Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Het Gerechtshof verklaart het verzet ongegrond.

De uitspraak is vastgesteld door U.E. Tromp, J.T. Sanders en W.M.G. Visser, in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd. De beslissing is op 28 juni 2019 in het openbaar uitgesproken.

Wegens verhindering van de voorzitter is de uitspraak ondertekend door raadsheer Visser

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?