4. Feit 4: De zaak [aangever B]
Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan oplichting van de Rechtbank Assen.
Uit het dossier blijkt dat de verdachte op naam van [broer verdachte] een perceel grond in Rolde heeft gekocht van [aangever B]. Toen een geschil rees over de levering daarvan heeft [broer verdachte] [aangever B] in een civiele procedure gedagvaard voor de rechtbank te Assen. In die procedure heeft de verdachte uit naam van [broer verdachte] onder meer onder gesteld en onderbouwd dat hij door uitblijvende levering van de grond schade leed doordat hij het perceel grond had doorverkocht aan [betrokkene G], maar aan hem niet kon leveren en dat [betrokkene G] op zijn beurt hem daarvoor aansprakelijk stelde. In die zaak is op 3 augustus 2011 vonnis gewezen, waarbij [aangever B] mede op die grond is veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding aan [broer verdachte]. Op basis hiervan is vervolgens een schikking getroffen, waarbij [aangever B] zich verplichtte tot betaling van € 20.000,- tegen finale kwijting. Die betaling heeft ook daadwerkelijk plaatsgevonden. Uit het dossier blijkt dat er nimmer sprake is geweest van een (reële) doorverkoop van het betreffende perceel aan [betrokkene G] en nog minder van een aansprakelijkstelling door [betrokkene G].
Het hof komt op die grond tot het oordeel dat de verdachte de Rechtbank Assen heeft opgelicht door een samenweefstel van verdichtsels, waardoor de Rechtbank Assen is bewogen tot afgifte van een voor de verdachte gunstig vonnis, ten gevolge waarvan [aangever B] (in wezen: zonder goede grond) heeft geschikt en een bedrag van € 20.000,- heeft betaald.
Anders dan de verdediging heeft aangevoerd, is niet vereist dat de rechtbank enig vermogensrechtelijk nadeel zou lijden door de gepleegde oplichting. Toereikend is in dit verband de vaststelling dat het omstreden vonnis is aan te merken als een goed in de zin van het bepaalde in artikel 326 Sr. en dat afgifte daarvan door de verdachte is bewerkstelligd door een samenweefsel van verdichtsels zoals hiervoor omschreven. De wederrechtelijkheid van het handelen van de verdachte wordt, anders dan de verdediging meent, niet opgeheven door de omstandigheid dat de valse schadeclaim is uitgemond in een rechterlijk vonnis. Overigens vertegenwoordigt dat vonnis ook een waarde in het economisch verkeer, doordat daarmee betaling van de geldsom tot betaling waarvan [aangever B] was veroordeeld zou kunnen worden afgedwongen.
5. Feit 5 en 6: De casus [aangever A]
Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van een poging om – zakelijk weergegeven – de erven [aangever A1] op te lichten (feit 5) en een poging om de rechtbank Rotterdam op te lichten (feit 6).
Hiertoe overweegt het hof dat uit de gebezigde bewijsmiddelen met betrekking tot de schuldbekentenis d.d. 17 juli 2007 van [aangever A1] en [betrokkene I] aan [betrokkene A1] het volgende naar voren komt:
Het hof heeft geen reden om te twijfelen aan de aangifte en verklaringen van [aangever A] en de verklaringen van [betrokkene A1] en [betrokkene I] en neemt voorts het volgende in aanmerking:
Daar komt nog bij dat de verdachte in een eerdere civiele zaak waarin op naam van [betrokkene I] als eiser werd geprocedeerd met zoveel woorden heeft verklaard dat hij stukken vervalst en op basis daarvan procedeert. Immers, in de procedure bij de rechtbank te Utrecht waarin de verdachte is aangemerkt als gevolmachtigde van [betrokkene I] - die in die zaak werd bijgestaan door [betrokkene B] - heeft verdachte, volgens het proces-verbaal van de in die zaak op 1 december 2010 gehouden comparitie van partijen (DD/499/001 e.v.) namens partij [betrokkene I] onder meer verklaard:
“De heer [betrokkene AF] heeft (…) de koopovereenkomst met Miranda niet getekend. Ik heb namelijk die overeenkomst getekend en de handtekening van de heer [betrokkene AF] vervalst. [betrokkene I] wist nergens wat
van.”
en
“Er bestaat geen overeenkomst waar twee originele handtekeningen op staan van de koper en de verkoper. Alles is vervalst en er is met kopieën gewerkt. Ik had eerst de handtekening van [betrokkene I] vervalst. (…)Die overeenkomst accepteerde de notaris niet. Ik heb toen de tweede overeenkomst ondertekend en daarbij de handtekening van de heer [betrokkene AF] vervalst. Dat is de overeenkomst die ter comparitie aan u is overgelegd.”
Op grond van al deze en de in de bewijsmiddelen opgenomen feiten en omstandigheden acht het hof buiten twijfel dat sprake is van een volledig gefingeerde vordering van [betrokkene A1] op [aangever A1] en [betrokkene I] en van een valselijk opgemaakte schuldbekentenis.
Enige aanwijzing voor de betrokkenheid van andere personen dan verdachte en diens dochter bij de poging tot oplichting van de erven [aangever A1] komt uit het dossier niet naar voren. Het hof acht het aannemelijk dat de verdachte hierbij de initiatiefnemer is en de persoon die – behoudens de aantoonbaar door zijn dochter gepleegde uitvoeringshandelingen - alle overige in verband hiermee gepleegde voorbereidings- en uitvoeringshandelingen heeft verricht.
Op grond van al de voornoemde en de in de bewijsmiddelen opgenomen feiten en omstandigheden heeft het hof er voorts geen enkele twijfel over dat de op 10 augustus 2009 door [betrokkene E] in het geding gebrachte schuldbekentenis door de verdachte is opgemaakt, waarbij deze na de ontvangst op 6 augustus 2009 van de door hem opgevraagde kopie van het toen al lang verlopen paspoort met nr.[nummer]6, aan die handtekening van [aangever A1] is gekomen.
Geheel ten overvloede merkt het hof op dat een feit van algemene bekendheid is dat de aanvrager van een nieuw paspoort bij afgifte van het nieuwe paspoort door de gemeente zijn ‘oude’ paspoort ofwel moet inleveren ofwel moet toestaan dat dit ongeldig wordt gemaakt, en dat dus uitgesloten mag worden geacht dat [aangever A1] zelf na 29 mei 2002, de datum waarop hem een nieuw paspoort is verstrekt, nog over een ‘gaaf’ verlopen paspoort nr. [nummer] beschikte. Aangezien de schuldbekentenis vals was en er derhalve geen schuld bestond, is op valse gronden beslag gelegd op de woning aan de [pand AD].
De verklaringen van [betrokkene E] , [betrokkene B] en [betrokkene F] – wat daarvan ook zij - kunnen hieraan geen afbreuk doen. Het hof acht het – te meer gezien het extreem korte tijdsbestek van kennelijk één dag tussen de mondeling aan [aangever A] gedane aankondiging tot de beslaglegging en de daadwerkelijke beslaglegging - uitgesloten dat het [betrokkene A1] zelf is geweest die met de vader van de verdachte bij [betrokkene B] op kantoor is geweest en de onderhavige zaak heeft besproken zoals deze heeft verklaard.
Voorts leidt het hof uit de gebezigde bewijsmiddelen af dat de verdachte op naam van [betrokkene A1] de onderhavige procedures heeft gevoerd die, zoals hiervoor is overwogen, niet alleen strekte tot het oplichten van de erven [aangever A1], maar die ook de rechtbank Rotterdam hadden moeten bewegen tot afgifte van een goed. Aldus acht het hof eveneens wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op valse gronden en onder een valse naam beslag heeft laten leggen op het pand aan de [pand AD] te Rotterdam, een valse schuldbekentenis heeft opgesteld en overgelegd en op naam van [betrokkene A1] stukken en dagvaardingen heeft laten opstellen en verzenden waarin feiten stonden die niet conform de waarheid waren. Aldus heeft de verdachte gepoogd om de rechtbank te bewegen tot het afgeven van een voor hem gunstig (toewijzend) vonnis. Nu de vordering is afgewezen is het bij een poging gebleven.
Wat betreft het ook in verband met feit 5 gevoerde verweer dat een vonnis niet is aan te merken als een goed in de zin van het bepaalde in artikel 326 Sr kan worden aangemerkt, verwijst het hof naar hetgeen op dat punt ter zake van feit 4 is overwogen en beslist.
Onderzoekwensen betreffende feiten 4, 5 en 6
De verdediging wenst [betrokkene E] en [betrokkene B] alsmede [betrokkene F] feitelijke vragen te stellen aangaande de procedures in de zaken [aangever A] en [aangever B]. Daarnaast wenst de verdediging de getuige [betrokkene F] te bevragen over haar verklaring bij de rechter-commissaris in de zaken tegen [betrokkene B] en [betrokkene E] waarin zij ondubbelzinnig heeft verklaard dat [betrokkene A1] cliënt is van [betrokkene B] en [betrokkene E] en dat [betrokkene A1] meerdere keren op het advocatenkantoor is geweest.
Deze drie personen hebben al (in hun eigen zaken) verklaringen afgelegd. De verdediging stelt niet dat deze verklaringen worden betwist dan wel wat hier aan zou moeten worden toegevoegd.
Het hof wijst deze verzoeken, gezien de gegeven motivering, de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting, af, omdat het hof het horen van deze getuigen in dit kader niet noodzakelijk acht met het oog op de volledigheid van het onderzoek.
Het hof wijst eveneens het verzoek om [betrokkene I] als getuige te horen over het zaakdsdossier [aangever A] af, nu het hof dit niet noodzakelijk acht met het oog op de volledigheid van het onderzoek.
6. Overige onderzoekswensen in de zaak Waterstof
Het hof heeft het verzoek tot het horen van [medeverdachte C] als getuige ter terechtzitting in hoger beroep toegewezen. Deze getuige, die op een eerdere zittingsdag van het hof in het onderzoek Waterstof wel bij het onderzoek op de terechtzitting in zijn eigen zaak was verschenen, is als zodanig voor de zitting van 4 februari 2019 opgeroepen, maar is toen niet verschenen.
Het hof stelt vast de deze getuige eerder is gehoord op 21 januari 2013 en 20 januari 2014 bij de rechter-commissaris en dat de getuige zich toen telkens op zijn verschoningsrecht heeft beroepen. Het hof constateert ook dat de raadsman ter zitting heeft opgemerkt dat hij niet wist wat hij aan deze getuige zou moeten vragen, indien deze wel was verschenen.
Het hof is van oordeel dat onder deze omstandigheden kan worden aangenomen dat de getuige – die overigens na die eerdere zittingsdag niet meer is verschenen en in hoger beroep niet inhoudelijk heeft verklaard in zijn eigen zaak - een onveranderde houding heeft aangenomen en zich ook thans nog steeds beroept op zijn verschoningsrecht, zodat onaannemelijk is dat deze getuige (binnen een aanvaardbare termijn) ter terechtzitting zal verschijnen teneinde daar alsnog een inhoudelijke verklaring af te leggen. Het hof ziet ook daarom af van hernieuwde oproeping van deze getuige.
Het hof heeft eveneens het verzoek tot het horen van de – niet verschenen - getuige [betrokkene AH] toegewezen. Het hof verwijst naar het proces-verbaal van de raadsheer-commissaris ter zake. Nu deze getuige niet traceerbaar is en bijgevolg niet aannemelijk is dat deze getuige binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen ziet het hof af van een hernieuwde oproeping van deze getuige.
Voor zover er nog onderzoekwensen van de verdediging openstaan, waarop niet hiervoor expliciet is ingegaan, wijst het hof deze af, omdat het hof zich op grond van het verhandelde ter zitting en de inhoud van het dossier voldoende ingelicht acht en verder onderzoek niet noodzakelijk acht.
Voor zover zou moeten worden geoordeeld dat bepaalde onderzoekwensen van de verdediging, anders dan in dit arrest is gedaan, zouden moeten worden getoetst aan het criterium van het verdedigingsbelang, wijst het hof die verzoeken ook op basis van dat criterium af. Voor (vrijwel) alle getuigenverzoeken geldt dat de daaraan ten grondslag gelegde onderbouwing onvoldoende specifiek en concreet is en blijft steken in nietszeggende algemeenheden. In het licht van de inhoud van het dossier en hetgeen door het hof in dit arrest en ter terechtzitting van 11 mei 2017 is overwogen, alsmede het grote aantal wèl toegewezen verzoeken, is uit de summiere motivering waarmee de getuigenverzoeken zijn vergezeld in elk geval niet af te leiden waarom het (nogmaals) horen van die getuigen van belang is voor enige in de strafzaak uit hoofde van de artikelen 348 en 350 Sv te nemen beslissing.
Daarbij geldt dat, zoals door het hof in een eerder stadium al is overwogen, de onderzoekwensen van de verdediging bijzonder ruimhartig zijn toegewezen in eerste aanleg en dat ook in hoger beroep uitgebreide getuigenverhoren hebben plaatsgevonden. Het hof benadrukt dat een verdachte niet een onbeperkt recht heeft op inwilliging van al zijn onderzoekwensen en verwijst naar hetgeen het eerder heeft overwogen in het kader van 9de onderzoekwensen ten aanzien van0 de vormverzuimen.
Verzoek tot aanhouding
Het hof wijst het door de raadsman op de terechtzitting van 29 januari 2019 gedane verzoek tot aanhouding (pleitnota van 29 januari, blz. 26 en 77) af, omdat dit niet in het belang is van het onderzoek nu de onderzoekwensen worden afgewezen en dat verzoek was gedaan met het oog op uitvoering van die wensen.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:
medeplegen van gewoontewitwassen
en
gewoontewitwassen.
Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:
De meerdaadse samenloop van:
valsheid in geschrift, meermalen gepleegd
en
opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd.
Het onder 3 primair bewezen verklaarde levert op:
medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd.
Het onder 4 bewezen verklaarde levert op:
medeplegen van oplichting.
Het onder 5 primair en 6 bewezen verklaarde levert op:
poging tot oplichting.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Vordering van de benadeelde partij [aangever B]
De benadeelde partij [aangever B] heeft zich als benadeelde partij gevoegd met een vordering tot schadevergoeding ter zake van feit 4 tot een bedrag van in totaal € 54.127,95. Hij heeft deze vordering in hoger beroep gehandhaafd.
Naar het oordeel van het hof is zonder meer aannemelijk dat de benadeelde partij tot een bedrag van € 20.000,- aan materiële schade heeft geleden. Het gaat daarbij om het bedrag dat als gevolg van het door oplichting verkregen vonnis als schikking is voldaan. Daarmee is gegeven dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 4 bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 19 maart 2012, de datum waarop namens [aangever B] het schikkingsbedrag is betaald, tot aan de dag der algehele voldoening.
Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op, omdat zonder nadere instructie niet kan worden vastgesteld of ook de overige schadeposten zijn aan te merken als rechtstreekse schade van feit 4 zoals bewezenverklaard.
Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer A. [aangever B]
Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 20.000,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [aangever B], te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 19 maart 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.
Kostenveroordeling
Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Benadeelde partij [betrokkene AD]
Het hof stelt vast dat de [betrokkene AD] een niet ondertekend formulier waarmee men zich kan voegen als benadeelde partij in een strafzaak heeft ingediend, maar dat zij noch op dat formulier, noch anderszins een vordering heeft geformuleerd waarover het hof een beslissing zou kunnen nemen.
De in beslag genomen voorwerpen
Verbeurdverklaring
Het hof zal de verbeurdverklaring gelasten van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten de voorwerpen onder 1, 7, 8, 9, 10, 17, 18, 20, 22, 24, 26, 27, 28, 29, 30, 31, 32, 33, 35, 51, 52, 53, 54, 55, 56, 57, 58, 59, 60, 61 en 62 van de door de advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde beslaglijst. Met betrekking tot deze voorwerpen wordt de verdachte veroordeeld ter zake witwassen of oplichting. Het betreffen rekeningen en panden die op naam van derden staan, maar waarvan de verdachte – kort gezegd – heeft verklaard dat zij behoren tot de nalatenschap van zijn ouders, welke door hem beheerd wordt. Hoewel het hof het bestaan van voornoemde nalatenschap niet aannemelijk acht, is mede op grond van voornoemde verklaring en de overige inhoud van het dossier, wel een materiële werkelijkheid aannemelijk geworden die inhoudt dat de verdachte – hoewel geen juridisch eigenaar – heer en meester is over deze voorwerpen. De voorwerpen zijn daarmee vatbaar voor verbeurdverklaring aangezien ze de verdachte feitelijk dus toebehoren en zijn verkregen uit de bewezenverklaarde feiten. Het hof zal daarom deze voorwerpen verbeurdverklaren.
Het hof zal eveneens de verbeurdverklaring gelasten van de inbeslaggenomen voorwerpen en nog niet teruggegeven voorwerpen die door de advocaat-generaal op de beslaglijst met de hand heeft bijgeschreven. Dit betreffen de buitenlandse rekeningen ter zake waarvan de verdachte wordt veroordeeld voor witwassen.
Teruggave aan de rechthebbende(n)
Het hof zal de teruggave gelasten van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten de voorwerpen onder 2, 3, 19, 21, 23 en 25 van de door de advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde beslaglijst. Met betrekking tot deze voorwerpen is het hof tot een vrijspraak gekomen van het ten laste gelegde, zodat het belang van strafvordering zich niet langer verzet tegen teruggave.
Het hof zal tevens de teruggave gelasten van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten de voorwerpen onder 4, 5, 6, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 36, 37, 38 en 150. Met betrekking tot deze voorwerpen wordt de verdachte geen strafbare feiten verweten. Nu het belang van strafvordering zich daartegen niet meer verzet, zal het hof de teruggave aan de rechthebbende(n) gelasten van deze voorwerpen.
Het hof merkt daarbij de tenaamgestelden c.q. de juridisch eigenaars van de panden aan als de rechthebbenden aan wie de teruggave wordt gelast van de voorwerpen genoemd onder 2, 3, 4, 5, 6, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 19, 21, 23, en 25. Met betrekking tot de voorwerpen genoemd onder 36, 37, 38 en 150 wordt de teruggave gelast aan de verdachte als degene onder wie deze goederen in beslag zijn genomen.
Gedeeltelijke teruggave aan de rechthebbende [betrokkene J] en gedeeltelijke verbeurdverklaring
Van het voorwerp 34 op voornoemde beslaglijst zal het hof tot een bedrag van € 149.133,34 teruggeven aan [betrokkene J], nu dit bedrag [betrokkene J] toekomt en het belang van de strafvordering zich daartegen niet meer verzet. Dit bedrag is namelijk gestort als opbrengst van de verkoop van de [pand AH], het pand dat [betrokkene J] in eigendom had. Uit het dossier blijkt dat [betrokkene J] er niet van op de hoogte was dat de verdachte zijn pand verkocht. Evenmin wist [betrokkene J] dat de verdachte de opbrengst op de bankrekening had gestort en daar voor de verdachte verborgen hield. Ten aanzien van dit bedrag ontbreekt daarom de relatie tot het bewezenverklaarde witwassen. Het restant wordt verbeurd verklaard, nu de verdachte zich als heer en meester over de rekening heeft gedragen en aldus het restant met witwassen heeft verkregen.
Het hof heeft bij de verbeurdverklaring rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Hypotheekfraude
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het oplichten van diverse hypotheekverstrekkers door het verstrekken van valselijk opgemaakte documenten voor het verkrijgen van hypotheken op basis van gefingeerde gegevens. Hij zorgde ervoor dat strolieden deze panden in eigendom verkregen. Deze strolieden moesten de koopprijs voldoen uit een hypothecaire geldlening welke middels oplichting was verkregen.
Deze katvangers koos de verdachte zorgvuldig uit. Veelal tamelijk onmondige, laag opgeleide mensen die om allerlei redenen – schulden, verslavingen en gezondheidsproblemen – al veel aan hun hoofd hadden en om woonruimte verlegen zaten. Verdachte bood zijn hulp bij het zoeken van woonruimte. Door voor de strolieden onbetaalbare leningen verstrekt te krijgen, veelal bij te hoog getaxeerde panden, zadelde de verdachte niet alleen de hypotheekverstrekkers, maar ook de strolieden op met een grote financiële strop. Immers, omdat de maandlasten niet betaald werden of konden worden werden de panden executoriaal verkocht. Door aldus te handelen heeft de verdachte het vertrouwen geschaad dat door de maatschappij en in het bijzonder door hypotheeknemende geldverstrekkers zoals banken moet kunnen worden gesteld in stukken ter onderbouwing van een hypotheekaanvraag. De verdachte heeft miskend dat de integriteit van het financiële verkeer staat of valt met het vertrouwen dat gesteld wordt en gesteld moet kunnen worden in de juistheid van de inhoud van verstrekte gegevens. De hypotheekverstrekkers blijven, gelet op de povere financiële positie van de strolieden, bovendien zitten met oninbare vorderingen. De strolieden blijven achter met forse schulden die zij nooit kunnen terugbetalen. Dit laatste is wel erg wrang als men bedenkt dat de verdachte enkele strolieden juist overhaalde een pand te kopen om zo – na een door de verdachte in het vooruitzicht gestelde verkoop – uit de schulden te komen. Intussen voer de verdachte hier als enige wel bij. De van de banken afkomstige koopsommen waren immers voldaan op bankrekeningen van de verkopers waarover de verdachte kon beschikken. In een aantal gevallen kocht de verdachte zelfs een pand op (of kort na) de veiling via een (andere) katvanger terug, met als resultaat dat hij in korte tijd niet alleen de koopsom opstreek maar ook het geveilde pand voor een veel lagere prijs weer in zijn bezit kreeg, de bank met een oninbare vordering en de katvanger met een onbetaalbare schuld achterlatend. Het saldo van de transacties gebruikte hij om weer andere panden te kopen.
Witwassen
Het hof is met de rechtbank van oordeel dat in de door de verdachte gevoerde strijd tegen de belastingdienst geen enkele rechtvaardiging kan worden gevonden voor het plegen van de grondmisdrijven zoals hypotheekfraude en het vervolgens verhullen van de opbrengst daarvan door middel van onroerend goed transacties. Witwassen vormt een ernstige bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer en ernstige mate aan. Geld dat wordt verdiend door het plegen van strafbare feiten maakt onderdeel uit van het zwartgeldcircuit en heeft een ontwrichtende werking op de samenleving. De omvang hiervan is bepaald niet gering. De verdachte heeft zo’n twintig panden aangekocht en verkocht op naam van katvangers teneinde – kort gezegd – de geldstroom vanuit de hypotheekfraudes en de bankrekeningen te verhullen. De totale geldstroom bedraagt miljoenen euro’s. Hij houdt het geld uit het zicht omdat het met misdrijven is verdiend. Ook het opstellen en ondertekenen van valse huurcontracten valt te verklaren uit de wens van de verdachte 'onzichtbaar’ te blijven voor autoriteiten.
Oplichtingen [aangever A] en [aangever B]
De verdachte heeft getracht [aangever A] een fors geldbedrag afhandig te maken nadat [aangever A] de onderhandelingen met de verdachte over de verkoop van het (door hem geërfde) huis van zijn kort daarvoor overleden zoon had stopgezet, omdat hij aan een ander wilde verkopen. Gebruikmakend van de zwakke positie van [aangever A] – de trieste omstandigheden waaronder [aangever A] zijn overleden zoon heeft aangetroffen waren de verdachte bekend – heeft de verdachte een schuldbekentenis gefingeerd om betaling van een geldbedrag af te dwingen. Dit is op doordachte en doortrapte wijze opgezet. De verdachte heeft slechts uit eigen financieel gewin gehandeld. Hij heeft ook het vertrouwen van [aangever A] in de medemens in ernstige mate geschaad. De verdachte heeft zich in het geheel niet bekommerd om het effect van zijn handelen op [aangever A]. Het hof acht het buitengewoon ernstig dat de verdachte door gebruikmaking van het Nederlandse rechtssysteem valselijk beslag legt en een valse vordering poogt te incasseren, nota bene op basis van een toevoeging, en aldus de wederpartij belast met een civiele procedure en dwingt tot het maken van hoge kosten.
De verdachte heeft tegenover de rechtbank Assen door het voorwenden van een verkoop van de grond aan [betrokkene G] een gefingeerde schadepost opgevoerd. Het gebruik van valse stukken, het ten onrechte dagvaarden van nietsvermoedende burgers en het opzetten van een schijnconstructie, zijn alle tekenend voor de houding van de verdachte tegenover de rechtsstaat. Aldus vormt de verdachte een serieuze bedreiging voor de rechtstaat.
Daarbij heeft de verdachte een groep mensen (veelal familieleden) om zich heen verzameld die bereid zijn om de verdachte hierin te faciliteren en zelfs feiten met hem mede te plegen. De corrumperende werking van de handelswijze van de verdachte wordt hiermee op duidelijke wijze geïllustreerd.
Het hof heeft rekening gehouden met een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 10 januari 2019, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.
De raadsman van de verdachte heeft bepleit dat met betrekking tot de getapte, opgenomen, uitgeluisterde en niet aanstonds vernietigde geheimhoudergesprekken het geconstateerde vormverzuim dient te leiden tot strafvermindering.
Het hof overweegt hiertoe dat, zoals reeds ten aanzien van de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging is overwogen dat niet aannemelijk is geworden dat de verdachte daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden van dat vormverzuim. Het hof ziet dan ook geen aanleiding om over te gaan tot strafvermindering. Het verweer wordt verworpen.
Zoals hiervoor reeds is overwogen zal het hof een groot deel van de inbeslaggenomen voorwerpen (veelal panden en bankrekeningen) verbeurd verklaren als bijkomende straf. Daarmee wordt de verdachte ook voor een groot bedrag getroffen in zijn vermogen. Tegen die achtergrond ziet het hof geen aanleiding om de geëiste onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 8 jaren op te leggen. Wel is het hof van oordeel dat gelet op de ernst, aard en omvang van de bewezenverklaarde feiten, uitsluitend een vrijheidsstraf van aanzienlijke duur op zijn plaats is.
Redelijke termijn
Het hof stelt voorop dat het voorschrift van artikel 6, eerste lid, EVRM beoogt te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is zou moeten leven onder de dreiging van een (verdere) strafvervolging. De Hoge Raad heeft uitgangspunten en regels geformuleerd over dit voorschrift en over de vraag wanneer van een inbreuk daarop sprake is, alsmede over het rechtsgevolg dat daaraan in geval van een inbreuk dient te worden verbonden. De Hoge Raad heeft daarbij beslist dat overschrijding van de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn nimmer kan leiden tot de niet-ontvankelijkheidsverklaring van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging.
Met betrekking tot het totale procesverloop in deze zaak voegt het hof daaraan het volgende toe. Tussen de inverzekeringstelling van de verdachte in 2012 en het eindarrest (23 april 2019) zijn ruim 7 jaar verstreken. Daarmee is de duur van de strafprocedure in haar totaliteit onwenselijk lang geworden. Niettemin kan naar het oordeel van het hof niet worden gesproken van een overschrijding van de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn van berechting. Het hof neemt daarbij met name de omvang en complexiteit van het verrichte strafrechtelijk onderzoek in aanmerking, alsmede de tijd die de behandeling ter terechtzitting heeft gevergd als gevolg van de gelijktijdige berechting van de zaken van acht in dit hoger beroep terechtstaande verdachten. Daarbij houdt het hof uitdrukkelijk ook rekening met de talloze door de verdediging ook bij herhaling naar voren gebrachte onderzoekwensen.
Het hof is van oordeel dat daarom niet kan worden gesproken van een inbreuk op het bepaalde in artikel 6 van het EVRM en volstaat met de vaststelling van de onwenselijk lange duur van de procedure, zonder daaraan enig rechtsgevolg te verbinden.
Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.
Verzoek opheffing van de voorlopige hechtenis
Het hof wijst het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis van de verdachte af, nu de gronden en bezwaren die hebben geleid tot de voorlopige hechtenis nog steeds aanwezig zijn en de situatie als bedoeld in artikel 67a, lid 3 Sv thans niet aan de orde is.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 33, 33a, 36f, 45, 47, 57, 225, 326, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte en het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in het door hen ingestelde hoger beroep voor zover gericht tegen de hiervoor genoemde deelvrijspraken.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart de verdachte en het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in het door hen ingestelde hoger beroep voor zover gericht tegen de hiervoor genoemde deelvrijspraken.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 primair, 4, 5 primair en 6 ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1, 2, 3 primair, 4, 5 primair en 6 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaren.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten de op de beslaglijst genummerde voorwerpen onder:
1, 7, 8, 9, 10, 17, 18, 20, 22, 24, 26, 27, 28, 29, 30, 31, 32, 33, 35, 51, 52, 53, 54, 55, 56, 57, 58, 59, 60, 61 en 62.
Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen welke ongenummerd zijn toegevoegd op de beslaglijst, te weten:
Vorderingen Fortis Banque Luxembourg, saldo bankrekening [bankrekening 7]
Vorderingen Fortis Banque Luxembourg, saldo bankrekening [bankrekening 8] (effectenrekening)
Vorderingen Fortis Banque Luxembourg, saldo bankrekening [bankrekening 10] (optiflex)
Vorderingen Fortis Banque Luxembourg, saldo bankrekening [bankrekening 11] (effectenrekening)
Vorderingen Banque et Caisse d’Epargne, saldo [bankrekening 12]
Vorderingen Banque et Caisse d’Epargne, saldo [bankrekening 13].
Gelast de teruggave aan de rechthebbende(n) van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten de op de beslaglijst genummerde voorwerpen onder:
2, 3, 4, 5, 6, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 19, 21, 23, 25, 36, 37, 38 en 150.
Gelast de teruggave aan [betrokkene J] van het op de beslaglijst onder 34 genummerde voorwerp tot een bedrag van € 149.133,33 en verklaart verbeurd het overige saldo op deze bankrekening.
Vordering van de benadeelde partij [aangever B]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangever B] ter zake van het onder 4 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 20.000,00 (twintigduizend euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [aangever B], ter zake van het onder 4 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 20.000,00 (twintigduizend euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 135 (honderdvijfendertig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 19 maart 2012.
Wijst af het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis van de verdachte.
Dit arrest is gewezen door mr. C.G.M. van Rijnberk,
mr. A.E.A.M. van Waesberghe en mr. A.J.P. van Essen, in bijzijn van de griffiers mr. M.M. Dijk en mr. H. van den Hove.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 23 april 2019.